Verhaal 2: De dochter van de zwijnenjager

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Mijn vader rook naar geweerolie en naar pepermunt. De olie kwam van het geweer, dat elke zaterdagavond op de keukentafel lag, op een oude krant, in onderdelen. De pepermunt kwam uit een rol in zijn borstzak die hij nooit liet zien en altijd bij zich had. Als ik nu, in een supermarkt, langs het rek met pepermunt loop, ben ik weer dertien en sta ik bij de achterdeur in Speuld met mijn laarzen aan, en is het december 1962.

Ik had het hem drie jaar gevraagd. Elk jaar zei hij nee, en elk jaar zei moeder er iets achteraan wat ik niet mocht horen. Dat jaar zei hij niets. Hij keek naar me over de rand van zijn kopje, op de avond voor de drijfjacht, en zette het kopje neer.

„Je loopt achter mij,” zei hij. „Je praat niet. En als ik zeg dat je moet blijven staan, sta je stil als een paal.”

Moeder legde haar breiwerk op schoot. „Bertus.”

„Ze is dertien, Aal. Op die leeftijd liep ik al met de drijvers.”

„Jij bent geen meisje.”

„Nee,” zei mijn vader. „Dat ben ik niet.”

Meer werd er niet over gezegd. Moeder breide verder, sneller, en ik ging naar boven en lag een uur wakker met mijn handen onder mijn wangen.


Mijn vader was jachtopziener. Dat klonk in die tijd voornamer dan het was. Hij was in dienst van een landgoed bij Garderen, hij had een dienstfiets en een pet, en hij wist van elke ree in het Speulderbos waar hij sliep. Wilde zwijnen waren zijn zorg. Ze waren met te veel, zeiden de boeren, ze wroetten de akkers om en de jonge aanplant, en in de winter moest er geschoten worden. Daar kwamen heren voor uit het westen. Ze droegen loden jassen en praatten hard in de kou.

We vertrokken om half zeven, in het donker. Het had gevroren, en de zandweg was hard en glad onder een dun laagje sneeuw. Mijn vader fietste voor me uit, met het geweer schuin op zijn rug, en ik zag alleen zijn achterlicht, een rood stipje dat danste. Bij de rand van het Speulderveld stapte hij af.

Daar stond de Dikke Eik.

Iedereen in Speuld kende die boom. Hij stond op de plek waar het bos ophield en de hei begon, laag en breed, met één dikke tak die opzij groeide als een arm. Wij kinderen klommen erin in de zomer, al mocht het niet, en stopten briefjes in de holte aan de noordkant. Bij de Dikke Eik werd altijd verzameld voor de jacht. Ik wist niet waarom. Ik denk omdat iedereen hem kon vinden, ook de heren uit het westen.

Er stonden al auto's. Een grote zwarte, een groene Land Rover, een Volkswagen met een Duits nummerbord. Mannen in groepjes, met koffie uit thermosflessen. Iemand lachte, een hoog, schel lachje dat niet bij zijn lichaam paste. De drijvers waren jongens uit het dorp, met stokken en ratels. Een van hen was Herman Kok, die bij mij in de klas zat. Hij keek naar me en daarna snel weer weg, alsof ik daar niet hoorde.

Mijn vader zei tegen niemand dat ik zijn dochter was. Dat hoefde ook niet. Ze zagen het aan mijn neus, zei hij later.


Een drijfjacht gaat zo: de schutters staan in een lange rij, verspreid, elk op een eigen plek, en de drijvers lopen door het bos naar ze toe en maken lawaai. De dieren vluchten voor het lawaai uit, en dan komen ze bij de schutters. Zo eenvoudig is het. Ik had het mijn vader honderd keer horen uitleggen.

Wat hij nooit had uitgelegd, was het wachten.

Hij zette me naast zich, achter een omgevallen den, op een plek waar we uitkeken over een strook open bos met lage bosbes. Hij was geen schutter, hij was opziener; hij keek of alles volgens de regels ging en hij mocht alleen schieten als een dier aangeschoten was en moest worden afgemaakt. Toch had hij zijn geweer bij zich. Hij legde het over zijn knie.

Het werd licht. Niet zoals in de zomer, wanneer het licht van alle kanten komt, maar langzaam, van grijs naar een soort tin. De sneeuw op de bosbes werd blauw. Mijn tenen begonnen pijn te doen, daarna voelde ik ze niet meer. Ik keek naar mijn vaders handen. Hij had geen handschoenen aan. Zijn knokkels waren rood en hij bewoog ze niet.

Ver weg begonnen de ratels.

„Stil nu,” zei mijn vader, zonder zijn lippen te bewegen.

Eerst hoorde ik niets anders dan de ratels en een schreeuw van een drijver, „Hooo, hooo!”, en het geklepper van stokken tegen stammen. Toen hoorde ik iets wat ik niet kende. Een geknak, zwaar, als iemand die door een heg breekt. En een geluid daarboven, een soort grommen dat uit de grond leek te komen.

Links van ons knalde een schot. Ik schrok zo dat ik met mijn hoofd tegen de stam stootte. Daarna nog een, verder weg. Iemand riep iets in het Duits. Het bos was ineens vol beweging, al zag ik niets.

En toen zag ik haar.


Ze kwam uit de bosbes, recht voor ons, op misschien dertig meter. Een zeug. Ik had wel vaker zwijnen gezien, maar nooit zo dichtbij en nooit zo groot: een zwarte rug als een omgekeerde boot, een kop die laag bij de grond hing, en kleine ogen die niets zagen en alles. Ze bleef staan. Haar flanken gingen op en neer. Achter haar, in de bosbes, bewogen drie kleinere vormen, roodbruin, nog met de vage strepen van het afgelopen voorjaar.

Ik hield mijn adem in.

Mijn vader bewoog niet. Ik keek naar hem en zag dat hij naar de zeug keek, en naar de jongen, en dat zijn kaak strak stond.

Het was de regel, dat wist ik toen niet, dat je een zeug met jongen niet schiet. Wat je wel schiet en wat niet, is een lange lijst, en de heren uit het westen kenden die lijst niet allemaal even goed. Rechts van ons, op misschien zestig meter, stond een van hen. Ik zag zijn loden jas tussen de stammen, en de loop van zijn geweer, die langzaam onze kant op draaide.

De zeug zag hem niet. Ze rook ons. Ze draaide haar kop.

Mijn vader stond op.

Hij deed het niet snel. Hij stond op zoals je opstaat uit je stoel als er iemand binnenkomt. Hij hief zijn arm, hoog, zodat hij boven de omgevallen den uitstak, en hij riep: „Niet!”

De zeug schoot weg. Ik had nooit gedacht dat zo'n zwaar dier zo snel kon zijn. Ze was weg voordat ik met mijn ogen knipperde, en de jongen achter haar aan, een roodbruine streep door het blauw.

Er viel geen schot.


Na afloop stonden de mannen weer bij de Dikke Eik. Het was tegen elven, en de zon was doorgebroken, waardoor de sneeuw op het Speulderveld zo fel was dat je je ogen moest dichtknijpen. Er lagen zes zwijnen op een rij in de sneeuw, en er werden foto's gemaakt. Ik keek er niet naar. Ik keek naar de boom.

De man in de loden jas kwam naar mijn vader toe. Hij was ouder dan ik had gedacht, met een rood gezicht en een zilveren speld op zijn hoed.

„U staat zomaar op in de lijn,” zei hij. Hij sprak keurig Nederlands, met een Haagse klank. „U had geraakt kunnen worden.”

„U had een zeug met jongen geraakt kunnen hebben,” zei mijn vader.

„Ik had haar niet gezien.”

„Daarom stond ik op.”

De man keek naar me. Ik weet nog dat ik dacht: nu gaat hij iets zeggen over meisjes. Maar hij zei niets. Hij knikte kort, naar mijn vader, en draaide zich om. Bij de auto's hoorde ik hem lachen, hetzelfde hoge lachje als in de ochtend.

Herman Kok kwam naast me staan, zijn stok nog in zijn hand.

„Was dat jouw vader?” vroeg hij. „Die ging staan?”

Ik knikte.

„Mijn vader zegt dat hij gek is.”

„Jouw vader zegt veel.”

Hij grijnsde. Toen haalde hij iets uit zijn jaszak, een eikel, glimmend en bruin, met het dopje er nog aan. Ik weet niet waarom hij die in december nog had, of waarom hij hem aan mij gaf. Hij legde hem in mijn hand en liep weg naar de andere drijvers.


Op de terugweg fietsten we naast elkaar. Mijn vader had zijn pet diep over zijn oren getrokken. Bij de bocht naar de Speulderweg haalde hij de rol pepermunt uit zijn borstzak en hield hem me voor, zonder iets te zeggen. Dat had hij nog nooit gedaan.

Ik nam er een en hield hem in mijn mond tot hij helemaal weg was.

„Krijg je straf?” vroeg ik.

„Waarvoor?”

„Omdat je ging staan.”

Hij fietste een tijd door. Een kauw vloog op uit de berm.

„Ik krijg een brief,” zei hij. „Dat geeft niet. Brieven kun je in de kachel gooien.”

„Waarom deed je het?”

„Omdat ik het zag.” Hij keek even opzij. „Je moet niet denken dat jagen over doden gaat, Gerdien. Doden kan iedereen. Het gaat over kijken. Wie het best kijkt, weet wanneer hij niet moet schieten.”

Ik heb lang gedacht dat dat iets was wat hij zomaar zei. Pas veel later begreep ik dat hij het tegen zichzelf zei, misschien wel elke keer dat hij met dat geweer het bos in ging.


Hij kreeg inderdaad een brief, en hij gooide hem in de kachel. In het voorjaar daarna kreeg hij er nog een, en die gooide hij niet weg; die bewaarde moeder in de la van de kast, onder de tafelkleden. Hij mocht blijven, maar de heren uit het westen kwamen voortaan met een andere opziener. Mijn vader vond dat prima. Hij zei dat hij liever met de boswachters praatte.

Ik ben nooit meer mee geweest op jacht. Niet omdat het niet mocht, maar omdat ik al gezien had wat ik moest zien.

De eikel van Herman Kok heb ik in maart in een bloempot gestopt, achter het kippenhok. Er kwam een boompje uit, met twee bladeren die zo rood waren als een kippenkam. Het heeft het niet gehaald; de konijnen vonden het eerder dan ik. Maar ik heb het één zomer zien groeien, en elke ochtend voor school ging ik kijken, op mijn hurken, met mijn neus vlak bij de grond.

Mijn vader is in 1991 overleden. Bij de begrafenis in Garderen stond Herman Kok achter in de kerk, grijs en breed geworden. Na afloop gaf hij me een hand en zei: „Hij ging staan, weet je nog.” Meer niet.

Soms fiets ik nog naar het Speulderveld. De Dikke Eik staat er nog, wat lager lijkt het, wat schever. De holte aan de noordkant is groter geworden. Ik steek er mijn hand niet meer in; je weet nooit wat erin woont. Maar ik blijf er staan, met mijn fiets aan de hand, en ik kijk. Naar de rand van het bos, naar de bosbes, naar de plek waar een zwarte rug opeens uit de struiken kan komen.

En als ik lang genoeg kijk, weet ik weer hoe het voelt als je vader opstaat.