Verhaal 4: Brieven uit Kootwijk
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Radio Kootwijk, 14 april 1929
Lieve Cor,
Je vraagt hoe het hier is, en ik weet niet goed waar ik moet beginnen. Laat ik met het zand beginnen, want daar begint hier alles mee. Het zit overal. In de bloem, in de lakens, in de naden van Lies haar schoentjes. Vanochtend vond ik het in het suikerpotje, en ik weet zeker dat ik dat dicht had gedaan. Bram zegt dat je eraan went. Bram zegt dat over alles.
Het huis is goed. Groter dan aan de Zaagmolenkade, met een keuken die op het zuiden ligt en een schuurtje voor de fietsen. Alle huizen van het personeel staan bij elkaar, net een dorpje, met keurige tuintjes waar niets in wil groeien. De vrouw van de buren, mevrouw Terpstra, kweekt tomaten in kisten met aarde die ze uit Apeldoorn laat komen. Ze zegt dat het de enige manier is.
En dan het gebouw. Je moet het zien om het te geloven, Cor. Het staat midden op het zand, een groot grijs ding van beton, met een hoge middelste toren en twee lagere zijkanten, zodat het van ver op een liggend dier lijkt. De mensen in Kootwijk noemen het de Sfinx. Daarachter staan de masten, zo hoog dat je duizelig wordt als je naar boven kijkt, met draden ertussen die bij wind zingen. 's Nachts hoor ik ze. Lies vroeg of het spoken waren. Ik heb gezegd dat het Indië was dat terugriep.
Bram is gelukkig. Dat moet ik eerlijk zeggen. Hij komt thuis met zwarte nagels en praat over golflengtes alsof het familie is. Sinds januari kun je hiervandaan met Indië telefoneren, Cor, stel je voor, je stem door de lucht naar Java en terug, en hij heeft er een stukje aan gedaan. Hij werkt in diensten, ook 's nachts, en als hij slaapt moet het hele huis stil.
Hoe is het met moeder? Schrijf me eerlijk.
Je Marie
Radio Kootwijk, 2 mei 1929
Lieve Cor,
Dank voor je brief. Ik heb hem drie keer gelezen en daarna nog een keer hardop, voor mezelf, in de keuken, alleen om jouw manier van praten te horen. Dat moet je niet aan Bram vertellen.
Dat moeder niet meer uit bed komt, had ik al gevreesd. Dat ze steeds naar Jaap vraagt, ook. We hebben sinds november niets van hem gehad. Ik weet dat de post uit Indië weken onderweg is, maar november, Cor. Bram zegt dat een man op een theeonderneming in de Preanger wel wat anders aan zijn hoofd heeft dan brieven, en dat geen bericht goed bericht is. Ik heb gezegd dat hij moeder dat dan zelf maar moet uitleggen.
Ik heb hem gevraagd of we Jaap niet kunnen bellen. Je mag niet zomaar binnenlopen in de Sfinx en een praatje maken met Batavia, dat begrijp ik heus. Maar het kan vanaf een telefoonkantoor, als je het aanvraagt, en het kost een vermogen. Bram werd stil toen ik het bedrag hoorde. Ik ook.
Verder gaat het. Lies speelt met het dochtertje van de Terpstra's, ze bouwen kastelen van zand die de wind elke nacht weer platmaakt. Ze beginnen gewoon opnieuw. Ik zou van haar kunnen leren.
Ik heb een fiets gekregen. Een tweedehands Fongers met een zwart zadel en een bel die niet werkt. Morgen wil ik ermee naar Kootwijk, het oude dorp, waar een kerkje staat dat ouder is dan alles wat ik ken.
Je Marie
Radio Kootwijk, 19 mei 1929
Lieve Cor,
Ik moet je iets vertellen en je moet niet lachen. Ik ben verliefd geworden op een stuk zand.
Het Kootwijkerzand begint vlak achter de huizen en het is groter dan heel Kralingen, denk ik. Er groeit bijna niets. Het zand is niet geel zoals op het strand bij Hoek van Holland, het is bijna wit, en waar het nat is van de dauw, wordt het grijs. Er liggen ribbels in, zo regelmatig als de golfjes in een wasbord. Midden op de vlakte staan een paar dennen die zo krom zijn gegroeid door de wind dat ze lijken te buigen voor iets wat jij en ik niet zien.
Ik ben er vorige week alleen naartoe gelopen, toen Lies sliep en Bram dienst had. Ik ben gaan zitten op een duintje en heb een uur lang niets gedaan. Ik hoorde een leeuwerik, heel hoog, en het zingen van de draden, heel ver. Verder hoorde ik niets. In Rotterdam hoor je nooit niets, Cor. Ik wist niet dat ik dat miste.
Toen ik terugkwam, stond mevrouw Terpstra bij het hek. Ze zei dat ik daar niet alleen moest gaan, dat er mensen verdwalen. Ik zei dat ik de Sfinx toch altijd zie. Ze keek me aan alsof ik iets gezegd had wat niet hoorde.
Hoe gaat het met moeder? Je schrijft er weinig over. Dat zegt genoeg.
Je Marie
Radio Kootwijk, 9 juni 1929
Lieve Cor,
Gisteren ben ik naar Garderen gefietst. Het is ruim twee uur heen, als je verkeerd rijdt zoals ik, en het was warm. Ik had brood en een fles koude thee bij me en een kaart die Bram voor me had getekend, waar niets van klopte. Ik ben door bossen gefietst waar het zo stil was dat ik mijn eigen ketting hoorde, en over hei waar de bijen al zoemden al bloeit het nog lang niet.
Ik wilde naar Garderen omdat de bakkersvrouw in Kootwijk had gezegd dat er bij het Speulderveld een eik staat die ouder is dan de kerk. Dat is niet waar, denk ik; de kerk in Garderen is heel oud. Maar ik wilde het zien.
Ik heb hem gevonden. Op de rand van de hei, waar het bos begint. Cor, ik kan het niet goed beschrijven. Hij is niet hoog. Hij is breed, en zo dik dat ik er met mijn armen nog niet de helft omheen kwam. Hij heeft één zware tak die bijna recht opzij groeit, naar het oosten. Een boer die met zijn kar langskwam, zei dat de mensen hem de Dikke Eik noemen, en dat de tak naar Indië wijst. Ik vroeg of dat waar was. Hij zei: „Naar het oosten, mevrouw. Daar ligt het, toch?”
Er zit een holte in aan de noordkant, op schouderhoogte. Daar zaten papiertjes in, opgerold, van kinderen denk ik. Ik heb er niet aan gezeten. Ik heb in de schaduw gezeten en mijn brood opgegeten en naar de tak gekeken.
Toen heb ik iets gedaan wat je dom gaat vinden. Ik heb een bladzijde uit mijn notitieboekje gescheurd en Jaaps naam erop geschreven, en moeders naam, en de jouwe, en ik heb hem opgerold en in de holte gestopt. Ik weet niet waarom. Misschien omdat de boer zei dat de tak naar Indië wijst.
Op de terugweg kreeg ik een lekke band bij Uddel. Een jongen met een pet heeft hem geplakt en wilde er niets voor hebben. Ik was om negen uur thuis. Bram stond bij het hek, net als mevrouw Terpstra, en zei hetzelfde als zij.
Je Marie
Radio Kootwijk, 30 juni 1929
Lieve Cor,
Ik heb hem gesproken.
Ik weet niet of jouw brief over moeder en die van Jaap elkaar onderweg gekruist hebben, of dat het iets anders was. Maar dinsdag kwam Bram thuis en ging aan de keukentafel zitten zonder zijn jas uit te doen. Hij zei dat hij met een collega had gepraat, en dat er een mogelijkheid was, via de dienst in Bandoeng, om Jaap op de onderneming een boodschap te sturen dat hij op een bepaalde dag in Bandoeng aan de telefoon moest komen. En dat wij dan vanaf het telefoonkantoor in Apeldoorn konden bellen. Drie minuten.
Ik vroeg wat het kostte. Hij zei: „Dat is het trouwgeld van je tante Mien, en dat gaat er nu aan op.” Ik heb hem nog nooit zo stevig vastgehouden.
Zaterdagochtend om half tien stonden we in Apeldoorn in een cel van donker hout met een glazen deur. Lies zat buiten op het bankje met een zuurstok. Ik kreeg de hoorn in mijn hand en eerst hoorde ik alleen ruis, Cor, als de zee in een schelp, en daarboven een fluiten dat op en neer ging. En toen een stem, heel ver weg, alsof iemand onder water praatte, en die zei: „Marie? Ben jij dat?”
Het was Jaap. Hij lachte. Hij zei dat hij koorts had gehad, maanden, dat hij in het hospitaal had gelegen en daarom niet had geschreven, en dat het nu over was. Hij zei dat hij moeder schreef, dat de brief al onderweg was. Ik heb hem van moeder verteld. Hij was stil. Ik hoorde de ruis. Toen zei hij: „Zeg haar dat ik kom. Met verlof. Voor de kerst.” En toen was het voorbij. Een juffrouw zei dat de tijd om was.
Ik heb in die cel gestaan en ik kon niet ophouden met huilen, en Bram stond buiten en klopte op het glas, en Lies drukte haar gezicht met de zuurstok ertegen zodat er een rode veeg op kwam.
Zeg het moeder. Zeg het haar vandaag nog. Als het kan, lees deze brief voor.
Je Marie
Radio Kootwijk, 18 augustus 1929
Lieve Cor,
Je laatste brief was kort, en ik begrijp waarom. Ik ben blij dat ze het nog gehoord heeft. Dat ze wist dat hij kwam. Dat is meer dan veel mensen krijgen, zegt dominee Poortman hier, en ik weet dat hij gelijk heeft, al wil ik dat niet.
Dank dat je alles hebt geregeld. Dank dat ik op de begrafenis mocht zijn en dat je me niet hebt laten blijven daarna. Je zei dat ik naar huis moest, en ik heb pas in de trein begrepen dat je met huis Kootwijk bedoelde.
Je vroeg of ik niet terug wil naar Rotterdam. Of we geen plek kunnen vinden voor Bram bij de PTT in de stad. Ik heb er goed over nagedacht, Cor. Ik ben elke avond naar het zand gelopen. Het bloeit nu, verderop, de hei: paars tot aan de bosrand, en het ruikt naar honing. Lies heeft een kasteel gebouwd dat al vier dagen blijft staan, omdat het windstil is. De draden zingen nog. Bram zegt dat er volgend jaar een nieuwe zender komt.
Ik wil blijven.
Niet omdat het hier mooier is. Rotterdam is ook mooi, op zijn manier, en jij bent daar. Maar omdat ik hier iets heb geleerd wat ik in de stad nooit had geleerd: dat er ruimte moet zijn voordat je iets kunt horen. Dat stemmen van heel ver weg pas aankomen als het eerst stil is.
Volgende maand fiets ik weer naar Garderen. Ik wil kijken of mijn papiertje er nog zit. Als het er niet meer is, is het goed. Dan heeft de wind het meegenomen, of een kind, of een muis die er een nest van maakt. Ik wil er iets bij schrijven, achter moeders naam, en dan stop ik het weer terug.
Kom je in de herfst? Neem de trein naar Apeldoorn, dan haalt Bram je op met de auto van de dienst. Neem goede schoenen mee. En een sjaal, want 's avonds wordt het koud op het zand, kouder dan je denkt.
Je zus,
Marie