Verhaal 10: Eikels
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Mevrouw Hoekman vroeg het op een dinsdag, tussen de steunkousen en de ontbijtpap.
„Kun jij autorijden, Yasmina?”
Yasmina zat op haar knieën op het linoleum en trok de linkerkous omhoog over een kuit die zo dun was als een pols. Ze had nog negen bewoners voor half tien, en er was er weer een ziek, dus dat werden er elf. Op de gang piepte een alarm. Ze negeerde het; Wendy liep die kant op.
„Ik heb een rijbewijs,” zei ze. „Of ik kan rijden, daarover verschillen de meningen.”
Mevrouw Hoekman lachte. Ze had een hoge, verrassend jonge lach, die niet paste bij een vrouw van drieënnegentig met een rollator en een gehoorapparaat. Ze woonde sinds het voorjaar op de tweede verdieping van De Berkenhorst, kamer 214, met uitzicht op een parkeerplaats en, als je je nek strekte, een rij beuken langs de weg naar het centrum van Apeldoorn.
„Ik wil je iets vragen,” zei ze. „En je mag nee zeggen.”
„Dat zeggen mensen altijd als ik geen nee mag zeggen.”
„Dat klopt.” Ze keek naar buiten. „Ik wil eikels.”
Yasmina trok de tweede kous op en ging op haar hielen zitten. „Eikels.”
„Van een bepaalde boom. Bij het Speulderveld, tussen Speuld en Garderen. De Dikke Eik. Ik ben daar geboren, op een boerderij vlakbij. Ik heb hem al twaalf jaar niet gezien.” Ze vouwde haar handen op de deken. „Het is oktober. Ze vallen nu.”
Yasmina was vierentwintig en werkte drie jaar in De Berkenhorst. Ze was er gekomen voor haar stage en gebleven omdat ze het goed kon, en omdat het team haar niet liet gaan. Die laatste reden was minder vleiend dan hij klonk. Er waren te weinig mensen. Er waren altijd te weinig mensen. Ze deed diensten van acht uur die tien werden en nachten waarop ze alleen was met zeventig bewoners en een collega op een andere verdieping. Ze had een map op haar laptop met de naam Opleiding, met daarin drie aanmeldformulieren voor een hbo-studie verpleegkunde, die ze nooit had verstuurd.
Haar moeder vond dat ze moest stoppen. Haar vader zei niets, maar hij legde soms vacatures neer op de keukentafel in Zevenhuizen, van kantoorbanen, uit de krant van de buurman.
Ze had het team niet verteld dat ze erover nadacht om op te zeggen. Ze had het eigenlijk niemand verteld.
„Waarom die boom?” vroeg ze die middag. Ze had een kwartier over in haar pauze en zat op de stoel bij het raam van kamer 214 met een beker thee. Dat mocht eigenlijk niet, pauzeren bij bewoners. Ze deed het toch, soms.
Mevrouw Hoekman, die Jannie heette en Jannie genoemd wilde worden, keek naar haar handen.
„In de oorlog,” zei ze, „zat er een jongen ondergedoken bij ons. In het bos, in een hol in de grond, vlak bij die eik. Wim heette hij. Een student uit Utrecht. Ik bracht hem elke ochtend eten. Ik was elf.”
Yasmina zette haar beker neer.
„Hij maakte een vogeltje voor me. Van hout. Een vink. Hij zou het me geven als het af was.” Jannie zweeg even. „Toen kwam die zondag. Oktober 1944. Je weet wel, van Putten?”
„Een beetje,” zei Yasmina. Ze wist het van school, vaag. Een razzia. Mannen die werden weggevoerd.
„Mijn oom Gerrit woonde daar. Ze hebben hem meegenomen, met al die andere mannen. Hij is in Duitsland gestorven, in een kamp. Na de oorlog hoorden we dat pas.” Ze zei het zonder dat haar stem veranderde. Dat deden oude mensen vaak, had Yasmina gemerkt: de ergste dingen zeiden ze vlak, alsof ze ze al zo vaak in zichzelf hadden herhaald dat ze glad waren geworden. „En Wim moest weg, die week nog. Vader heeft hem 's nachts naar een ander adres gebracht. Ik mocht niet mee om gedag te zeggen. Ik heb hem nooit meer gezien.”
„Nooit?”
„Hij heeft me één keer geschreven. In 1953. Uit Canada, uit een plaats waarvan ik de naam niet kon uitspreken. Hij was er gaan wonen, hij was dokter geworden. Hij schreef dat hij vaak aan de Veluwe dacht.” Ze glimlachte. „En hij schreef: Ik hoop dat je de vink nog hebt.”
„En had u die?”
„Nee,” zei Jannie. „Ik heb hem nooit gekregen. Ik dacht dat hij hem aan vader had gegeven, voor mij. Maar vader was toen al zeven jaar ziek, en ik durfde het niet te vragen. Hij praatte nooit over die week. Over Gerrit, over niets. In 1960 is hij gestorven.” Ze keek naar buiten, naar de parkeerplaats. „Ik heb Wim teruggeschreven. Een lange brief. Ik heb geen antwoord gehad.”
Ze waren een tijd stil. Op de gang ging de lift open en dicht.
„En de eikels?” vroeg Yasmina.
„Ik wil iets planten,” zei Jannie. „Voordat ik ga. Ik heb nooit iets van die boom meegenomen, al die jaren. Het leek me niet nodig. Hij was er toch.” Ze lachte weer, die hoge lach. „Nu ben ik er bijna niet meer. Dus.”
Ze ging op zondag. Haar broertje Bilal ging mee, omdat hij zestien was en geen zin had en omdat zijn moeder zei dat hij mee moest. Hij zat naast haar in de oude Peugeot met zijn capuchon op en zijn telefoon in zijn hand, en zei bij elke rotonde: „Je moet richting aangeven.”
„Ik geef richting aan.”
„Te laat.”
Ze reden via Hoog Soeren en Uddel. Het was een grijze, zachte dag, met een lage lucht die zo nu en dan wat motregen losliet. De bossen waren geel en bruin en roestrood. Bij Garderen vonden ze, na drie keer omkeren, de zandweg die Jannie had beschreven, en daarna het veld.
De eik stond aan de rand, waar het bos ophield. Yasmina had een grote boom verwacht, hoog, statig, als in een park. Dit was anders. Hij was laag en ontzettend breed, met een stam als een rotsblok en één reusachtige tak die opzij groeide, bijna recht, alsof hij naar iets wees. De bast was grijs en diep gegroefd, met mos in de groeven. Aan de noordkant was hij zwart, oud zwart, alsof hij lang geleden had gebrand.
Onder de boom zat een vrouw. Ze had een koptelefoon op en een statief voor zich met iets erop wat leek op een dood konijn. Ze keek op toen ze aankwamen, glimlachte, en legde een vinger tegen haar lippen.
Bilal trok zijn capuchon af. „Wat doet zij?”
„Ze neemt geluid op,” fluisterde Yasmina. „Denk ik.”
„Van wat?”
Yasmina luisterde. Ze hoorde de wind in de bladeren, die nog aan de boom zaten, bruin en ritselend. Ze hoorde een vogel. Ze hoorde, heel zacht, het tikken van iets kleins op de grond. Een eikel die viel. En nog een.
„Hiervan,” zei ze.
Ze raapten eikels in het natte gras. Bilal deed eerst alsof het hem niet interesseerde en daarna raapte hij er meer dan zij, en hij legde ze in de holte van zijn hand en bekeek ze, en gooide degene met een gaatje weg. „Daar zit een worm in,” zei hij. „Dat zie je.” Ze wist niet waar hij dat van wist.
De vrouw met de koptelefoon stond na een tijdje op, pakte haar spullen in en liep naar hen toe.
„Sorry,” zei Yasmina. „We waren te luid.”
„Nee hoor.” De vrouw keek naar het zakje met eikels. „Mijn opa nam me hier vroeger mee naartoe. Hij zei dat je naar de boom moest luisteren.” Ze haalde iets uit haar jaszak en liet het zien: een eikel, oud en donker en glanzend. „Deze heb ik al dertig jaar.”
„Wij hebben er een voor iemand van drieënnegentig,” zei Bilal.
De vrouw keek hem aan. Iets in haar gezicht werd zacht.
„Dan moet je de mooiste pakken,” zei ze.
Toen ze weg was, liep Yasmina naar de noordkant van de boom. Jannie had het verteld, over de holte, op schouderhoogte. Ze vond hem. Een donkere opening in de stam, zo groot dat haar hele arm erin paste. Ze voelde aan de rand. Het hout was zacht en vochtig.
„Wat doe je?” vroeg Bilal.
„Mevrouw Hoekman zei dat kinderen hier vroeger briefjes in stopten. Met wensen.”
„En dat ga jij doen?”
Ze haalde haar schouders op. Ze haalde een pen uit haar tas en een oud bonnetje van de Albert Heijn, en ze draaide zich om zodat hij niet kon zien wat ze schreef. Het waren maar een paar woorden. Ze rolde het bonnetje op en stak het in de holte, zo ver mogelijk naar binnen. Haar vingers raakten iets hards, achterin, boven, in een spleet. Een stuk hout misschien. Een steen. Ze trok haar hand terug.
„Wat heb je geschreven?” vroeg Bilal.
„Gaat je niks aan.”
„Ik weet het al.”
„Je weet niks.”
„Je gaat die opleiding doen,” zei hij. „Die map op je laptop. Ik heb hem gezien.”
Ze keek hem aan. Hij grijnsde, maar hij keek ook een beetje ongerust, alsof hij niet zeker wist of hij te ver was gegaan.
„Rij jij terug?” vroeg ze.
„Ik ben zestien.”
„Dan hou je je mond over richting aangeven.”
Jannie hield de eikels lang in haar handen. Ze lagen in een schaaltje op haar schoot, negentien stuks, de mooiste, uitgezocht door Bilal. Ze pakte er een op, rook eraan, en hield hem tegen het licht van het raam.
„Ze ruiken naar het bos,” zei ze. „Naar de herfst bij ons thuis.”
Yasmina had een bloempot meegenomen en een zak potgrond van de bouwmarkt. Ze zetten de eikels samen in de aarde, aan de vensterbank, drie in één pot. Jannie wilde ze zelf aandrukken. Haar vingers waren krom en trilden, maar ze deed het precies, elke eikel op zijn kant, twee centimeter diep.
„Ze moeten de winter door,” zei Jannie. „Ze moeten kou hebben, anders komen ze niet. Zet hem straks maar op het balkon.”
„Dan ziet u hem niet.”
„Dat geeft niet. Ik weet dat hij daar is.” Ze veegde de aarde van haar handen af op de deken. Yasmina zei er niets van. „Je bent er geweest. Hoe was hij?”
„Groot,” zei Yasmina. „Breed. Hij is aan één kant zwart.”
„Dat is van de brand in '76. Toen woonde ik al in Apeldoorn.” Jannie knikte langzaam. „En de tak? Wijst die nog?”
„Naar het oosten.”
„Dan is het goed.” Ze sloot haar ogen even. „Heb je iets in het gat gestopt?”
Yasmina voelde dat ze kleurde.
„Je hoeft het niet te zeggen,” zei Jannie. „Ik heb er zelf ook zoveel in gestopt. Dat de oorlog voorbij zou gaan. Dat oom Gerrit terug zou komen. Dat Wim zou schrijven.” Ze opende haar ogen. „Eén is uitgekomen. Dat is niet slecht, voor een boom.”
Yasmina keek naar de pot op de vensterbank en dacht aan het bonnetje in de holte. En aan dat andere, het harde ding achterin, in de spleet, dat koud was geweest en glad en bijna metalen. Ze wist niet waarom het haar niet losliet. Het was vast een steen. Het was vast niets.
Die avond, thuis, opende ze de map op haar laptop. Ze las het eerste formulier door. Ze vulde het in tot halverwege. Daarna klapte ze de laptop dicht en ging ze naar het raam, waar het was gaan waaien, harder dan voorspeld, en waar de populieren in de straat bogen als mensen die iets zochten op de grond.