Verhaal 6: Segment
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Om 05.12 uur staat Lars op de parkeerplaats aan de rand van het Speulderbos met zijn voorwiel tussen zijn knieën en zijn telefoon in zijn mond. Hij klikt het wiel vast, test de remmen, knijpt in de banden. Een komma acht bar voor, twee achter. Hij heeft het gisteravond al gecontroleerd en eergisteren ook.
De lucht in het oosten is lichtgeel. Er hangt mist tussen de stammen, laag, als melk in thee. Het ruikt naar dennennaalden en naar iets zoets dat hij niet kan thuisbrengen. Hij denkt er niet over na. Hij start de app, zet zijn fietscomputer op het juiste scherm en kijkt nog een keer naar het segment.
Speulderveld Ridge. 3,4 kilometer. Een stuk singletrack langs de rand van de hei, met wortels, twee korte klimmetjes en een afdaling door de dennen die eindigt bij een zandweg. Het record staat op 6:41, van een jongen uit Harderwijk die WillemDeWolf heet en die Lars nooit heeft ontmoet. Lars' eigen beste tijd is 6:49. Acht seconden. Hij heeft er dit voorjaar elf ochtenden aan besteed.
Hij is vierendertig. Hij werkt bij een verzekeraar in Amersfoort, op de afdeling data, en hij weet precies hoe zinloos het is om om vijf uur op te staan voor acht seconden. Hij heeft het zijn vriendin Iris uitgelegd met een grafiek. Ze keek ernaar en zei: „Je weet dat je dat zelf hebt gemaakt, toch? Die lijn?”
Hij klikt in, zet af en is weg.
De eerste kilometer is aanloop. Brede paden, hard zand, de route met de gekleurde paaltjes. Hij rijdt op zijn hartslag, niet te hard. De mist hangt in flarden boven de varens. Een ree springt weg, hij ziet alleen een witte kont. Bij het bordje met de pijl buigt hij af naar het smalle pad en zet zijn handen anders op het stuur.
Het segment begint bij een berk met een knoest. Zijn computer piept.
Hij gaat.
Het pad slingert tussen de dennen door, smal, met wortels die als vingers over het zand liggen. Hij weet waar ze liggen. Hij weet welke hij moet nemen en welke hij moet ontwijken, waar hij zijn gewicht naar achter moet en waar hij kan doortrappen. Het eerste klimmetje: staand, drie omwentelingen op de pedalen, over de top. De hei opent zich links van hem, nog grijs, met hier en daar een vliegden. Hij kijkt er niet naar. Hij kijkt naar het pad, twee meter voor zijn voorwiel, en naar de cijfers.
1:58. Twee seconden voor op zijn beste tijd.
Het tweede klimmetje. Zijn benen branden, zijn longen ook. Hij voelt het melkzuur in zijn kuiten. Over de top.
3:21. Vier seconden voor.
Nu komt de afdaling langs de rand van het veld, waar het pad vlak langs een paar grote bomen loopt. Daar heeft hij altijd tijd verloren. Er ligt een wortel dwars over het pad, vlak achter een bocht, en elke keer remt hij te vroeg. Vandaag niet. Hij heeft zich voorgenomen erover te springen.
Hij komt de bocht uit. De wortel. Hij trekt zijn stuur omhoog.
Wat hij niet ziet, is de tak. Een dode tak, een arm dik, die er vorige week niet lag. Zijn voorwiel raakt hem precies op het moment dat hij landt.
Er is een knak. Daarna is er een tijdje niets.
Hij ligt op zijn rug in de bosbes en kijkt naar bladeren. Eikenbladeren, jong, licht, met de zon erdoorheen. Dat valt hem op, in de verwarring: dat het eik is en geen den. Hij heeft hier elf keer gereden en nooit gezien dat er een eik stond.
Hij beweegt zijn vingers. Zijn tenen. Zijn nek, voorzichtig. Alles doet het. Zijn linkerschouder doet pijn op een manier die hij niet prettig vindt, en er loopt iets warms langs zijn kin. Hij voelt met zijn hand. Bloed, niet veel. Hij is op zijn helm gekomen; er zit een scheur in de schaal.
Hij gaat zitten.
Zijn fiets ligt twee meter verderop. Het voorwiel is niet meer rond. Het is een soort taco, een acht, met twee gebroken spaken die als antennes omhoogsteken. De band is van de velg gesprongen.
Zijn fietscomputer is van het stuur geschoten en ligt in het zand. Het scherm loopt nog. 4:12, 4:13, 4:14. De tijd gaat gewoon door. Hij kijkt er een tijdje naar en zet hem dan uit.
Zijn telefoon zit in zijn achterzak. Of zat. Hij voelt. Hij staat op, te snel, en gaat meteen weer zitten omdat de wereld scheef staat. Dan ziet hij hem, verderop, op het pad. Het scherm is een spinnenweb. Als hij op de knop drukt, gebeurt er niets.
Hij zit in het bos, kwart voor zes op een zaterdagochtend in juni, vier kilometer van zijn auto, met een kapot wiel en een dode telefoon, en hij begint te lachen. Het doet pijn aan zijn schouder.
Het is een hond die hem vindt. Een zwartwitte border collie die uit het niets naast hem staat, hem besnuffelt, één keer blaft en weer wegrent. Twee minuten later hoort hij een fluitje, en daarna geblaat. Veel geblaat.
Over de rand van de hei komt een kudde schapen. Ze stromen als water tussen de struiken door, grijswit, met donkere koppen, honderden. Midden in de kudde loopt een vrouw met een lange staf en een hoed. Ze is in de zestig, breed, met een gezicht dat jarenlang buiten is geweest. De hond rent om de kudde heen en duwt de achterblijvers terug.
Ze ziet hem en komt aangelopen. Ze kijkt naar zijn gezicht, naar zijn fiets, naar de tak.
„Die heeft de storm van dinsdag eruit gegooid,” zegt ze. „Uit de eik. Ik had hem willen weghalen.”
„Ik heb hem gevonden,” zegt Lars.
Ze lacht niet. Ze hurkt bij hem, met een kraak in haar knieën, en kijkt naar de snee in zijn kin. Ze haalt een zakdoek uit haar jaszak, een echte, van stof, en drukt hem ertegen.
„Vasthouden,” zegt ze. „Ben je duizelig?”
„Een beetje.”
„Weet je welke dag het is?”
„Zaterdag. De achtste.”
„Goed genoeg.” Ze staat op. „Ik ben Tineke. Ik loop met de kudde van de schaapskooi. Mijn auto staat bij de kooi, dat is anderhalf uur met de schapen erbij. Of je wacht hier tot ik terugkom met de auto, maar dat duurt ook een uur.”
Hij denkt aan de twee opties. Allebei duren ze een eeuwigheid.
„Ik loop mee,” zegt hij.
Hij heeft nooit geweten hoe langzaam schapen lopen. Of eigenlijk: hoe ongelijkmatig. Ze lopen niet; ze grazen in beweging. Elk schaap steekt zijn kop in een andere struik, blijft staan, loopt drie meter, blijft weer staan. De kudde als geheel beweegt zich met de snelheid van een wolk. Tineke loopt erachter met haar staf en praat tegen de hond in een taal die uit vier woorden bestaat. Bles heet hij. „Bles, kom. Bles, hier. Bles, achter. Bles, rustig.”
Lars duwt zijn fiets aan het stuur met het achterwiel op de grond en het voorwiel omhoog. Zijn schouder bonst. Na tien minuten heeft hij het warm. Na twintig minuten denkt hij aan zijn segment, en aan WillemDeWolf, en hij voelt niets.
„Waarom lopen ze hier?” vraagt hij.
„Om de hei kort te houden,” zegt Tineke. „Anders groeit het dicht. Berken, dennen, pijpenstrootje. Dan heb je over twintig jaar bos. Schapen eten de jonge boompjes en het gras, en dan houdt de hei het.”
„Elke dag?”
„Elke dag. Ook met kerst.”
Ze lopen langs de rand van het veld. Nu ziet hij de hei pas echt. De zon staat hoger, en de mist is weg, en het veld is niet grijs maar alle kleuren groen en bruin door elkaar. Er zit een vogel op een vliegden die een liedje zingt dat steeds hetzelfde is en steeds iets anders. Tineke zegt dat het een boompieper is. Er vliegt iets laag over de struiken dat ze een roodborsttapuit noemt. Hij herhaalt de namen in zijn hoofd. Hij weet niet waarom.
Ze komen langs de eik, de boom van de tak. Nu, van de heikant, ziet hij hoe groot hij is. Niet hoog, maar breed, met een stam als een pilaar en één enorme tak die bijna horizontaal naar het oosten groeit. Aan de onderkant van die tak zit een verse, gele wond, waar de dode tak is afgebroken. Er zit een holte in de stam aan de noordkant, zo groot dat er een kind in zou passen.
„Dikke Eik,” zegt Tineke. „Zo heet hij hier. Ze zeggen dat hij vierhonderd jaar is. Ik weet het niet. Ik weet wel dat de schapen er altijd even onder gaan staan als het regent.”
„Ik ben hier elf keer langs gereden,” zegt Lars. „Ik heb hem nooit gezien.”
Ze kijkt hem aan, van onder haar hoed.
„Hoe hard ging je?”
„Ongeveer dertig.”
„Nou dan,” zegt ze.
Het duurt bijna twee uur. Bij de schaapskooi, een lange lage schuur met een rieten dak, drijft Bles de kudde naar binnen. Tineke zet koffie op een gaspitje, in een kan die eruitziet alsof hij uit de oorlog stamt, en ze maakt de snee in zijn kin schoon met water en iets uit een flesje dat erg prikt. Ze zegt dat het ook voor schapen is. Hij besluit het te geloven.
Ze leent hem haar telefoon. Hij belt Iris.
„Waar ben je?” vraagt ze. Hij hoort aan haar stem dat ze net wakker is.
„In een schaapskooi.”
Stilte.
„Is je record gelukt?”
„Nee,” zegt hij. „Ik heb een tak geraakt. Mijn wiel is kapot, mijn telefoon ook. Ik heb een snee in mijn kin. Kun je me halen?”
„Lars. Gaat het?”
Hij kijkt naar buiten, door de open deur. Tineke staat in de zon, met haar hoed af, en kijkt naar de hei. Bles ligt aan haar voeten. Een paar schapen staan nog buiten, aan de rand, en kauwen met hun ogen half dicht.
„Ja,” zegt hij. „Het gaat eigenlijk best.”
Iris komt om half tien. Ze helpt de fiets in de achterbak tillen, de taco met de antennes, en ze kijkt naar Tineke en Tineke kijkt naar haar, en Lars ziet dat ze elkaar meteen begrijpen op een manier die hij niet helemaal kan volgen.
In de auto, op de weg naar Garderen, vraagt Iris: „En nu? Nieuw wiel, en volgende week weer om vijf uur?”
Hij kijkt uit het raam. Het bos schuift voorbij, de dennen, de berken, de varens die nu helemaal open zijn.
„Misschien,” zegt hij. „Of ik ga een keer lopen. Met jou. Langzaam. Dan laat ik je een boom zien.”
„Een boom.”
„Een eik. Hij staat er al vierhonderd jaar, zeggen ze. Ik ben er elf keer langs gereden.” Hij raakt voorzichtig de pleister op zijn kin aan. „Hij wijst ergens naar. Ik wil weten waarnaar.”
Iris kijkt opzij, en dan weer naar de weg. Ze zegt niets, maar ze legt haar hand op zijn knie en laat hem daar liggen, helemaal tot Amersfoort.