Verhaal 3: Sporen

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het is de stilte die Marleen wakker maakt. Niet het blaten, niet de hond, niet de wind tegen de golfplaten van de schuur. Juist het ontbreken daarvan. Ze ligt in het donker en luistert naar niets, en dan weet ze het al.

Om tien voor zes staat ze in de wei met een zaklamp en haar jas over haar nachthemd. Het heeft gesneeuwd, niet veel, een paar centimeter, genoeg om alles te laten zien. De schapen staan dicht op elkaar in de verste hoek, tegen het raster aan, met hun koppen naar binnen. Ze tellen niet. Ze hoeft niet te tellen; ze ziet de donkere plekken in de sneeuw bij de sloot.

Twee ooien. Kruisingen van een Drents heideschaap met een Texelaar, drachtig, over zes weken zouden ze lammeren. De ene ligt op haar zij, de keel open. Van de andere is de achterkant weg. De sneeuw eromheen is niet rood maar bijna zwart in het licht van de lamp, en hij is vertrapt door sporen.

Marleen hurkt. Ze is tweeënvijftig, ze heeft dertig jaar schapen, ze heeft honden gezien die schapen doodbeten en vossen die een lam meenamen. Dit is anders. De sporen zijn groot, ovaal, de twee middelste tenen ver naar voren, de nagels als puntjes. Ze legt haar hand ernaast. Haar hand is kleiner.

Ze blijft zitten tot haar knieën koud worden. Dan staat ze op en belt de taxateur.


Om elf uur is het erf vol. De taxateur van BIJ12, een jonge vrouw met een bril en een koffertje, die met wattenstaafjes langs de wonden strijkt voor DNA en alles fotografeert met een meetlat ernaast. Gijs van de buren, die er niet om gevraagd is. Twee mannen van de lokale krant, of van een website, dat wordt Marleen niet duidelijk. En haar zoon Jesse, die uit Apeldoorn is gekomen en met zijn handen in zijn zakken naar de sloot staart.

„Het is de derde in Speuld deze winter,” zegt Gijs. Hij is zeventig en houdt al lang geen dieren meer, behalve een paar kippen en een kat die niet van hem is. „En ze zeggen nog dat ze schuw zijn.”

„Ze zijn schuw,” zegt de taxateur zonder op te kijken.

„Schuw. Ja. Dat zie je.”

„Uw raster,” zegt de taxateur tegen Marleen. „Hoe hoog is dat?”

„Negentig.”

„Met stroom?”

„Twee draden. Aan de onderkant.”

De vrouw knikt en schrijft. Marleen weet wat ze opschrijft. Ze kent de folders, de websites, de regels: een wolfwerend raster is minstens honderdtwintig centimeter, met stroom op de juiste hoogtes, goed aangesloten op de grond. Met negentig centimeter krijg je minder vergoeding, of niets. Ze had het willen aanpassen. Ze had de palen al gekocht. Ze liggen achter de schuur onder een zeil.

„Ik zou het niet weten waarom ik nog zou aanpassen,” zegt Gijs. „Over een jaar zitten ze in je keuken.”

Jesse draait zich om. „Gijs,” zegt hij, „wil je even ophouden?”


Die middag zit Marleen aan de keukentafel met de kachel aan en een boterham die ze niet opeet. Op haar telefoon komen steeds nieuwe berichten binnen. De groepsapp van het dorp. Een buurvrouw die een foto heeft gezien. Iemand die een petitie deelt. Iemand anders die een filmpje deelt van een wolf die bij Hoenderloo de weg oversteekt, schuw, mager, met zijn staart laag. Zó mooi, staat eronder, met drie hartjes. Daaronder: Kom dat maar zeggen als je schapen hebt.

Ze legt de telefoon met het scherm naar beneden.

Jesse zet koffie. Hij is zesentwintig en werkt bij een softwarebedrijf, en hij heeft de gewoonte om dingen op te lossen voordat iemand erom vraagt. Hij heeft al een prijsopgave aangevraagd voor een nieuw raster, en hij heeft gekeken naar subsidie voor preventie.

„Je moet het gewoon doen,” zegt hij. „Ik betaal mee.”

„Daar gaat het niet om.”

„Waar gaat het dan om?”

Ze weet het niet goed. Ze kijkt uit het raam, over de wei, naar de rand van het Speulderveld. Daar staat de Dikke Eik, laag en donker tegen de sneeuw, met zijn ene tak naar het oosten.

„Ik heb hem nooit gezien,” zegt ze.

„Wie?”

„De wolf. Iedereen heeft het erover. Iedereen heeft een mening. Iedereen heeft filmpjes. Ik heb hem nooit gezien. Hij komt hier, hij doodt twee van mijn ooien, en ik heb geen idee hoe hij eruitziet.”

Jesse zet de koffie voor haar neer. „Mam. Je gaat niet 's nachts in de wei zitten.”

„Waarom niet?”

„Omdat...” Hij zoekt naar woorden. „Omdat dat raar is.”

Ze lacht, voor het eerst die dag. Het klinkt niet helemaal goed.


Ze gaat niet 's nachts in de wei zitten. Ze gaat in de ochtend, voor het licht wordt, naar de eik.

Het is haar eigen logica. Ze heeft de sporen gevolgd die middag, nadat de taxateur weg was en Jesse terug naar Apeldoorn. Ze liepen van de sloot schuin over haar land, onder het raster door op een plek waar de grond was uitgesleten, en dan het veld in. Ze verdwenen bij de heide, waar de sneeuw dunner lag tussen de struiken, maar ze kwamen weer tevoorschijn bij de eik. Rond de stam was het een kluwen van sporen. Hij was gaan zitten, dacht ze. Daar, aan de luwe kant. Misschien zat hij er vaker.

Om half zeven zit ze er zelf. Ze heeft twee truien aan en een dekbedovertrek met haar oude slaapzak erin, dat ze over haar benen legt. Ze zit aan de zuidkant van de stam, tegen de bast, met haar rug tegen de boom, en ze kijkt naar het bos.

Het is koud op een manier die van onderaf komt. Ze voelt de vorst door de slaapzak heen in haar billen trekken. Haar adem hangt voor haar gezicht. Ze kijkt hoe de lucht boven het bos van zwart naar donkerblauw gaat, en van donkerblauw naar een vaal soort roze. Een roodborst begint te zingen, vlakbij, onzichtbaar. Een fazant schreeuwt. In de verte, op de weg naar Garderen, een auto, dan niets meer.

Ze denkt aan haar vader, die hier ook schapen had, op dezelfde wei. Hij vertelde dat zijn opa nog wist van een wolf die onder deze boom was geschoten. Dat het de laatste was, honderdvijftig jaar geleden of meer. Iedereen in elk dorp heeft zo'n verhaal, zei haar vader. Iedereen wil de laatste wolf hebben gehad.

En nu is er een eerste.


Ze zit er drie ochtenden. De eerste ochtend ziet ze een ree, een geit met een jong van vorig jaar, die heel voorzichtig over het veld lopen en haar niet opmerken. De tweede ochtend ziet ze niets en wordt ze zo koud dat ze thuis twintig minuten onder de douche staat. Gijs ziet haar terugkomen met haar slaapzak onder haar arm en vraagt niets, maar die middag staat er een thermoskan op haar stoep, met een briefje: Voor de wacht.

De derde ochtend dooit het. De sneeuw is grijs en zwaar geworden en zakt in. Het ruikt naar natte grond, naar het einde van iets. Marleen zit tegen de eik met de thermoskan tussen haar knieën. Ze is bijna in slaap als ze hem ziet.

Hij staat aan de rand van het bos, misschien veertig meter van haar af. Hij staat er gewoon. Hij is niet uit het bos gekomen, of ze heeft het niet gezien; hij is er.

Ze had gedacht dat hij groter zou zijn. Hij is als een grote herder, maar langer op de poten, smaller in de borst, alsof iemand hem uit een herder heeft gesneden en alles heeft weggelaten wat niet nodig was. Zijn vacht is grijs met bruin, lichter op de wangen. Zijn oren staan rechtop. Hij kijkt niet naar haar. Hij kijkt over het veld, naar haar wei, waar de schapen nu in de stal staan.

Ze beweegt niet. Ze denkt aan wat ze zou moeten voelen. Woede, waarschijnlijk. Angst, misschien. Ze voelt allebei, een beetje. Maar er is iets anders wat groter is, en waar ze geen woord voor heeft. Het lijkt op wat ze voelde toen ze als meisje voor het eerst een lam geboren had zien worden: de schok dat iets echt is.

Hij draait zijn kop. Nu kijkt hij naar haar.

Ze kijken elkaar aan, misschien vijf seconden, misschien langer. Zijn ogen zijn licht, geelachtig, en er zit niets in wat ze kan lezen. Geen dreiging, geen nieuwsgierigheid. Alleen aandacht. Hij weet precies waar ze is en wat ze is.

Dan draait hij zich om en loopt het bos in. Hij rent niet. Hij loopt, in een draf die meer op glijden lijkt, en zijn staart hangt laag en recht. Na drie, vier stappen is hij tussen de dennen niet meer te onderscheiden van de schaduw.

Marleen zit nog een kwartier tegen de eik. Haar handen trillen als ze de thermoskan opendraait. De koffie is lauw en te zoet. Gijs heeft er suiker in gedaan, natuurlijk, zonder het te vragen.


„En?” vraagt Jesse door de telefoon. „Wat vond je ervan?”

„Hij was mager,” zegt ze.

„Mager.”

„Ja. Je ziet zijn ribben niet, maar bijna. En hij had een litteken op zijn neus. Of een wondje. Iets lichts.” Ze staat in de schuur, tussen de schapen, met de telefoon tussen haar schouder en haar oor. De ooien duwen tegen haar benen; ze willen hooi. „Hij heeft me aangekeken.”

Het is even stil aan de andere kant.

„Mam,” zegt Jesse dan. „Gaat het?”

„Het gaat prima.”

„Wat ga je doen?”

Ze kijkt naar de palen achter de schuur, die ze die middag van onder het zeil heeft gehaald. Ze liggen op een rij in het natte gras, tweeëntwintig stuks, geïmpregneerd grenen, honderdtachtig centimeter lang.

„Een raster zetten,” zegt ze. „Honderdtwintig. Vijf draden. Kom je zaterdag helpen?”

„Natuurlijk.”

„Neem Gijs mee. Hij weet niet dat hij wil helpen, maar hij wil.”

Jesse lacht. „En dan?”

„En dan niks. Dan houd ik schapen. En hij houdt zich aan zijn kant.” Ze weet dat het naïef klinkt. Ze weet dat het niet zo eenvoudig is, dat er vergaderingen zullen komen en ruzies in de groepsapp en meer dode schapen, misschien bij haar, misschien bij anderen. Ze weet dat ze er over een jaar misschien anders over denkt.

Maar vanochtend zat ze onder een boom die er al stond voordat er hier een raster was, of een wei, of een dorp met een groepsapp. En vanochtend heeft ze iets gezien wat de boom ook gezien heeft, lang geleden, en wat daarna honderdvijftig jaar verdwenen was.

Ze hangt op en pakt een baal hooi. De ooien drukken zich tegen haar aan, warm en vettig en ongeduldig. Buiten drupt de dooi van de dakgoot. Ergens over de hei, tussen de dennen, loopt een mager dier met een licht wondje op zijn neus. Ze hoopt, en ze schaamt zich er niet eens voor, dat het snel geneest.