Verhaal 1: Het zand
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het zand kwam 's nachts. Hendrik Brouwer wist het al voordat hij de luiken van de keet openzette: de wind had gedraaid naar het zuidwesten, en in de kier onder de deur lag een fijne, gele streep, zo recht alsof iemand hem met een liniaal had getrokken.
Hij trok zijn jas aan, stak de pijp in zijn zak zonder hem aan te steken en liep naar buiten. Het was nog donker, maar boven het Speulderveld werd de lucht al grijs, en tegen dat grijs zag hij de lage rug van de duin. Die rug was in drie jaar tijd honderd passen naar het oosten gekropen. Dat stond in zijn eigen opschrijfboekje, met potlood en datum, want Hendrik geloofde in opschrijven. Wat je niet opschreef, verschoof net zo makkelijk als zand.
Achter hem, in de keet, sliepen de twee jongens die de Heidemaatschappij hem had meegegeven. Arend en Klaas, zeventien en negentien, uit Uddel. Ze konden spitten tot het donker werd en ze aten als paarden. Gisteren hadden ze de laatste rijen grove den gezet aan de westkant, in de luwte van de takkenschermen die ze in oktober hadden gevlochten. Hendrik liep erheen, het mulle zand in, en telde.
Van de veertig rijen stonden er nog zesendertig. De andere vier waren bedolven. Op één plek stak alleen nog het topje van een boompje boven het zand uit, een groen kwastje, als een vinger die om hulp wees.
Hij hurkte en groef met zijn handen tot hij de stam voelde. Het zand was koud en droog en gleed meteen terug in het gat.
De Nederlandsche Heidemaatschappij bestond twee jaar. In Arnhem zaten heren met snorren en idealen die op kaarten wezen en zeiden dat het land beter kon. Hendrik had ze één keer ontmoet, in een zaal met een kachel die te heet stond. Ze spraken over ontginning en over bebossing, over arbeid en welvaart, en over het stuifzand als een ziekte die de Veluwe al eeuwen aanvrat. Het woord dat ze steeds gebruikten was vastleggen. Je moest het zand vastleggen. Met heideplaggen, met takken, met den.
Hendrik had geknikt. Hij was eenenveertig, zoon van een houtvester uit Nunspeet, en hij had genoeg zand gezien om te weten dat het zich niet liet vastleggen door woorden. Maar hij hield van het werk. Hij hield van de ochtenden, van de geur van hars als je een kluit openbrak, van het moment waarop een jong boompje na een winter nieuwe kaarsen maakte. Dat was het enige bewijs dat hij nodig had.
Het stuifzand bij het Speulderveld was niet groot, vergeleken met wat je bij Kootwijk zag. Maar het bewoog in de richting van de akkers van Jacob Hulst, en Jacob Hulst had een broer in de gemeenteraad van Ermelo.
Jacob kwam tegen elven, op zijn klompen, met een schop over zijn schouder die hij niet nodig had. Hij was een man van zestig met een rug als een eikenplank en ogen die altijd ergens anders keken dan waar hij heen liep. Hij bleef staan bij de bedolven rijen en spuwde.
„Zo gaat dat dus,” zei hij.
„Zo gaat het in november,” zei Hendrik. „In het voorjaar staan ze er weer.”
„In het voorjaar ligt het zand op mijn rogge.”
Hendrik gaf geen antwoord. Hij wist dat Jacob gelijk kon krijgen. Het was een kwestie van weken, van windkracht, van geluk. Arend en Klaas waren al bezig met nieuwe schermen. Ze sjouwden bossen berkenrijs uit het bos en staken ze schuin in het zand, rij na rij, zodat de wind zich erin verslikte.
Jacob draaide zich om en keek naar de rand van het veld, waar het bos begon. Daar stond de eik.
Hendrik had hem de eerste dag al gezien en was ernaartoe gelopen zoals je naar een kerk loopt in een vreemd dorp. Het was een zomereik, laag en breed, met een stam die je met drie man niet kon omvatten. Aan de noordkant zat op schouderhoogte een holte waar een kind in had kunnen zitten. Eén zware tak groeide bijna horizontaal naar het oosten, alsof de boom ergens naar wees en dat al heel lang deed. De bast was diep gegroefd, en in de groeven groeide mos dat in de regen zo groen werd dat het pijn deed aan je ogen.
„Die moet eruit,” zei Jacob.
„Waarom?”
„Hij is hol. Hij valt toch een keer. En ik heb palen nodig voor een wildwal, want de zwijnen zitten weer in mijn aardappels. Daar haal ik er wel veertig uit.”
„Dat is niet uw grond.”
„Het is markegrond geweest.” Jacob zei het zoals mensen dat zeiden: alsof de oude marke er nog was, alsof het land nog van iedereen was en dus ook van hem. Sinds de verdeling was het anders, maar oude rechten gaan langzamer dood dan oude mannen.
„De eigenaar heeft de Maatschappij opdracht gegeven het zand te keren,” zei Hendrik. „Niet om bomen te kappen.”
„Een boom die zo staat vangt de wind. Daar waait het zand juist omheen.” Jacob wees met zijn schop. „Kijk maar.”
Hendrik keek. Hij zag wat Jacob bedoelde: aan weerszijden van de eik lagen twee lange tongen zand, als de bek van een dier dat de boom probeerde in te slikken. Maar aan de achterkant, in de luwte, was het zand tot rust gekomen. Daar groeiden al jaren hei en bochtige berkjes, en een paar vliegdennen die niemand had geplant.
„Hij doet het omgekeerde,” zei Hendrik. „Hij houdt het tegen.”
Jacob haalde zijn schouders op. „Ik vraag het niet aan u,” zei hij. „Ik vraag het aan de heren in Arnhem.”
Die avond zat Hendrik in de keet bij de olielamp en schreef. Hij schreef het aantal bedolven boompjes op, en de windrichting, en de hoogte van de nieuwe schermen. Daarna schreef hij, op een nieuwe bladzijde, een brief aan de inspecteur in Arnhem. Hij schreef dat de eik aan de oostrand van het stuifzand naar zijn schatting minstens twee eeuwen oud was en dat hij een nuttige functie vervulde bij het vastleggen. Hij schreef dat er in de omgeving geen boom was die beter liet zien hoe de grond was geweest voordat het zand kwam. Die laatste zin streepte hij door. Heren in Arnhem hielden niet van zinnen die naar heimwee klonken.
Klaas lag op zijn brits en keek naar het dak.
„Baas,” zei hij. „Is het waar dat er een kind in die boom heeft gewoond?”
„Wie zegt dat?”
„Mijn opoe. Toen zij klein was. Een jongen uit Speuld die van huis was weggelopen. Hij heeft een hele zomer in die holte geslapen, zegt ze. Ze brachten hem brood.”
„Je opoe vertelt veel.”
„Ze zegt dat die boom alles onthoudt.”
Arend lachte vanonder zijn deken. Hendrik lachte niet. Hij schoof de brief in een envelop en legde hem op de tafel, onder zijn pijp, zodat hij niet weg kon waaien.
Twee dagen later stond de wind stil. Dat gebeurde soms in november: dan lag de Veluwe onder een lage, witte lucht en hoorde je alles. Een kraai in het bos, een kar op de weg naar Garderen, het kraken van je eigen knieën. Ze plantten die dag honderdtwintig dennen en zetten de bedolven rijen opnieuw.
's Middags kwam er een jongen op een paard over het veld, te snel voor het mulle zand. Het dier struikelde bijna en de jongen trok het aan de teugel tot het stilstond, zwetend, met stoom uit de neusgaten. Hendrik herkende hem: een kleinzoon van Jacob Hulst.
„Grootvader zegt dat u het moet weten,” riep de jongen. „De koning is dood.”
Arend liet zijn plantschop vallen. Klaas zette zijn pet af, zonder te weten waarom, en hield hem tegen zijn borst.
„Wanneer?” vroeg Hendrik.
„Gisteren. Op het Loo. Het is in Apeldoorn al bekend, en de dominee in Garderen heeft het gezegd.” De jongen keek naar de eik, en toen naar Hendrik. „Grootvader zegt dat er nu wel andere dingen aan het hoofd van de heren zullen zijn dan zijn palen.”
Hij draaide zijn paard en reed weg, langzamer nu.
Hendrik stond een tijd stil. Koning Willem de Derde had hij één keer gezien, van grote afstand, in een rijtuig bij Apeldoorn, toen hijzelf een jaar of twintig was. Een zware man met een baard. Er werd niet veel goeds over hem gezegd, en in de herbergen nog minder, maar hij was er altijd geweest, zo lang als Hendrik zich kon herinneren. Nu had Nederland een meisje van tien als koningin. Hij dacht aan het jachtslot, aan de bossen rond het Loo, aan al het land dat daar van één man was geweest en nu van een kind.
„Wat gebeurt er nu?” vroeg Arend.
„Nu planten we verder,” zei Hendrik.
Het antwoord uit Arnhem kwam op de dertigste november, met de post die Klaas uit Garderen haalde. De inspecteur schreef dat hij de zorgvuldigheid van de opzichter op prijs stelde. Hij schreef dat de eigenaar geen bezwaar had tegen het behoud van de boom. Hij schreef ook dat de Maatschappij in deze moeilijke dagen voor het vaderland geen conflicten met de plaatselijke bevolking wenste en dat de opzichter met de heer Hulst tot een redelijke regeling diende te komen.
Hendrik las de brief twee keer. Toen liep hij naar de boerderij van Jacob Hulst, een half uur gaans over de zandweg, met de wind in zijn rug.
Jacob zat in de deel en vlocht een korf. Hij keek niet op.
„Ik heb tweehonderd dennen over,” zei Hendrik. „Ze zijn te dik om te planten. Ze staan bij de keet in een kuil. Als u ze komt halen, hebt u palen voor uw wal. Dunne, maar ze zitten vol hars. Ze gaan langer mee dan u denkt.”
Jacob vlocht door. Een wilgentak, onder, boven, onder.
„En de eik?”
„De eik blijft.”
Er viel een stilte. In de stal stampte een koe. Ergens tikte een klok die Hendrik niet zag.
„Mijn vader zei,” zei Jacob, „dat er onder die boom een keer een wolf is geschoten. Dat was voor zijn tijd. De laatste wolf van de Veluwe, zeiden ze, maar dat zeggen ze overal.” Hij trok de tak strak. „Hij zei ook dat het ongeluk brengt om hem te kappen. Ik geloof daar niet in.”
„Ik ook niet,” zei Hendrik.
„Mooi.” Jacob legde de korf neer. „Dan zijn we het eens dat het niks met ongeluk te maken heeft.”
Hij kwam de volgende ochtend met een kar en twee zoons en laadde de dennen, zonder een woord te zeggen. Toen hij wegreed, tikte hij met twee vingers tegen zijn pet.
In december vroor het. Het zand werd hard als steen en de wind kreeg er geen vat meer op. Hendrik gebruikte de rustige weken om de schermen te herstellen en de rijen te tellen. Hij kwam uit op tweeduizend achthonderd boompjes in de grond. Hij schreef het op.
Op een ochtend, vlak voor ze naar huis gingen voor de feestdagen, liep hij nog één keer naar de eik. Er lag rijp op het veld, en elke heidestruik was wit en stijf. De zon kwam laag door het bos en raakte de boom van opzij, zodat de bast oplichtte als oud koper.
Hij stak zijn hand in de holte. Het was er droog en een beetje warm, als in een jaszak. Zijn vingers vonden eikenbladeren, vermolmd hout, iets hards dat een slakkenhuisje bleek. Hij dacht aan de jongen uit Speuld die hier een zomer had geslapen. Hij dacht aan de wolf. Aan het meisje van tien in het paleis.
Toen pakte hij zijn opschrijfboekje en schreef, onder het aantal boompjes, één regel die niet voor Arnhem bedoeld was.
Eik bij het Speulderveld gemeten: omtrek op borsthoogte vijf el en twee palm. Hij wijst nog altijd naar het oosten.
Hij klapte het boekje dicht en stak het in zijn binnenzak. Achter hem, in de witte rijen, stonden de dennen te wachten op het voorjaar. Hij wist niet of ze het zouden halen. Hij wist alleen dat de boom er stond, en dat hij er de volgende winter nog zou staan, en de winter daarna. Dat was voorlopig genoeg.