Verhaal 12: Het blikje

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ik heb mijn blauwe vest aangetrokken. Het goede, met de parelmoeren knopen, dat ik voor het laatst heb gedragen op de verjaardag van mijn achterkleinzoon, in maart. Yasmina heeft mijn haar gedaan. Ze zei dat het niet hoefde, dat het geen bruiloft was. Ik zei dat ik dat zelf wel uitmaak.

Het is de derde december. Buiten op de parkeerplaats ligt rijp op de autodaken, en de beuken langs de weg zijn kaal. Op het balkon staat de bloempot met de eikels, in de kou, zoals het hoort. Ik kan hem vanuit mijn stoel niet zien, maar ik weet dat hij er is.

Ze komt om tien uur. Femke. Ik had haar groter verwacht, omdat ze in bomen klimt. Ze is klein en stevig, met kort haar en handen met schrammen erop, en ze heeft een plastic doos onder haar arm alsof ze taart komt brengen. Yasmina komt achter haar binnen en doet de deur dicht en gaat op het bed zitten, wat ook niet mag.

„Mevrouw Hoekman,” zegt Femke.

„Jannie.”

„Jannie.” Ze geeft me een hand. Haar hand is koud van buiten. „Ik heb hem niet schoongemaakt. Ik dacht: dat moet u zelf weten.”

Ze zet de doos op mijn schoot en doet het deksel open.


Het blikje is kleiner dan ik had gedacht. Ik weet niet wat ik had gedacht. Iets wat paste bij tachtig jaar. Maar het is gewoon een tabaksblikje, zo een als mijn vader in zijn jaszak had, plat en rond aan de hoeken, bruin van de roest, met zwarte vlekken waar het hout ertegenaan heeft gezeten. Op het deksel staan krassen.

Ik zet mijn bril op. Ik houd het blikje schuin, naar het raam toe.

Voor Jannie van Ruiten, Speuld.

Ik ken dat handschrift niet. Ik heb het één keer gezien, op een envelop uit Canada, in 1953, en die envelop heb ik niet meer, die is bij een verhuizing weggeraakt. Maar ik ken de manier waarop hij de J maakte. Met een krul onderaan, naar links. Dat herinner ik me, dat ik dat toen dacht: zo maak ik mijn J niet.

„Gaat het?” vraagt Yasmina.

„Ik ben drieënnegentig,” zeg ik. „Het gaat nooit. Het gaat wel.”

Ik doe het deksel open.


De vink ligt op het papier. Ik pak hem eerst. Hij is bruin geworden en licht als een veertje, en een van zijn vleugels is afgebrokkeld. Het oog is een snee. Ik weet nog hoe hij dat oog maakte, met de punt van zijn mes, met zijn tong tussen zijn tanden. Ik zat op mijn hurken bij het luik en zei: „Hij kijkt scheel.” Hij zei: „Dat doen vinken.” Dat is niet waar, dat weet ik nu. Dat wist ik toen ook al.

Ik leg de vink in mijn handpalm. Hij past er precies in.

Dan het papier. Femke helpt me het open te vouwen, want mijn vingers doen het niet goed meer en het papier is broos. Aan de ene kant de botten van een hand, gedrukt, met Latijnse woorden. Ik draai het om.

Hij schreef met potlood. Het is vaag, maar het is te lezen. Ik lees het hardop, omdat mijn ogen het beter doen als mijn mond meedoet.

Speulderveld, 3 October 1944

Lieve Jannie,

Hier is de vink. Hij is af. Hij kijkt scheel, dat weet ik, maar dat doen vinken.

Ik moet weg en ik mag je geen goedendag zeggen, dus doe ik het zoo. Je bent het dapperste meisje dat ik ken. Dapperder dan ik. Ik weet dat je elke morgen bang was dat iemand je zag, en je kwam toch.

Het spijt me van je oom. Ik heb hem nooit gekend, maar ik heb vannacht aan hem gedacht, en ik zal aan hem blijven denken.

Als de oorlog voorbij is, kom ik terug. Dan neem ik je mee naar Utrecht en klimmen we op den Dom. Je vroeg of die hooger was dan de kerk van Putten. Hij is hooger dan alle kerken van Putten bij elkaar, dat beloof ik je.

Bewaar hem goed.

Je vriend,

Wim Bosman


Niemand zegt iets. Op de gang rijdt een karretje met koffie voorbij en het belletje dat de koffievrouw altijd laat rinkelen klinkt veel te vrolijk. Yasmina staat op en doet de deur dicht, die op een kier stond.

„De Dom,” zeg ik.

„Bent u er ooit geweest?” vraagt Femke.

„In 1958,” zeg ik. „Met mijn man. Arie. We waren een dag in Utrecht omdat hij een nieuwe jas moest. We zijn erop geklommen. Arie moest halverwege uitrusten, hij had het aan zijn longen, al wisten we dat toen nog niet.” Ik kijk naar de vink. „Ik heb boven gestaan en over het land gekeken en ik dacht: hier woonde Wim. Ergens daar beneden. Ik heb niet geweten dat hij het me had beloofd.”

„Hij schreef in 1953 dat hij hoopte dat u de vink nog had,” zegt Yasmina zacht.

„Hij dacht dat ik hem had gevonden. Hij dacht dat iemand het me verteld had.” Ik leg het papier voorzichtig op mijn knie. „Misschien heeft hij me nog geschreven, vanuit Elspeet. Misschien is die brief nooit aangekomen. Er kwam zoveel niet aan, die winter.”

Ik denk aan mijn vader. Hoe hij die winter steeds stiller werd. Hoe hij een keer, in het voorjaar van '45, toen alles al bijna voorbij was, met me naar de eik liep, zonder reden, en daar bleef staan en naar de tak keek. Ik dacht dat hij aan Gerrit dacht. Dat deed hij ook. Maar misschien had hij iets gehoord van Wim, of had Wim het hem gezegd, die nacht, en had vader het niet over zijn lippen gekregen. Ik zal het nooit weten. Ik heb geleerd dat dat ook kan.


Femke heeft nog iets in de doos. Een plak hout, zo groot als een ontbijtbordje, gezaagd en geschuurd, licht en geelbruin, met ringen erin die zo dicht op elkaar staan dat je ze bijna niet kunt tellen.

„Van de tak,” zegt ze. „De tak die naar het oosten wees. Hij is eraf, met de storm. Ik weet niet of u dat had gehoord.”

Ik had het gehoord. Yasmina had het me verteld, de dag na het telefoontje, en ik had een avond lang aan het raam gezeten zonder te kijken naar wat ik zag.

„Staat de boom nog?”

„Hij staat nog,” zegt Femke. „We hebben de kroon wat lichter gemaakt. Het fietspad wordt verlegd. Hij gaat het nog wel een tijd volhouden. Misschien wel honderd jaar. Eiken zijn taai.” Ze aarzelt. „Maar hij wijst nergens meer naar.”

Ik neem de plak hout van haar over. Hij is zwaarder dan hij eruitziet. Ik leg mijn hand erop en voel de ringen, het lichte reliëf ervan onder mijn vingertoppen.

„Hoeveel?” vraag ik.

„Ringen? Ik heb er tweehonderdtachtig geteld. Daarna ben ik de tel kwijtgeraakt. Het hart van de tak is vermolmd.”

Tweehonderdtachtig jaar heeft die tak naar het oosten gewezen. Mijn moeder zei dat hij naar de zon wees. Mijn opa zei naar Duitsland, maar dat was na de oorlog, toen hij overal iets in zag. Een vrouw die in de jaren twintig in Kootwijk woonde, vertelde mijn moeder een keer dat de mensen zeiden dat hij naar Indië wees. Wij kinderen zeiden dat hij naar de toekomst wees, omdat dat in het oosten lag, waar de dag begint.

„Dan hoeft hij nergens meer naar te wijzen,” zeg ik. „Dan is hij er gewoon.”


Yasmina zet koffie, uit het apparaat op de gang, dat ze niet mag gebruiken voor bezoek. Femke vertelt over de holte, over de papiertjes, over een kind dat een hond wilde. Ze vertelt over de vliegende herten in het dode hout, die kevers met grote kaken, en over een vrouw van de historische vereniging die Gerdien heet en wier vader op een drijfjacht een keer is gaan staan. Ik ken die familie. Hop. Ik weet nog van die jacht; het hele dorp had het erover. Ik was toen al getrouwd en woonde in Apeldoorn, maar zulke dingen hoor je toch.

Ik zeg het tegen Femke, en ze lacht, en zegt dat de hele Veluwe één dorp is.

„Nee,” zeg ik. „De hele Veluwe is één boom.”

Ik weet niet waarom ik het zeg. Het klinkt als iets op een tegeltje. Maar Yasmina kijkt me aan alsof ze het begrijpt, en Femke wordt stil, en ik laat het zo.


Voor ze weggaan, vraag ik Yasmina om papier en een pen. Ze haalt een blocnote uit het kantoortje, met het logo van De Berkenhorst erop. Dat vind ik niet erg. Ik schrijf langzaam. Mijn handschrift is niet meer wat het was. De J maak ik zoals altijd, zonder krul.

Het zijn niet veel woorden. Ik schrijf dat ik de vink heb. Dat hij nog steeds scheel kijkt. Dat ik op de Dom heb gestaan, in 1958, en dat het uitzicht mooi was, maar dat hij gelijk had: het was hoger dan alle kerken van Putten bij elkaar. Ik schrijf dat oom Gerrit niet is teruggekomen, en dat ik dat al die jaren heb geweten en hij misschien niet. Ik schrijf dat ik getrouwd ben geweest met een goede man en drie kinderen heb gehad en zeven kleinkinderen en vier achterkleinkinderen, en dat ik nog steeds elke ochtend om zeven uur wakker word, zonder wekker, omdat ik dan het bos in moest.

Onderaan schrijf ik: Antwoord, tachtig jaar te laat. Ik had het druk.

Ik vouw het briefje twee keer, zoals hij het deed, en geef het aan Femke.

„Wil jij het in de boom stoppen?” vraag ik. „In de holte. Aan de noordkant. Ik weet dat het niet aankomt. Dat hoeft ook niet.”

Ze neemt het aan en stopt het in de binnenzak van haar jas, en ze legt haar hand er even op, alsof ze wil voelen of het er nog zit.

„Ik ga er zaterdag langs,” zegt ze. „Ik moet toch kijken hoe hij erbij staat.”


Als ze weg zijn, zet ik de vink op de vensterbank. Naast de foto van Arie, voor de plak hout, die ik rechtop tegen het raam heb gezet zodat het licht door de buitenste ringen schijnt. Het is half twaalf. De rijp op de autodaken is gesmolten. Er komt een vrouw de parkeerplaats op met een kind aan haar hand, en het kind rent naar een plas en springt erin.

Yasmina komt nog één keer binnen, aan het eind van haar dienst, met haar jas al aan.

„Ik heb het formulier verstuurd,” zegt ze. „Voor de opleiding. Gisteravond.”

„Dat werd tijd.”

„U wist het?”

„Je broertje is niet zo goed in geheimen houden als hij denkt,” zeg ik. „Hij is vorige maand met je moeder op bezoek geweest, om te kijken hoe het met de eikels ging. Toen heeft hij het verteld.”

Ze lacht. Ze kijkt naar de vensterbank, naar de vink en het hout.

„Wat denkt u?” vraagt ze. „Gaan ze komen? De eikels?”

„In april,” zeg ik. „Als ze genoeg kou hebben gehad. Dan zie je eerst niets, en dan ineens een rood stengeltje, krom als een vraagteken. Dan moet je ze in de grond zetten, ergens waar ze ruimte hebben. Niet hier. Hier komt alleen een parkeerplaats.”

„Waar dan?”

Ik kijk naar de vink. Hij kijkt scheel terug.

„Dat weet je best,” zeg ik.

Ze knikt, en doet het licht uit, behalve het lampje bij mijn stoel, en trekt de deur zachtjes achter zich dicht. Ik blijf zitten. Buiten wordt het al vroeg donker, in december. Maar ik heb geleerd, ik heb het van een boom geleerd, dat er altijd een kant is waar de dag begint.