Verhaal 11: Na de storm

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De tak ligt op de grond als een omgevallen paard.

Dat is het eerste wat ik denk als ik uit de bus stap, en ik schaam me er meteen een beetje voor, want ik ben negenentwintig en heb een diploma en zou in termen van diameter en breukvlak moeten denken. Maar zo ligt hij er: zwaar, op zijn zij, met de dunnere takken als poten in de lucht, en het bruine blad nog eraan, dat in de wind beweegt alsof hij ademt.

Ruud stapt aan de andere kant uit en fluit tussen zijn tanden.

„Nou,” zegt hij. „Die is er niet meer.”

Het heeft twee dagen gestormd. Windkracht tien op de kust, negen hier, met windstoten die op het nieuws werden genoemd met getallen erbij die ik niet meer weet. Op de Veluwe liggen honderden bomen om, vooral fijnspar en douglas, die met hun ondiepe wortels uit de grond worden getrokken als onkruid. Wij hebben sinds zondag zestien uur per dag gewerkt. Dit is onze laatste klus van de week, en de enige waar ik naar uitkeek.

De Dikke Eik, aan de rand van het Speulderveld. Zomereik, Quercus robur. Monumentale boom, met een bordje op een paal ernaast dat iemand een keer met een stift heeft bewerkt. Hij staat op tien meter van een fietspad en op vijftien meter van een mountainbikeroute. De terreinbeheerder wil weten of hij veilig is.

Ik weet het antwoord al voordat ik dichtbij ben. Hij is niet veilig. Geen boom van vierhonderd jaar is veilig. De vraag is wat je eraan doet.


De tak die eraf is, was de grote. De tak die altijd naar het oosten wees, bijna horizontaal, met een lengte van twaalf meter. Hij is bij de stam afgescheurd, niet gebroken, en heeft een strook bast en hout meegenomen tot bijna een meter onder de aanzet. Het breukvlak is geel en vers en rafelig. Het ruikt naar looizuur, zuur en scherp, als natte leren schoenen.

Ik loop eromheen. Ruud loopt met me mee, met de tablet waar we alles op vastleggen.

Aan de noordkant, waar de stam altijd zwart was van een oude brand, zie ik nu waarom het zo is gebeurd. De holte die je daar altijd zag, op schouderhoogte, liep veel verder door dan je van buiten kon zien. Ze ging omhoog, de stam in, als een schoorsteen, en kwam uit vlak onder de aanzet van de tak. De tak hing de laatste decennia aan een schil van gezond hout van misschien twintig centimeter dik. Het is een wonder dat hij het zo lang heeft gehouden.

„Kappen?” vraagt Ruud. Hij vraagt het niet omdat hij het wil, maar omdat het de eerste vraag op het formulier is. Hij is vijfenvijftig en doet dit werk al dertig jaar, en hij heeft meer oude bomen omgezaagd dan ik ooit zal zien. Hij heeft er nooit één met plezier omgezaagd, zegt hij.

„Nee,” zeg ik.

„Het pad.”

„Het pad kun je verleggen.”

„Dat zeg jij. Ik moet het opschrijven.”

„Schrijf het op.”

Hij typt. Ik pak het meetlint uit mijn jaszak en sla het om de stam, op borsthoogte, honderddertig centimeter vanaf de grond, zoals het hoort. Ruud houdt het uiteinde vast. Zes meter veertig.

„Zes veertig,” zegt Ruud. „Dat is niet niks.”

Volgens de vuistregels die ik ken, is een vrijstaande zomereik met die omtrek ergens tussen de drie- en vierhonderd jaar oud. Het kan meer zijn. Eiken op arme zandgrond groeien langzaam.


Ik klim erin. Dat is het mooie van dit vak; het is ook het enige moment waarop ik merk dat ik niet meer jong ben, dat mijn knieën het voelen. Ik zet de ladder tegen de stam, klik mijn klimlijn vast aan een tak die ik vertrouw, en ga omhoog naar het breukvlak.

Van boven ziet het er anders uit. De schoorsteen in de stam is groot: ik kan er mijn hoofd in steken en zien dat het licht van onderen, door de holte aan de noordkant, binnenvalt. Er groeit zwam aan de binnenwand, een donkere, korstige zwavelzwam die het hout al jaren verteert. Er zitten keverschilden in het molm, glanzende bruine scherven. Vliegend hert, misschien. Daar staat de Veluwe om bekend, en daar hebben ze zo'n boom voor nodig: dood hout, in een levende stam, eeuwenlang.

Daarom kap je zo'n boom niet. Niet alleen omdat hij oud is en mooi en een naam heeft. Maar omdat hij een wereld is, en dat wordt hij steeds meer naarmate hij meer doodgaat.

Ik leun opzij om het breukvlak te fotograferen, en dan zie ik het.

In de spleet die de scheur heeft blootgelegd, in het hout van de schoorsteenwand, net onder de plek waar de tak zat, steekt iets uit. Plat, roestbruin, met een rechte rand. Geen hout. Geen steen.

Ik trek mijn handschoen uit en voel. Het is metaal. Koud en ruw van de roest. Het zit klem in een spleet die door de breuk iets verder open is gegaan. Ik wrik het voorzichtig los. Het gaat moeilijk; het hout is er in tachtig jaar omheen gegroeid. Maar de scheur heeft het meeste werk al gedaan.

Het is een blikje. Plat, zo groot als mijn hand, met een scharnierend deksel. Een tabaksblik. Onder de roest kan ik nog net letters zien, in reliëf. VAN NELLE.

„Ruud,” roep ik.

„Wat?”

„Kom eens.”


We zitten op de gevallen tak, met het blikje tussen ons in op een plastic tas. Het is gaan miezeren. Ruud heeft een thermosfles koffie opengedraaid die naar de koffie van gisteren smaakt.

Op het deksel, in de roest, zijn letters gekrast. Met een mes, denk ik, of een spijker. Ze zijn half weggeroest, maar als je het deksel schuin in het licht houdt, kun je ze lezen.

Voor Jannie van Ruiten, Speuld.

„Speuld,” zegt Ruud. „Dat is hier.”

„Ja.”

„Doe je hem open?”

Ik weet het niet. Het voelt verkeerd, en het voelt ook verkeerd om het niet te doen. Uiteindelijk doe ik het, heel voorzichtig, met de punt van mijn mes onder de rand. Het deksel gaat open met een droog geluid, alsof het al die jaren zijn adem heeft ingehouden.

Erin ligt een stuk papier, twee keer gevouwen, vergeeld maar heel. En een klein, houten ding, bruin geworden, glad. Een vogeltje. Je ziet de vleugels nog, en een kopje, en een staartje. Een van de vleugels is een beetje afgebrokkeld. Het oog is een kleine snee.

Ik vouw het papier niet open. Op de achterkant, die bovenligt, zie ik een tekening. Gedrukt, niet getekend, met fijne lijnen en kleine letters erbij in het Latijn. Botten. De botten van een hand.

„Wat is het?” vraagt Ruud.

„Een brief, denk ik,” zeg ik. „Niet aan ons.”

Ik doe het deksel dicht.


In de holte aan de noordkant vind ik later meer. Papiertjes, tientallen. De meeste zijn pulp, natte grijze propjes die uit elkaar vallen als je ze aanraakt. Sommige zijn nog een beetje leesbaar. Een bonnetje van een supermarkt, vrij nieuw, met in balpen een paar woorden die ik niet lees. Een kinderhandschrift: Ik wil een hont. Een vel uit een schrift, opgerold, met inkt die bijna weg is. Ik kan er twee woorden van onderscheiden, in een ouderwets schuinschrift: iets wat eindigt op ...aap, en daaronder Cor.

Ik leg ze in een doos. Ik weet niet waarom. Het voelt als iets wat je niet weggooit.


Thuis zoek ik op internet naar Jannie van Ruiten Speuld. Ik vind niets. Ik zoek naar Van Ruiten Speuld oorlog en vind een lijst. Een lijst met namen van mannen uit Putten die in oktober 1944 zijn weggevoerd. Er staat een Gerrit van Ruiten op. Geboren in Speuld, 1901. Overleden in Neuengamme, 1945.

Ik zit een tijd naar die naam te kijken.

De volgende ochtend bel ik de historische vereniging. Een vrouw met een warme, langzame stem neemt op. Ze heet Gerdien, zegt ze, en ze doet dit vrijwillig, op dinsdag en donderdag, en het is woensdag, maar ze was toevallig in het gebouw voor de verwarming.

Ik vertel het haar. Over de eik. Over het blikje.

Het is stil aan de andere kant.

„De Dikke Eik,” zegt ze dan. „Is de tak eraf?”

„Ja. Zondag.”

„O.” Ik hoor haar ademhalen. „Mijn vader is daar ooit opgestaan. Op de jacht. Dat is een lang verhaal.” Ze schraapt haar keel. „Van Ruiten. Er waren Van Ruitens in Speuld, op de boerderij bij het veld. Evert van Ruiten. Zijn broer Gerrit woonde in Putten.” Ik hoor papier ritselen. „Evert had één dochter, dat weet ik zeker. Jannetje. Jannie. Ze trouwde met een Hoekman uit Apeldoorn. Wacht.”

Ik wacht. Buiten op straat rijdt een vuilniswagen langs en stopt bij elke container.

„Ze leeft nog,” zegt Gerdien. „Ik weet het, omdat haar naam vorig jaar in het boekje stond van de herdenking. Ze zat in de stoel bij het monument in Putten. Het kan zijn dat ze nu in een verzorgingshuis zit.”

„Weet u welk?”

„Nee. Maar Apeldoorn is niet zo groot.”


Het kost me drie telefoontjes. Bij het derde verzorgingshuis neemt een jonge vrouw op, haastig, met een alarm op de achtergrond.

„De Berkenhorst, met Yasmina.”

„Goedemorgen. Mijn naam is Femke Drost, ik ben boomverzorger. Dit klinkt misschien raar. Ik zoek een mevrouw Hoekman. Jannie Hoekman. Geboren als Van Ruiten, in Speuld.”

Het alarm houdt op. Het is even helemaal stil aan de andere kant.

„Waarom?” vraagt de vrouw. Haar stem is anders nu. Voorzichtig.

„Ik heb iets voor haar gevonden. In een boom. De Dikke Eik bij het Speulderveld. Er is in de storm een tak afgebroken en—”

„Een blikje,” zegt de vrouw. Niet als een vraag.

Ik weet niet wat ik moet zeggen. Ik kijk naar het blikje op mijn keukentafel, op de plastic tas, naast de doos met papiertjes. Naar de gekraste letters. Naar het vogeltje dat ik ernaast heb gelegd, op een theedoek, omdat het me niet goed leek om het in het donker te laten.

„Hoe weet u dat?” vraag ik.

„Ik heb het gevoeld,” zegt ze. „Twee weken geleden. Ik dacht dat het een steen was.” Ze ademt in. „Wanneer kunt u komen?”