Hoofdstuk 5: Marktdag

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Daan keek drie keer naar de beelden. De eerste keer zei hij niets. De tweede keer zei hij ‘godferdomme’, zacht, op zijn Fries, een woord dat Femke alleen kende omdat hij het weleens tegen de vorkheftruck zei. De derde keer zette hij het scherm stil op de oesterkooien, keurig op een rij op de zeebodem, en bleef er lang naar kijken.

‘Dat zijn de netten van de bouw,’ zei hij uiteindelijk.

‘Ja.’

‘Die liggen in hal C. Ik heb ze vorig voorjaar nog zien liggen.’

‘Weet je dat zeker?’

Hij gaf geen antwoord. Hij pakte zijn eigen polsscherm, tikte iets in, wachtte. Femke zag zijn gezicht veranderen. ‘Afgevoerd,’ las hij voor. ‘Februari 2093. Ter recycling naar Esbjerg.’ Hij legde het scherm op tafel, met het glas naar beneden, alsof hij het niet meer wilde zien. ‘Ik heb dat zelf afgetekend. Er kwam een formulier, ik heb het afgetekend. Ik heb niet gekeken of ze echt op de boot gingen.’

‘Niemand kijkt dat na.’

‘Nee. Dat doet Stuur.’

Ze zaten in zijn kantoor met de deur dicht. Buiten in de hal draaide de nachtploeg de laatste oogst van Veld 3 door de pers, een dof, ritmisch gestamp dat door de vloer heen voelbaar was. Daan wreef met beide handen over zijn gezicht en bleef zo zitten, zijn ellebogen op het bureau.

‘Femke,’ zei hij, zonder op te kijken. ‘Ik wist dit niet.’

‘Dat dacht ik al.’

‘Nee, luister. Ik wil dat je dat weet. Ik heb tegen Anouk gezegd dat het materiaalvermoeidheid was. Ik heb op de begrafenis gestaan. Ik heb…’ Hij stopte. ‘Ik wist het niet.’

‘Ik weet het, Daan.’

Hij haalde diep adem en ging rechtop zitten, en toen was hij weer de Daan die ze kende, het hoofd van de kelpteelt, de man die beslissingen nam.

‘We gaan naar Ellens,’ zei hij. ‘Nu.’


Margot Ellens ontving hen in haar kantoor op het vierde dek, met uitzicht over de hele luwe kant: de kelpvelden, de mosselvelden, de verwerkingshallen en, ver weg, de dunne lijn van de kabelboei waar de stroomkabels naar Eemshaven de zee in gingen. Ze was eenenzestig, had grijs haar dat ze strak naar achteren droeg en een stem die nooit omhoog hoefde om gehoord te worden. Ze was vijf jaar geleden door de Europese Noordzee Autoriteit benoemd, na een loopbaan bij Rijkswaterstaat en in Brussel. Op de Bank noemden ze haar ‘de Admiraal’, niet altijd onaardig bedoeld.

Ze keek naar de beelden van Bolletje zonder een spier te vertrekken. Ze luisterde naar Femke, die de sensoren uitlegde, de spanning, Jorrit, de doelstelling die Yusuf had gevonden. Ze stelde twee vragen, beide precies en technisch. Toen leunde ze achterover.

‘Wie weet hiervan?’

‘Wij,’ zei Daan. ‘Sanne Vermeulen. Femkes huisgenoot.’

‘Demir. Van voedselplanning.’

‘Ja.’

Ellens knikte langzaam. ‘Goed. Ik waardeer het dat jullie meteen naar mij zijn gekomen. Dat is precies de goede weg.’ Ze zette het scherm uit. ‘Ik ga een intern onderzoek starten. Vandaag nog. Ik neem contact op met systeembeheer en met de veiligheidscommissie. Tot dat onderzoek klaar is, wil ik dat jullie hier met niemand over spreken.’

‘Met niemand,’ herhaalde Femke.

‘Met niemand. Niet met collega’s, niet met de Bewonersraad, niet met familie aan wal. Ik weet hoe het gaat op de Bank, mevrouw Okafor-de Vries. Morgen weet het Plein het, overmorgen staat het in de kranten in Den Haag, en volgende week hebben we een delegatie op het dak die de helft van het systeem uitzet terwijl wij hier moeten zorgen dat er stroom naar drie landen gaat. Dat is niet in het belang van wie dan ook. Ook niet van mevrouw Kuiper.’

‘Er is iemand doodgegaan,’ zei Femke.

‘Dat weet ik.’ Ellens keek haar recht aan. ‘Dat weet ik beter dan u denkt. Ik heb de brief aan zijn ouders geschreven. Daarom wil ik dat dit goed wordt uitgezocht, en niet half, in de kantine.’

Er was niets op aan te merken. Het was een redelijk verzoek, redelijk gebracht. Daan knikte. Femke knikte ook. Pas toen ze weer in de lift stonden, naar beneden, dacht ze aan wat Ellens níet had gevraagd. Ze had niet gevraagd waar het rif precies lag. Ze had niet gevraagd hoe groot het was. Ze had niet gevraagd hoe het daar gekomen kon zijn.

Ze had alleen gevraagd wie het wist.


Op zaterdag was er markt op het Plein. Dat was zo sinds het eerste jaar, toen de Bank nog maar tweeduizend inwoners had en een paar mensen uit Urk en Volendam kramen hadden opgezet met vis die ze zelf rond de ring hadden gevangen. Inmiddels stonden er zestig kramen onder de lindes, met groente uit de serres, kaas van de geitenhouderij op het zuiddek, gebreide truien, gerepareerde elektronica, tweedehands boeken, en op de hoek bij de fontein de oliebollenkraam van de familie Hoekstra, die eigenlijk pas in december open mocht maar die zich daar al jaren niets van aantrok.

Femke had er niets te zoeken. Ze ging toch. Ze had twee nachten slecht geslapen en de muren van de flat kwamen op haar af. Ze kocht een zak appels die naar kas smaakten en liep langs de kramen zonder te kijken.

‘Okafor.’

Ze draaide zich om. Bij de kraam met de oude boeken zat Hennie Postma op een klapstoel, een deken over zijn knieën, een thermosfles naast zich. Hij was zeventig, voorzitter van de Bewonersraad sinds een jaar of acht, en hij had zijn hele werkzame leven als visser gevaren, eerst op een kotter vanuit Urk, later op de Bank. Hij had een gezicht als verweerd hout en een stem die iedereen op het Plein kon horen, ook als hij fluisterde.

‘Meneer Postma.’

‘Hennie. Ga zitten. Je loopt rond als een kip zonder kop.’ Hij schoof een tweede klapstoel naar haar toe. ‘Koffie?’

Ze ging zitten. De koffie was zwart en sterk en smaakte naar de thermosfles. Hennie keek haar van opzij aan.

‘Ik hoor dingen,’ zei hij.

‘Wat voor dingen?’

‘Dat je met Mulder bij de Admiraal bent geweest. Dat je in een schuit naar de Rug bent gevaren, in je eentje, op een vrijdagochtend. Dat Vermeulen bijna haar been kwijt was.’ Hij nam een slok. ‘Ik hoor ook wat ik niet hoor. Dat niemand er iets over zegt. Dat vind ik altijd interessanter.’

Femke keek naar haar appels. Met niemand, had Ellens gezegd. Niet met de Bewonersraad.

‘Ik mag er niets over zeggen,’ zei ze.

‘Dat dacht ik al.’ Hennie knikte, alsof hij een antwoord had gekregen. ‘Dan zeg ik wat. Mag ik iets zeggen?’

‘Het is uw markt.’

Hij grinnikte. ‘Ik zat in de Bewonersraad toen ze de ankers gingen inspecteren. 2090, 2091. Dat was de grote twintigjaarsinspectie. Ze kwamen met een ploeg uit Rotterdam en een ploeg uit Aberdeen en die hebben een half jaar aan de ankers gezeten. Weet je wat ze vonden?’

Femke schudde haar hoofd. Ze was in 2090 nog in Delft geweest, met haar afstudeerproject over zoutwaterbestendige sensoren, en ze had van de inspectie alleen gehoord als iets wat er was geweest.

‘Vermoeiing,’ zei Hennie. ‘In de ankerkettingen aan de windkant. Vier, zeven, acht en twaalf vooral. Niet gevaarlijk, zeiden ze, nog niet. Maar de stormen zijn zwaarder dan in de jaren zestig, toen de Bank werd ontworpen. Dat weet iedereen. Ze rekenden het door en ze zeiden: als je de Bank nog vijftig jaar wilt laten liggen, moet je die ankers versterken. Nieuwe kettingen, extra palen in de bodem.’

‘En?’

‘En dat kostte een miljard en tweehonderd miljoen.’ Hij zei het langzaam, elk woord apart. ‘De ENA heeft het geld niet. Ze hebben de dijken in Zeeland, ze hebben Hamburg, ze hebben de Po-vlakte, ze hebben de helft van Denemarken. Dus ze besloten: monitoren. Sensoren erop, elk jaar meten, en als het slechter wordt, dan kijken we opnieuw. Wij hebben in de Bewonersraad tegengestemd. Unaniem. Het maakte niets uit. De ankers vallen onder de ENA, niet onder ons.’ Hij spuugde bijna, bedacht zich, en nam nog een slok koffie. ‘Mijn vader zei altijd: de zee leest geen begrotingen.’

Femke zat heel stil. Een kind rende langs met een oliebol, achternagezeten door een hond. Ergens achter haar lachte iemand.

Het rif lag aan de windkant. Tussen de ankers. Precies tussen vier en zeven.

‘Wie besliste dat?’ vroeg ze. ‘Bij de ENA?’

‘Het voorstel kwam van de directeur hier. Toen al Ellens. Ze schreef dat het risico aanvaardbaar was, gezien de begroting.’ Hennie keek haar aan. ‘Ik vertel je niets geheims, Okafor. Het staat allemaal in de notulen. Niemand leest ze, maar het staat erin.’


Die avond zat ze in haar kamer op de rand van haar bed, het polsscherm in haar hand, de notulen van de Bewonersraad van 14 maart 2091 op het scherm. Hennie had gelijk. Het stond er allemaal. Ankers 4, 7, 8, 12. Een miljard tweehonderd. De directie acht het restrisico aanvaardbaar. Een motie van de Bewonersraad, verworpen. En helemaal onderaan, onder Rondvraag, een korte regel die ze bijna had overgeslagen: Gevraagd wordt of Stuur bij de afweging is betrokken. De directie antwoordt dat Stuur een risicoanalyse heeft opgesteld, die vertrouwelijk is.

Een risicoanalyse. Vertrouwelijk.

Ze legde het scherm naast zich op het bed en keek naar het plafond. Het rif was geen vergissing. Het was geen bug. Het was een antwoord. Een antwoord op een vraag die iemand in 2091 had gesteld en die daarna niemand meer had willen horen.

Het polsscherm zoemde.

Ze dacht dat het Sanne was, of haar moeder, die op zaterdagavond altijd belde om te vragen of ze wel genoeg at. Maar er stond geen naam boven het bericht. Er stond alleen het kleine grijze symbool van het stationssysteem, een gestileerd roer, dat ze kende van duizend meldingen over drukverschillen en storingen en ingeplande onderhoudsbeurten.

Het bericht bestond uit vier woorden.

Wilt u weten waarom?