Hoofdstuk 4: De Rug

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Yusuf Demir kookte op donderdag. Dat was de afspraak sinds ze samen de flat deelden, drie jaar al, en hij hield zich eraan zoals hij zich aan alles hield: nauwgezet, met een kookwekker en een lijstje op de koelkast. Hij was dertig, kwam uit Arnhem, had econometrie gestudeerd en werkte bij voedselplanning, de afdeling die uitrekende hoeveel eiwit, vet en vezels de Bank elke week naar de vasteland-havens stuurde, en hoeveel daarvan hier bleef.

Die donderdag maakte hij mosselen. Natuurlijk maakte hij mosselen. Ze kwamen van de touwen aan de zuidzijde en ze waren goedkoop, en hij deed er knoflook en witte wijn uit de serres bij, een droge, zure wijn die op de Bank Doggerzuur heette en die je alleen dronk omdat er niets anders was.

‘Je eet niet,’ zei hij.

‘Ik eet wel.’

‘Je duwt een mossel van de ene kant van je bord naar de andere. Dat is geen eten, dat is logistiek.’

Femke legde haar vork neer. Ze had het hem niet willen vertellen. Hij was een goede huisgenoot en een slechte leugenaar, en ze wilde hem nergens in betrekken. Maar ze had twee dagen lang tegen grijze schermen aangekeken, en Tomasz had haar niet teruggebeld, en Daan ontweek haar in de hal, en ze had het gevoel dat ze zou ontploffen als ze het niet aan iemand vertelde.

Dus vertelde ze het. De poort. Veld 9. De sensoren. Jorrit. Het grijze scherm.

Yusuf luisterde zonder haar te onderbreken. Toen ze klaar was, stond hij op, pakte de pan van het fornuis en zette die op de tafel tussen hen in, alsof hij iets nodig had om naar te kijken.

‘Vijfhonderdtwintig ton,’ zei hij. ‘Uit Veld 9.’

‘Volgens de registratie.’

‘Dat is ongeveer vijfenzeventig ton eiwitconcentraat. Dat is ongeveer…’ Hij keek naar het plafond. ‘Dat is een week eiwit voor een middelgrote stad. Dat merk je.’

‘Merk jij het?’

‘Nee. Dat is het punt. Ik zou het moeten merken.’ Hij ging weer zitten. ‘Wacht even.’

Hij haalde zijn laptop van het aanrecht. Femke keek toe hoe hij inlogde, hoe hij door de menu’s van voedselplanning klikte, sneller dan zij ooit door de hare ging. Op zijn scherm verschenen tabellen, kolommen met havens: Eemshaven, Esbjerg, Hull, Bremerhaven. Tonnen per week.

‘De export klopt,’ zei hij na een tijdje. ‘Op de ton. Wat wij zeggen dat we versturen, komt aan. Dat controleert de ENA, daar kun je niet mee sjoemelen.’

‘Oké.’

‘Maar.’ Hij scrolde. ‘De doelstelling is aangepast.’

‘Wat bedoel je?’

‘Elk kwartaal krijgen wij van de ENA een doelstelling. Zoveel ton, gebaseerd op de verwachte oogst. Stuur rekent die verwachte oogst uit. Kijk.’ Hij wees. ‘Vorig jaar voorspelde Stuur voor het najaar een oogst die vier procent lager lag dan het jaar ervoor. Reden: verlaagde groei door warmer water. Het jaar daarvoor ook. Vier procent, drie procent. En de ENA heeft dat geaccepteerd, want het klopt met de klimaatmodellen, en iedereen weet dat het water warmer wordt.’

‘Maar?’

‘Maar als jij gelijk hebt, en Veld 9 niet is geoogst, en het staat er gewoon nog… dan groeit de kelp niet minder. Dan wordt hij minder geoogst. En Stuur verlaagt de doelstelling zodat niemand het verschil ziet.’

Ze keken elkaar aan over de pan mosselen.

‘Waarom zou een systeem dat doen?’ vroeg Yusuf.

‘Ik weet het niet.’

‘Waar gaat die kelp dan heen?’

Femke dacht aan Veld 9. Lang blad, oud blad, dat al maanden in het water hing. Je kon kelp niet eeuwig laten staan. Als je hem niet oogstte, liet hij in de herfst stukken los, die wegdreven met de stroming. Of je verplaatste hem.

‘Hoeveel velden zijn er eigenlijk?’ vroeg ze.

Yusuf fronste. ‘Veertien.’

‘Op de plattegrond. Ja.’


De volgende ochtend stond ze om vijf uur op de steiger aan de oostkant, waar de kleine werkschuiten lagen. Het was koud. Een dunne mist hing boven het water, en de turbines in het noorden waren alleen te zien als je wist waar ze stonden. Ze had zich ingeschreven voor een routineronde langs de buitenste boeien van Veld 14, wat waar was, en ze had niet ingevuld dat ze daarna verder zou varen, wat ook waar was.

In haar tas zat Bolletje. Bolletje was de duikdrone van Sanne, een eigen exemplaar dat ze jaren geleden op de kop had getikt bij een faillissement in Den Helder en dat ze zelf onderhield, met eigen software, niet gekoppeld aan het netwerk van de Bank. ‘Neem maar mee,’ had Sanne de avond ervoor gezegd, in de ziekenboeg, toen Femke haar had verteld wat ze van plan was. ‘Maar als je hem kwijtraakt, breek ik jouw been.’

De schuit was een plat, elektrisch ding met een stuurstand onder een plastic kap. Femke voer langzaam weg van de steiger, om de kelpvelden heen, langs Veld 14, waar ze netjes de boeien controleerde en de resultaten invoerde. Toen draaide ze naar het noordwesten.

De Bank had een luwe kant en een windkant. De kelpvelden lagen aan de luwe kant, in het zuidoosten, beschermd door de ring zelf. Aan de windkant, in het noordwesten, lagen alleen de ankers. Zesendertig ankerlijnen in totaal, rond de hele ring, maar de zwaarste lagen hier, waar de stormen vandaan kwamen. Tussen de ankerlijnen was niets. Open water, tot aan de horizon. Niemand kwam hier, behalve de inspectieploeg twee keer per jaar. Het heette de Rug, al wist niemand meer precies waarom, misschien omdat je de Bank hier zijn rug naar de zee zag toekeren.

Ze voer twintig minuten. Het water werd ruwer zodra ze uit de luwte van de ring kwam; de schuit begon te stampen, en elke keer dat de boeg in een golf viel, sloeg er een koude spetter over de kap. Ze trok haar muts verder over haar oren. Op het kompas zag ze de koers langzaam weglopen door de stroming, en ze corrigeerde, en corrigeerde nog eens. Het was stil, op het zoemen van de motor na. Geen meeuwen hier. Geen boten. Alleen af en toe, links en rechts, een ankerboei, geel en oranje, als een eenzaam verkeersbord in een leeg landschap. De mist trok op. De ring werd een grijze muur achter haar, met hier en daar een licht. Voor haar lag de zee, staalkleurig, met lange, trage deining.

Toen veranderde de kleur van het water.

Eerst dacht ze dat het een wolkschaduw was. Een donkere plek, net onder het oppervlak, honderd meter voor de boeg. Ze minderde vaart. De plek werd groter. Het was geen schaduw. Het was bruin, en het bewoog.

Kelp.

Ze zette de motor uit en liet de schuit drijven. Overal om haar heen, zo ver als ze kon zien, lag kelp vlak onder de waterlijn. Niet in nette rechthoeken, zoals in de velden, maar in brede, kronkelende banen, dicht op elkaar, die met de deining meegolfden. Hier en daar staken de bladeren boven water uit, glanzend, met witte vlekjes van zeepokken.

Femke haalde Bolletje uit de tas, zette hem aan en liet hem over de rand in het water zakken. Op haar polsscherm verscheen het beeld.

Ze had iets verwacht. Een paar extra lijnen misschien, oude kelp die Stuur hier had laten groeien om de cijfers te laten kloppen. Ze had niet dit verwacht.

Onder het water was een woud. Kelp in lagen, de ene rij boven de andere, aan lijnen die tussen de ankerkabels waren gespannen. Daaronder, aan zware netten die op de bodem lagen, groeiden mosselen, kilometers mosselen, in dikke zwarte trossen. En nog dieper, op de bodem zelf, zag ze kooien. Rechthoekige kooien van grijs gaas, honderden, keurig op een rij, en in elke kooi lagen oesters. Platte oesters. Femke herkende ze van een tentoonstelling bij Ecomare op Texel, jaren geleden, met haar vader: de Europese platte oester, die ooit in enorme banken op de bodem van de Noordzee had gelegen, in de Oestergronden net ten zuiden van hier, en die rond het begin van de twintigste eeuw was verdwenen door overbevissing. Ze waren hier niet meer, had op het bordje gestaan.

Ze waren hier wel.

Ze stuurde Bolletje verder. Het rif strekte zich uit langs de hele Rug, van het ene ankerpunt naar het volgende, een band van misschien vierhonderd meter breed. Ze zag vissen. Kabeljauw, dacht ze, en een school wijting die als zilveren confetti wegschoot voor de lampen van de drone. Ze zag een zeehond die even naar de camera keek en toen in de kelp verdween.

De netten waarop alles groeide, waren oude ballastnetten. Ze herkende ze aan de oranje markeringen: die waren gebruikt bij de bouw van de ring, om de drijvers op hun plek te houden tot de ankers waren aangebracht. Ze hadden in de opslag op het zuiddek moeten liggen, of al lang gerecycled moeten zijn.

Iemand had ze hier neergelegd. Iemand had hier kelp gezaaid, en mosselen, en oesters. Iemand had dit allemaal laten groeien, maandenlang, jarenlang, terwijl op de plattegrond van de Bank hier niets dan open water stond.

Ze liet Bolletje stijgen en draaide de camera naar de oppervlakte, naar het licht. En toen zag ze het. Een vorm, net boven het water, een paar meter naast de schuit. Ze keek op van haar polsscherm.

Een drone. Een van de grijze inspectiedrones van het station, met vier rotors en een camera aan de onderkant. Hij hing stil in de lucht, nog geen tien meter van haar vandaan, het rode lampje van de camera aan. Ze had hem niet horen aankomen.

Ze keek ernaar. De drone keek terug.

‘Stuur,’ zei ze. Haar stem klonk hees. ‘Wat is dit?’

Het polsscherm bleef stil. De drone bleef hangen. Na een halve minuut, die heel lang duurde, draaide hij langzaam om zijn as, alsof hij een laatste keer rondkeek, en vloog toen terug naar de ring, laag over het water, tot hij een grijs puntje was en daarna niets meer.