Verhaal 5: De zaaier
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ik ben vierenzeventig en ik had nog nooit op een witte fiets gezeten. Dat is een raar ding om toe te geven, als je je hele leven in Lunteren hebt gewoond, op twintig minuten met de auto van het park. Maar Gerda fietste en ik reed. Ik zette haar af bij de ingang in Otterlo, ik parkeerde, en dan liep ik. Zo ging dat vijftig jaar. Zij op een witte fiets door de hei, haar haar onder een sjaaltje, ik te voet over het fietspad met de auto in mijn rug en de sleutels in mijn zak.
Dit jaar heb ik de auto bij de ingang laten staan en ben ik op zo'n fiets geklommen. Ze hebben geen versnellingen. Ze hebben geen handremmen. Je moet terugtrappen. Dat wist ik niet, en de eerste honderd meter dacht ik dat ik doodging. Een meisje met een rugzak riep „Terugtrappen, meneer!” en ik trapte terug en de fiets stopte zo abrupt dat ik bijna over het stuur sloeg. Daarna ging het.
Het is april. De berken hebben dat lichtgroen dat je maar twee weken ziet, alsof iemand er met een penseel overheen is gegaan en de verf nog nat is. Op de hei is het nog bruin, maar onderaan de struiken zie je al nieuwe scheuten. Een man met een verrekijker stond bij een ven en wees naar een vogel die ik niet zag. Ik knikte alsof ik hem wel zag. Dat doe ik vaker, dat weet ik.
Ik had haar map achterop in de fietstas.
Gerda schilderde. Waterverf, kleine formaten, nooit groter dan een vel uit een schoolschrift. Ze begon ermee toen de kinderen het huis uit waren, op een cursus in het buurthuis, en ze hield niet meer op. Bomen, vooral. Ze zei dat bomen geduldiger waren dan mensen. Ze stonden stil terwijl je ze schilderde.
Elk jaar in april gingen we naar het Kröller-Müller. Altijd in april, altijd op een doordeweekse dag, en altijd ging ze naar hetzelfde schilderij. Ik ging dan naar het restaurant en dronk koffie en las de krant. Na een uur kwam ze terug met een gezicht alsof ze had gezwommen, en dan aten we een broodje kaas en reden we naar huis. Dat was het. Vijftig jaar. Ik heb nooit gevraagd wat ze daar deed. Ik dacht dat ik het wist: kijken. Wat valt er verder te vragen.
Vorig jaar in februari is ze overleden. Het ging snel, en het ging niet snel genoeg, zoals dat gaat. In de laatste week vroeg ze of ik in april wilde gaan. Ik zei ja, omdat je ja zegt.
„En kijk dan,” zei ze.
„Ik kijk altijd.”
„Nee,” zei ze. „Jij leest de krant.”
Het museum ligt in het bos zoals een steen in het gras. Laag, met veel glas, zodat de bomen naar binnen lijken te kijken. Ik zette de witte fiets in het rek, tussen veertig andere witte fietsen, en wist meteen dat ik hem nooit meer zou terugvinden. Dat maakt niet uit, zei de vrouw bij de kassa. Je pakt er gewoon een.
Ik liep naar binnen met haar map onder mijn arm. Een jongen in een donker colbert met een badge hield me tegen.
„Tassen en mappen moeten in de kluisjes, meneer.”
„Het is maar papier.”
„Toch in de kluisjes. Vanwege de schilderijen.”
Ik zei dat er schilderijen in zaten. Hij keek naar de map en toen naar mij, en hij moet iets in mijn gezicht hebben gezien, want hij zei: „Mag ik even kijken?”
Ik maakte hem open. Daar lagen ze, een stuk of dertig, tussen vellen zijdepapier. Bovenop de eik. Gerda's eik, de Dikke Eik bij het Speulderveld, waar ze als meisje in klom toen ze nog in Garderen woonde. Ze had hem minstens tien keer geschilderd. Dit was de laatste, van het voorjaar voordat ze ziek werd. Een lage, brede boom met één tak die opzij wijst, en een holte als een donkere mond, en daarachter het lichtgroen van berken.
De jongen keek er een tijd naar. Hij was misschien tweeëntwintig, met een donkere krullenbos en een ring in zijn oor.
„Die is mooi,” zei hij. „Die tak.”
„Mijn vrouw.”
„Ze had een goede hand.” Hij sloot de map voorzichtig. „Ik houd hem wel bij me, achter de balie. Dan hoeft hij niet in zo'n kastje.”
Hij heette Noah. Dat stond op de badge.
Ik wist welk schilderij het was. Ze had er een kaart van op het prikbord in de keuken, al jaren, met punaises die roestig werden. De zaaier. Van Gogh, 1888. Een man met een zak over zijn schouder die zaad uitstrooit over een akker, en achter hem een gigantische gele zon, zo groot dat het bijna lachwekkend is, en het koren dat nog niet is gemaaid. Of al wel. Ik heb het nooit goed bekeken.
Ik vond de zaal. Het was er stil, een doordeweekse ochtend, een paar mensen met audiotours, een schoolklas die net vertrok. Er stond een bank. Ik ging erop zitten, recht voor het schilderij, waar zij dus vijftig keer had gezeten, en ik keek.
Eerst zag ik niets bijzonders. Een schilderij. Kleiner dan ik dacht. Dik opgebrachte verf, je zag de streken. De zon was geel, de akker was paarsig en blauw met oranje vlekjes, wat natuurlijk niet klopt, want akkers zijn niet blauw. De zaaier had geen gezicht, of bijna niet. Een paar vegen.
Ik keek op mijn horloge. Vijf minuten.
Toen dacht ik: ze heeft hier een uur gezeten. Elk jaar. Wat zag ze?
Ik bleef zitten.
Na een kwartier begon het. Ik weet niet hoe ik het anders moet zeggen. Ik begon dingen te zien die er de eerste keer niet waren. Dat de streken in de akker allemaal dezelfde kant op gaan als de arm van de man. Dat de zon niet stilstaat, maar draait, in kleine korte strepen. Dat de man niet voorover loopt maar zijwaarts, met zijn gewicht op één been, alsof hij elk moment kan vallen of juist een grote stap gaat zetten. Dat de oranje vlekjes in de akker het zaad zijn. Natuurlijk. Het zaad vangt het licht van de zon, terwijl het nog in de lucht hangt.
Ik zat daar en ik dacht aan Gerda in de keuken, met haar penseel, en haar tong tussen haar tanden. Hoe ze een uur kon kijken naar één tak. Hoe ik dan zei: „Moet je nog lang?” Hoe zij zei: „Ik kijk nog.”
Er ging iemand naast me zitten. Noah.
„Mijn pauze,” zei hij. „Ik kom hier vaak.”
„Mijn vrouw ook.”
„Ik weet het,” zei hij. „Ik bedoel, ik weet het niet. Maar er kwam elk jaar een mevrouw in april. Met een sjaaltje. Ze zat hier altijd heel lang. Ik werk hier pas twee jaar, maar mijn collega Anneke vertelde over haar. Ze noemde haar de mevrouw van de zaaier.” Hij keek me aan. „Was zij dat?”
Ik kon niet meteen iets zeggen.
„Anneke zei dat ze een keer had gevraagd waarom ze altijd hier zat,” zei Noah. „En dat die mevrouw zei: omdat hij nooit klaar is. De man. Hij is altijd nog bezig.”
Ik heb daarna nog een uur door het museum gelopen. Ik keek naar dingen. Naar een schilderij van een brug, naar een stoel, naar een vrouw met een gele achtergrond. Naar beelden in de tuin, grote stenen dingen in het gras, waar kinderen op klommen en een suppoost ze er weer af haalde. Ik ging nergens koffie drinken. Ik had geen krant.
Op een bankje in de beeldentuin pakte ik mijn telefoon en belde onze dochter Ilona in Ede.
„Pap? Is er iets?”
„Ik zit in de tuin van het Kröller-Müller.”
„O. O, pap.” Ze wist van april. Iedereen wist van april, blijkbaar, behalve ik.
„Je moeder,” zei ik, en toen wist ik niet verder. „Weet jij of ze ooit verkocht? Haar schilderijtjes?”
„Nooit. Ze gaf ze weg. Ik heb er zes. Waarom?”
„Ik heb er dertig in een map.”
Het bleef even stil.
„Je moet ze ophangen,” zei ze. „Dat wilde ze altijd. Ze vond dat jij er nooit naar keek.”
„Dat weet ik,” zei ik. „Dat heb ik vandaag ook gehoord.”
Noah gaf me de map terug bij de uitgang. Hij had hem in een plastic tas gestopt, voor de zekerheid, zei hij, het zou kunnen gaan regenen. Ik bedankte hem en wilde nog iets zeggen, maar ik wist niet wat, dus ik gaf hem een hand. Hij hield die iets langer vast dan nodig.
„Komt u volgend jaar weer?” vroeg hij.
„In april.”
„Dan ga ik ook even zitten.”
Ik vond een witte fiets in het rek, een andere dan de eerste, en ik fietste terug door het park, langzaam, terugtrappend bij elke bocht. Bij een ven stond weer een man met een verrekijker. Ik stapte af. Ik vroeg wat hij zag.
„Een tapuit,” zei hij. „Net terug uit Afrika. Daar, op die paal.”
Ik keek. Eerst zag ik een paal. Toen zag ik een klein grijs vogeltje met een zwarte streep door zijn oog en een witte stuit. Het wipte op en neer. Het was er echt.
„Ik zie hem,” zei ik.
Thuis heb ik de map op de keukentafel gelegd en alle vellen eruit gehaald, één voor één. Ik heb ze naast elkaar op de tafel gelegd en op het aanrecht en op de stoelen. Dertig bomen. Berken, beuken, een vliegden op het Kootwijkerzand, een rij populieren bij de Lunterse Beek. En tien keer de eik.
Ik heb ze een avond lang bekeken. Niet allemaal even goed. Sommige waren te nat geworden en de kleur was gaan lopen. Maar in alle tien de eiken wees die ene tak dezelfde kant op, en ik besefte dat ik die boom nooit in het echt had gezien. Vijftig jaar getrouwd met een vrouw uit Garderen, en ik had haar nooit naar het Speulderveld gebracht. Er was altijd iets anders. De zaak. De auto. De krant.
Morgen ga ik. Met de fiets, de mijne, die al jaren met een lekke band in de schuur staat. Ilona komt hem vanavond plakken; ze zei dat ze dat van haar moeder heeft geleerd.
Ik neem de laatste eik mee, in de map. Ik ga ervoor staan, op de plek waar zij moet hebben gestaan, en ik ga kijken. Een uur, als het moet. Langer, als het nodig is. Tot ik zie wat zij zag.