Verhaal 9: Het hol

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het hol was twee meter lang, een meter vijftig breed en zo laag dat Wim alleen kon zitten met zijn hoofd gebogen. De wanden waren van zand, gestut met berkenstammetjes. Het dak was van planken, met daarop heideplaggen en een laag dennennaalden, zodat je er bovenop kon staan zonder het te merken. Hij had er één keer bovenop gestaan, de eerste dag, om te voelen hoe het was. Het was niet anders dan het bos.

Hij zat er sinds juni. Daarvoor had hij twee maanden op een zolder in Ermelo gezeten, en daarvoor in Utrecht, in het huis van zijn ouders, achter een wand in de linnenkast. Hij was twintig. Hij had medicijnen gestudeerd, anderhalf jaar, tot de Duitsers van alle studenten een handtekening eisten onder een verklaring van trouw. Wie niet tekende, moest werken in Duitsland. Hij had niet getekend. Hij had zijn studieboeken onder zijn bed gelegd en was de linnenkast in gegaan.

Nu zat hij in een gat in de grond aan de rand van het Speulderveld, tweehonderd passen van een grote, oude eik, en wachtte op Jannie.


Ze kwam elke ochtend, behalve op zondag. Om zeven uur, als haar vader op het land was en haar moeder de koeien had gemolken. Ze was elf, met twee vlechten en een schort dat te lang was, en ze liep altijd hetzelfde pad: van de boerderij van Van Ruiten aan de rand van Speuld, langs de wei, over het veld naar de eik, en dan dwars het bos in. Als iemand haar zag, ging ze takken sprokkelen. Ze had altijd een mand bij zich met hout erin, en onder het hout brood, een fles melk en soms een ei.

Ze klopte drie keer op een berkenstam vlak bij het hol, twee keer snel en één keer langzaam. Dan schoof hij het luik open.

„Morgen,” zei ze altijd. Ze zei het als een grote mensen-groet, met een knikje.

„Morgen, Jannie.”

Ze ging niet weg zodra ze het eten had gegeven. Ze ging op haar hurken zitten bij de opening en keek hoe hij at. Ze vroeg dingen. Of het in Utrecht echt zo groot was als ze zeiden. Of er een kerk was met een toren hoger dan die van Putten. Of hij al eens een dode had opengemaakt, op de universiteit. Hij zei: een kikker. Ze was teleurgesteld.

Hij had een zakmes, het enige wat hij uit Utrecht had meegenomen behalve zijn kleren en een boek. Met dat mes sneed hij uit een stukje lindehout een vogel voor haar. Een vink, zei hij, en hij liet haar de vleugels zien, en het snaveltje, waar hij lang over had gedaan. Ze vroeg of hij die van haar was. Hij zei: als hij klaar is.


Op donderdag, de achtentwintigste, regende het. Jannie kwam met een jutezak over haar hoofd en zei dat haar vader had gehoord dat de Engelsen bij Arnhem waren teruggedreven. Dat wist Wim al. Hij had het gehoord van de man uit Garderen die een keer per week langskwam met nieuws en een pakje tabak. Arnhem was voorbij. Het zuiden was vrij, of bijna, maar hier zou het niet snel gebeuren. Hier zou het winter worden.

„Vader zegt dat je misschien naar een andere plek moet,” zei Jannie. „Als het gaat vriezen.”

„Zegt hij dat?”

„Hij zegt dat je hier doodvriest.” Ze keek naar haar klompen. „Ik wil niet dat je weggaat.”

„Het is nog geen winter,” zei hij.

Ze knikte en gaf hem het brood. Het was nog warm. Haar moeder had gebakken.


Zondag kwam ze niet. Dat was normaal. Op zondag ging de familie naar de kerk in Garderen, en Wim at het brood dat ze zaterdag extra had gebracht. Maar die zondag was anders. Hij merkte het pas tegen de middag.

Er waren geen klokken.

Normaal hoorde hij op zondagochtend de klokken van Garderen, ver weg, en soms als de wind goed stond die van Putten. Vandaag hoorde hij niets. Hij kroop naar de opening van het hol en luisterde. Een gaai krijste. Een specht. Verder niets. Toen, heel ver, uit het westen, een geluid dat hij kende uit Utrecht. Een motor. Meer dan één. Zware motoren, vrachtwagens, op een weg die normaal stil was.

Tegen de avond kwam er iemand door het bos. Wim lag plat in het hol, het luik dicht, zijn hart zo hard dat hij dacht dat ze het boven konden horen. Er werd geklopt. Twee keer snel, één keer langzaam. Maar het was niet Jannie. Het was haar vader.

Evert van Ruiten was een stille, brede man die Wim in vier maanden misschien twintig zinnen had horen zeggen. Hij hurkte bij het luik met zijn pet in zijn handen. Zijn gezicht was grauw.

„Ze hebben Putten afgesloten,” zei hij. „Vanochtend. Er is iets gebeurd vannacht, bij de Oldenallerbrug, een aanslag op een Duitse auto. Nu zijn de soldaten in het dorp. Niemand mag erin of eruit.”

„Wat doen ze?”

„Ze halen de mannen op. Uit de huizen. Ze zeggen dat ze ze in de kerk zetten.” Hij draaide zijn pet rond in zijn handen. „Mijn broer woont daar. Gerrit. Met zijn vrouw en vier kinderen.”

Wim wist niet wat hij moest zeggen. Hij zei niets.

„Je blijft hier,” zei Evert. „Je komt er niet uit. Als ze de omgeving gaan doorzoeken, kom ik je waarschuwen. Jannie komt morgen niet.”

Hij stond op. Bij de berkenstam bleef hij staan.

„Ze vroeg naar je,” zei hij. „Ik heb gezegd dat het goed met je ging.” Toen liep hij weg.


Die nacht sliep Wim niet. Hij lag in het hol op zijn rug en keek naar het donker. Hij hoorde vrachtwagens, af en aan. Eén keer dacht hij schoten te horen, maar het kon ook iets anders zijn geweest. Hij dacht aan zijn ouders in Utrecht. Hij dacht aan de man uit Garderen met de tabak. Hij dacht aan Gerrit van Ruiten, die hij nooit had gezien, in een kerk in het donker met andere mannen. Hij dacht aan wat er gebeurde als ze het bos doorzochten, en wat er dan met Evert zou gebeuren, en met Dina, en met Jannie.

Tegen de ochtend stond hij op, schoof het luik open en kroop naar buiten. Het was mistig. Hij liep door het bos naar de rand van het veld, iets wat hij nooit deed, en ging bij de eik staan, in de schaduw van de grote tak.

Uit het westen, boven de bomen, kwam rook. Niet één kolom maar meerdere, grijs en bruin, die in de mist samensmolten tot één brede vlek in de lucht. Hij rook het niet, daarvoor was het te ver. Maar hij zag het, en hij wist wat het was.

Hij bleef staan tot het licht werd, en toen werd het te gevaarlijk.


Op maandagavond kwam Evert weer. Hij praatte nog minder dan de vorige keer.

„Ze hebben de mannen weggevoerd,” zei hij. „Met de trein, vanmiddag. Naar Amersfoort, zeggen ze, naar het kamp. En daarna verder. Ze hebben huizen in brand gestoken.” Hij zweeg. „Gerrit was erbij.”

„Het spijt me,” zei Wim. Het klonk belachelijk, zo'n klein zinnetje.

Evert knikte.

„Er wordt gezegd dat ze de bossen hierom gaan uitkammen,” zei hij. „Ik weet niet of het waar is. Maar ik wil het niet afwachten. Er is een adres bij Elspeet. Morgennacht breng ik je daarheen. Dat is verder van de weg.”

„Morgennacht.”

„Hou je klaar.”


De laatste dag in het hol was de langste dag van zijn leven, langer dan de dag in de linnenkast toen ze in Utrecht de straat doorzochten. Jannie kwam niet. Hij had het geweten, maar toch luisterde hij elk uur naar het kloppen.

Hij werkte aan de vink. Hij maakte de vleugels af, de veertjes, het staartje. Hij sneed een klein oog met de punt van zijn mes. Het werd geen mooie vogel. Een kind uit Speuld zou hem herkennen, misschien. Een vogelkenner niet.

Toen het donker werd, scheurde hij een bladzijde uit het enige boek dat hij had, een anatomieboek dat hij uit Utrecht had meegesmokkeld omdat hij dacht dat hij in het hol zou studeren. Hij had er geen bladzijde in gelezen. Op de achterkant van een plaat met de botten van de hand schreef hij, met een potloodstompje, een brief. Het waren niet veel woorden. Hij schreef ze langzaam, in zijn beste handschrift, alsof het voor een examen was.

Hij vouwde het papier twee keer en legde het samen met de vink in zijn tabaksblik, een plat, roestig blikje van Van Nelle, waar al weken geen tabak meer in zat. Op het deksel kraste hij met de punt van zijn mes: Voor Jannie van Ruiten, Speuld.

Hij had het haar willen geven. Hij had gedacht dat ze nog zou komen, één keer, om gedag te zeggen. Maar Evert zou haar niet laten komen, niet nu, en morgen zou hij weg zijn.

Hij kroop het hol uit en liep in het donker naar de eik.

De holte aan de noordkant kende hij; Jannie had hem laten zien, de eerste week, en verteld dat de kinderen er briefjes in stopten met wensen. Hij voelde met zijn hand naar binnen. Bladeren, vermolmd hout, iets zachts dat een oud vogelnest kon zijn. Achterin, boven, was een spleet, een opening in het hout die hoger de stam in liep. Hij duwde het blikje erin, zo ver als hij kon, tot het klem zat. Niemand zou het zien die niet wist waar hij moest zoeken.

Morgen, dacht hij, schrijf ik haar vanuit Elspeet waar het ligt.


Evert kwam om één uur 's nachts, met een fiets zonder licht. Wim nam zijn kleren mee in een kussensloop en het anatomieboek met de ontbrekende bladzijde. Hij liet het luik open. Hij keek niet om.

Ze fietsten over zandpaden die hij nooit had gezien, door bossen die zwart waren en naar natte varens roken. Evert fietste voor hem en zei geen woord. Bij een kruising bleven ze staan voor een Duitse patrouille die een kilometer verderop over de weg reed, met gedempte lichten. Ze wachtten twintig minuten in een greppel. Wim voelde zijn hart in zijn keel.

Tegen vieren bereikten ze een boerderij bij Elspeet. Een vrouw liet hen binnen in een stal die naar koeien en hooi rook. Evert gaf Wim een hand, een droge, harde hand.

„Zeg tegen Jannie dat het me spijt dat ik geen gedag heb gezegd,” zei Wim.

„Dat zal ik doen.”

„En zeg dat ze—” Hij stopte. Hij kon niet zeggen dat ze in de eik moest kijken. Niet hier, niet tegen een man die net zijn broer was verloren, die net zijn eigen gezin op het spel had gezet. Het zou klinken als een spelletje.

„Wat?” vroeg Evert.

„Zeg dat ze goed op zichzelf past.”

Evert knikte en ging.

Wim lag die nacht in het hooi en luisterde naar de koeien. Hij dacht aan het blikje in de eik. Hij zou haar schrijven, morgen of overmorgen, als het veilig was. Hij zou het haar vertellen, en dan kon ze het halen, en dan zou ze de vink hebben en de brief en weten wat hij had willen zeggen.

Buiten, ergens boven de Veluwe, trok een vlucht ganzen over, op weg naar het zuiden. Hij hoorde ze roepen in het donker. Hij viel in slaap voordat ze voorbij waren.