Verhaal 7: Heidehoning

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Die zomer regende het niet. Dat was het eerste wat iedereen zei, en het laatste. In de winkel in Garderen, bij de kerk, op de stoep: „Nog steeds niks.” Alsof het een zieke was waar je naar informeerde. De sloten waren droog, de maïs stond grijs op het land, en in de krant stonden foto's van mensen die in de Rijn konden lopen. In juli was het weken boven de dertig graden geweest. In augustus werd het iets minder heet, maar de regen bleef weg.

Rika Mulder had haar korven op de eerste van de maand naar de hei gebracht, zoals elk jaar. Achtendertig korven, van gevlochten roggestro, elk met een volk erin. Wout had ze gevlochten, de meeste, in de winters dat er niets te doen was. Hij was nu vier jaar dood, en ze had nog niet één nieuwe korf gemaakt. Ze kon het wel. Ze wilde het niet.

De bijenstal stond aan de rand van het Speulderveld, vlak bij de Dikke Eik, op een stuk grond waar Wouts vader al imkerde. Een eenvoudig houten afdak op palen, open aan de voorkant, met drie lange planken waar de korven naast elkaar op stonden. Vanaf de stal zag je de hei. Normaal stond die in augustus paars tot de horizon. Dit jaar was het paars dunner en bruiner, en de bloempjes waren klein. Er zat weinig nectar in. Ze rook het: als je in een goede week langs de stal liep, hing er een geur van warme honing in de lucht die je in je keel proefde. Nu rook het naar stof.


Op de veertiende augustus kwam Teun Bakker langs op zijn brommer. Hij was negentien, de zoon van de smid, en sinds dit voorjaar bij de vrijwillige brandweer. Hij had een pieper aan zijn riem die hij steeds aanraakte, alsof hij wilde voelen of hij er nog was.

„Mevrouw Mulder,” zei hij. „Ik moet u vragen om voorzichtig te zijn met de roker.”

Ze keek hem aan over de rand van haar kap. Ze stond bij de vierde korf met haar roker in haar hand, een blik met een blaasbalg waar smeulende jute in zat. De bijen werden er rustig van. Zo deed je dat al eeuwen.

„Teun,” zei ze. „Ik imker al veertig jaar.”

„Dat weet ik.” Hij kleurde. „Maar er is gisteren nog een brand geweest bij Hulshorst. En een bij Ede. De commandant zegt dat we iedereen moeten waarschuwen.”

„Dan heb je mij gewaarschuwd.”

Hij bleef staan, met zijn brommer tussen zijn benen. Een bij vloog om zijn hoofd en hij sloeg ernaar.

„Niet slaan,” zei Rika. „Dan wordt ze kwaad.”

Hij hield op met slaan en werd lijkbleek toen de bij op zijn wang ging zitten. Ze liep naar hem toe, zette de roker neer en schoof de bij met haar vingernagel van zijn huid. De bij vloog weg, terug naar de stal.

„Ze zocht water,” zei ze. „Je zweet. Ze hebben dorst, net als iedereen.”

Teun keek haar aan. Toen haalde hij een veldfles van zijn bagagedrager, schroefde hem open en goot een beetje water in het deksel. Hij zette het deksel op de grond naast de stal.

„Voor ze,” zei hij.

Ze zei niets, maar ze zag het. Ze zag het en ze onthield het.


De rook rook ze voordat ze hem zag. Dat was op de twintigste, een vrijdag, tegen vier uur 's middags. Ze zat aan de keukentafel in Garderen met de krant en een glas karnemelk en ze rook het door het open raam: iets scherps, iets wat niet hoorde. Ze ging naar buiten. In het noorden, boven de bomen, hing een bruine veeg in de lucht, zo dun dat je het voor wolken kon houden als er wolken waren geweest.

Op hetzelfde moment ging de sirene op de brandweerkazerne.

Ze stond al op haar fiets voordat ze erover had nagedacht. Ze fietste de weg op richting het Speulderveld, harder dan ze in jaren had gefietst, met haar rok tussen haar knieën en haar hart in haar keel. Twee brandweerauto's haalden haar in, met loeiende sirenes. Een jongen op een brommer erachteraan. Teun.

Bij de bosrand was het een chaos. Een auto van de politie stond dwars op de zandweg. Mannen liepen met slangen en met dweilen aan lange stokken, met schoppen. Over het veld, misschien vijfhonderd meter verder, kwam de rook uit de hei in een lage, brede bank, en daaronder zag ze het: geen hoge vlammen, maar een lange gele lijn die over de grond kroop, door de droge struiken, en een geluid als van papier dat je verfrommelt, eindeloos.

De wind kwam uit het noordwesten. De lijn kwam haar kant op. Naar de bosrand. Naar de stal.

Een agent hield haar tegen.

„U kunt hier niet verder, mevrouw.”

„Mijn bijen staan daar.”

„Het spijt me.”

„Achtendertig korven,” zei ze. „Bij de Dikke Eik.” Ze hoorde haar eigen stem en hij klonk vreemd. „Mijn man heeft ze gevlochten.”

De agent keek naar haar zoals mensen naar haar keken op Wouts begrafenis. Hij liet haar niet door.


Het was Teun die haar zag. Hij kwam terugrennen van een van de auto's, met een schop over zijn schouder en zijn gezicht zwart van het roet. Hij zag haar en bleef staan.

„De stal,” zei ze.

Hij keek over zijn schouder. Toen naar de agent. Toen naar haar.

„De commandant wil een strook vrijmaken langs de bosrand,” zei hij snel. „Bij de eik. Een brandgang. Daar moet ik heen. Als u meekomt, mag dat niet.” Hij keek de agent aan. „Maar ik heb haar nodig om te laten zien waar de stal staat. Anders lopen we erin vast.”

De agent aarzelde. Toen knikte hij.

Ze liepen langs de bosrand, door de rook die steeds dikker werd. Haar ogen traanden. Het was warm, veel warmer dan het al was, alsof de lucht zelf brandde. Overal lagen vonken, kleine rode stipjes in het zand, die uitgingen of niet. Teun trapte ze uit met zijn laarzen.

De stal stond er nog. De korven ook. De bijen hingen in trossen voor de vlieggaten, onrustig, met een zoemen dat lager klonk dan ze ooit had gehoord. Ze voelden het vuur. Ze wisten het eerder dan zij.

Achter de stal stond de Dikke Eik, en de rook stroomde om hem heen als water om een steen.

„We moeten ze weg hebben,” zei Rika.

„Het is te laat. Er is geen tijd.”

„Dan dragen we ze. Tot achter de zandweg. Die brandt niet.”

„Achtendertig?”

„Zoveel als we kunnen.”

Ze keek hem aan. Hij was negentien, hij had een gezicht vol roet en zijn handen trilden, en hij had een opdracht om een brandgang te graven. Hij kon nee zeggen. Hij moest eigenlijk nee zeggen.

Hij zette zijn schop tegen de eik.


Een korf met een volk erin weegt in augustus twintig, vijfentwintig kilo. Je moet het vlieggat dichtstoppen, met gras of met een doek, en dan til je hem op aan de bodemplank en draag je hem tegen je borst, zo recht mogelijk, terwijl er bijen uit de kieren kruipen en over je armen lopen. Rika had haar kap op en haar handschoenen aan. Teun had niets. Ze gaf hem haar handschoenen. Hij weigerde. Ze duwde ze in zijn handen.

Ze droegen. Van de stal naar de zandweg, vijftig meter, en terug. De rook brandde in hun longen. De gele lijn kwam dichterbij, ze hoorde hem knetteren. Twee brandweermannen kwamen aangelopen en schreeuwden iets, en toen zagen ze wat er gebeurde en schreeuwden niet meer. Ze pakten ook een korf. En nog een.

Ze kregen er eenentwintig over de weg. Toen kwam de commandant, een grote man met een grijze snor, en hij zei niets, alleen: „Nu,” en hij trok Teun aan zijn arm mee, en Rika aan de andere arm.

Ze stond aan de overkant van de zandweg en keek hoe het vuur bij de stal kwam. Het ging heel snel. De hei voor de stal vatte vlam met een geluid als een zucht. De planken van de stal begonnen te roken. Dan zag ze de korven, de zeventien die er nog stonden, een voor een, als lampjes die aangingen.

Ze draaide zich niet om. Ze keek. Wout zou ook hebben gekeken.


Het vuur hield op bij de zandweg, en bij de brandgang die de mannen in een uur hadden gegraven. Tegen de avond was het voorbij. Het Speulderveld was zwart over een lengte van een kilometer, met grijze as die opwoei als je erdoorheen liep, en hier en daar een rookpluimpje uit een smeulende wortel. De stal was weg. Wat er van de korven over was, was een zwart, gesmolten iets dat naar verbrande was rook.

En de eik stond er nog.

De noordkant was zwart geblakerd, tot boven de holte. De bladeren aan die kant waren bruin en krom. Maar de stam stond, en de grote tak wees naar het oosten zoals altijd, en aan de zuidkant waren de bladeren groen.

Teun zat op de rand van de zandweg met zijn hoofd tussen zijn knieën. Hij was elf keer gestoken. Een van de brandweermannen had de angels eruit gekrabd met een zakmes. Zijn armen waren rood en dik.

Rika ging naast hem zitten.

„Je moeder gaat me vermoorden,” zei ze.

„Ik ben negentien.”

„Dat maakt voor moeders niks uit.”

Hij lachte, en hoestte, en lachte weer. Ze keken samen naar de eenentwintig korven die in een rij langs de weg stonden. De bijen waren al rustiger. Ze vlogen, in de ondergaande zon, in kleine groepjes over de zwarte vlakte, zoekend. Er was niets meer.

„Wat gaat u doen?” vroeg Teun.

„Ze naar huis brengen. Voeren met suikerwater. Wachten op volgend jaar.” Ze keek naar de eik. „En korven vlechten. Zeventien.”

„Kunt u dat?”

„Ik heb het van mijn man geleerd. Ik heb het nooit meer gedaan.” Ze haalde haar schouders op. „Daar is nu een reden voor.”


In oktober kwam Teun weer langs, op zijn brommer. Rika zat in de schuur achter het huis met een bundel roggestro op haar schoot en een els en een rol braamband. Er stond al één nieuwe korf op de werkbank, wat scheef, wat te los aan de bovenkant.

Ze hield hem een pot voor. Donker, bijna rood, zo dik dat het mes erin bleef staan.

„Heidehoning,” zei ze. „Van voor de brand. Uit een van de korven die we hebben gered. Het is weinig dit jaar.”

Hij nam de pot aan en draaide hem in het licht. Hij maakte hem open en rook eraan.

„Het ruikt naar rook,” zei hij.

„Dat verbeeld je je.”

„Nee, echt.”

Ze nam de pot van hem over en rook. Hij had gelijk. Heel licht, onder de zoete, scherpe geur van de hei, zat er iets van die middag. Ze wist niet of het echt was of dat het zo zou blijven, elk jaar, in elke pot. Ze wist niet of ze dat erg vond.

„Neem maar mee,” zei ze. „En kom in maart terug. Dan leer ik je vlechten. Met zijn tweeën zijn we eerder klaar.”

Hij bleef in de deuropening staan. Buiten regende het, zacht en gestaag, zoals het sinds september weer gewoon deed.