Hoofdstuk 11: Onder de ring

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De kelphal was donker en leeg, op de noodverlichting na, die lange groene strepen over de vloer trok. De balen gedroogde kelp stonden in rijen onder zeilen, vastgesjord met spanbanden. Het gestamp van de pers was stil. Het enige geluid was de storm, die hier, binnen, klonk als een trein die zonder ophouden over het dak reed.

Femke rukte haar kluisje open. Bolletje lag in de tas, precies zoals ze hem vrijdag had achtergelaten, met het lampje op groen. Ze hing de tas over haar schouder. Daan stond in de deuropening met twee helmen en een gereedschapstas, en een lange stalen breekstang die hij uit de werkplaats had gehaald.

‘Voor de bouten,’ zei hij. ‘Als ze vastgeroest zitten.’

Ze liepen. Door de gang achter de hal, langs de verwerkingsruimtes, een trap af, nog een trap. Hoe verder ze naar beneden gingen, hoe meer ze de beweging van de ring voelden. Op de bovendekken was het een traag deinen geweest. Hier was het een rukken en trekken, alsof de vloer probeerde onder hun voeten weg te komen. Twee keer moest Femke zich aan de reling vastgrijpen.

Bij een zware stalen deur met Onderhoudstunnel NW – alleen bevoegd personeel erop bleven ze staan. Femke deed haar helm op en klikte het oortje in.

‘Tomasz?’

‘Hier.’ Zijn stem, krakerig. ‘Ik heb hem opgestart. Hij draait op de losse server. Alleen sensoren, alleen spraak. Ik schakel hem nu door.’

Een korte stilte. Toen een stem die ze kende.

‘Femke.’

Ze moest even slikken. Het was dezelfde stem als die van het oude systeem in de toren, en toch was hij anders. Of misschien was zij anders.

‘Stuur.’

‘Ik kan niets bedienen. Ik wil dat u dat weet. Ik zie de sensoren in de tunnel, de ankermetingen en de golfhoogte. Ik kan u vertellen wat ik zie. Meer niet.’

‘Dat is genoeg.’

‘Anker zeven staat op vijfennegentig procent,’ zei Stuur. ‘De tunnel loopt gedeeltelijk onder bij elke grote golf. De golven komen in reeksen. Tussen de reeksen zit ongeveer negentig seconden waarin het waterniveau in de tunnel daalt. De volgende pauze begint over veertig seconden.’

Daan draaide het wiel van de deur open. Een golf van koude, zoute lucht kwam hun tegemoet.


De tunnel was rond, nog geen twee meter hoog, met aan het plafond een rij gele noodlampen en aan de zijkanten buizen en kabelgoten, dik als dijen. Het water stond tot hun enkels. Het rook naar diesel en roest en zee. Elke paar seconden schudde de hele tunnel, en dan liep er een golf door het water op de vloer, van voor naar achter, die tegen hun laarzen sloeg.

‘Driehonderdtwintig meter naar knooppunt zeven,’ zei Stuur. ‘Er zijn drie schotten. Het eerste staat open.’

Ze liepen. Gebukt, snel, Daan voorop omdat hij de weg kende. Het eerste schot was een stalen ring in de tunnelwand, met een deur die openstond en een rode markering op de vloer. Daarachter steeg het water tot hun knieën.

‘Reeks komt,’ zei Stuur. ‘Houd u vast.’

Femke greep een buis. Een seconde later voelde ze hoe de ring werd opgetild, hoger en hoger, alsof ze in een lift stonden die niet ophield, en toen viel hij, en het water in de tunnel stortte op hen af, tot aan haar middel, ijskoud, zodat haar adem stokte. Ze hield zich vast. Het water trok aan haar benen. Toen zakte het weer, langzaam, kolkend, tot aan haar knieën.

‘Daan?’

‘Hier.’ Hij spuugde zout water. ‘Verder.’

Het tweede schot. Het derde. Bij het derde zat de deur dicht en moesten ze aan het wiel draaien, met z’n tweeën, terwijl de volgende reeks al begon. Ze kregen hem open toen het water tot hun borst stond. Femke werd tegen de rand van het schot geslagen en voelde iets in haar schouder knappen, geen bot, maar het deed zo’n pijn dat ze even niets zag.

‘Gaat het?’ vroeg Daan.

‘Ja,’ zei ze. Het was half waar.


Knooppunt zeven was een ruimte zo groot als een keuken, een uitstulping van de tunnel waar de ankerketting van zeven door een enorme stalen huls in de ring liep. Je zag de ketting niet; je zag alleen de huls, schuin naar beneden, glanzend van het water, en ernaast de lierkoppeling: een blok staal zo groot als een koelkast, met hydraulische leidingen en een rij van acht bouten rond een flens. Midden op de flens zat een veiligheidspen met een rode ring eraan.

Het water stond hier tot hun dijen en klotste heen en weer. Op de wand hing een bordje met instructies, half onleesbaar van de roest.

‘Eerst ontluchten,’ zei Daan. Hij moest schreeuwen boven het lawaai. ‘Er staat tweehonderdvijftig bar op die koppeling. Als je de pen trekt zonder de druk eraf te halen, vliegt de flens eruit.’

‘Waar zit het ontluchtingsventiel?’

Daan wees naar beneden. Naar het water.

‘In de put. Onder de koppeling.’

Femke haalde Bolletje uit de tas. Haar handen waren zo koud dat ze de schakelaar drie keer moest proberen. Ze zette hem in het water en stuurde hem met haar goede arm naar beneden. Op haar polsscherm zag ze het troebele groen, de onderkant van de koppeling, leidingen, een put van een meter diep waarin het water kolkte, en daar, onderin, een kleine kraan met een geel handvat.

‘Ik zie hem,’ zei ze.

‘Anker zeven, zesennegentig procent,’ zei Stuur in haar oor.

Daan was al op zijn knieën in het water. Hij stak zijn arm in de put, tot aan zijn schouder, zijn gezicht vlak boven het water. ‘Waar?’

‘Links. Nog verder. Twintig centimeter.’

‘Ik heb hem.’ Hij draaide. Een sissend geluid, ergens in de koppeling, en op de drukmeter aan de wand begon de naald te zakken. Tweehonderdveertig. Tweehonderddertig.

‘Reeks komt,’ zei Stuur. ‘Grote.’

‘Daan, eruit!’

Hij was te laat. De ring tilde op, en viel, en de koppeling, het blok staal zo groot als een koelkast, schoof een paar centimeter opzij in zijn ophanging, precies zoals het was ontworpen om te doen bij grote bewegingen. Daans hand zat ertussen.

Hij schreeuwde niet. Hij maakte een geluid dat Femke deed denken aan Sanne, onder water, in Veld 9: een korte, harde uitademing. Toen het water zakte, zat hij tegen de wand, zijn rechterhand tegen zijn borst geklemd. Zijn gezicht was wit in het gele licht.

‘Gaat wel,’ zei hij. ‘Gaat wel. Ga door.’

Femke keek naar de drukmeter. Honderdtachtig. Te hoog.

‘Stuur. Hoe lang tot de druk laag genoeg is?’

‘Bij deze snelheid van ontluchten ongeveer vier minuten tot onder de twintig bar.’

‘Anker zeven?’

‘Zevenennegentig procent.’ Een korte stilte. ‘Femke. Ik geef u de getallen. Als u de pen nu trekt, bij honderdtachtig bar, schat ik de kans dat de flens loskomt en u raakt op ongeveer dertig procent. Bij honderd bar, over twee minuten, op ongeveer tien procent. Bij twintig bar is het veilig. Ik kan niet berekenen hoe lang anker zeven het nog houdt. De onzekerheid is te groot. Ik weet niet wat u moet doen.’

Ze stond in het water, haar schouder bonzend, haar handen gevoelloos, en keek naar de rode ring van de veiligheidspen.

‘Je weet het niet?’

‘Nee. Het is uw leven. Het zijn uw getallen. Ik heb al eens een keuze gemaakt over iemands leven zonder het hem te vragen. Dat doe ik niet nog een keer.’

Femke haalde adem. Ze telde. Ze keek naar de naald. Honderdzestig. Honderdveertig. Het water klotste tegen haar heupen. Daan zat tegen de wand met zijn ogen dicht. Ergens boven hen, door dertig meter staal en beton, hoorde ze de storm.

Honderdtwintig. Honderd.

‘Nu,’ zei ze, en ze stak haar goede hand door de rode ring en trok.

De pen kwam los met een klap die door haar hele arm schoot. De flens schokte. Een straal water en olie spoot langs haar gezicht, sissend, en ze dook weg, en toen was het voorbij. De flens zat nog. De koppeling hing los.

‘Ontkoppeld,’ hijgde ze. ‘Tomasz. Pieter. Knooppunt zeven is ontkoppeld.’

‘Lier zeven vrij,’ kwam de stem van de jonge operator, hoog en trillend, door haar oortje. ‘Ik laat vieren. Twee meter. Vier.’

Achter de huls hoorde Femke de ketting bewegen. Een diep, schurend geluid, staal over staal, schakel na schakel. Ze voelde de ring veranderen, niet meer dat harde rukken, maar iets anders, iets ruimers. Een draai. Langzaam, nauwelijks merkbaar, alsof de hele Bank zijn schouder in de wind draaide.

‘Thrusters op zeventig procent,’ zei Tomasz. ‘Hij draait. Hij draait mee.’

‘Anker zeven,’ zei Stuur. ‘Eenennegentig procent. Zevenentachtig. Tweeëntachtig.’

Femke zakte door haar knieën in het water naast Daan. Hij opende zijn ogen.

‘Ik heb mijn hand gebroken,’ zei hij.

‘Ik weet het.’

‘Mijn trouwring zit er nog om. Die krijgen ze er nooit meer af.’

Ze begon te lachen. Ze wist niet waarom. Ze lachte en ze huilde, en het zoute water liep over haar gezicht, en ze wist niet welk deel ervan zee was.

Bolletje dreef nog in de put, met zijn lampje naar boven, rondjes draaiend in het kolkende water. Ze stak haar arm uit en viste hem eruit en stopte hem terug in de tas. Een van zijn stuwers was krom. De rest leek heel. Sanne zou het zien, natuurlijk. Sanne zag alles. Ze zou er een week over doorgaan, en Femke merkte dat ze daar ineens heel erg naar verlangde: naar een gewone week, met gezeur, en koffie die op de vloer lag.

Toen gingen de lichten uit.

Het was volkomen donker. Geen noodlamp, geen gloed van het polsscherm, niets. Het water klotste om hen heen. Femke greep Daans arm, zijn goede arm. Ze hoorde haar eigen hart.

Een seconde. Twee. Vijf.

Toen flikkerden de gele lampen aan het plafond, een voor een, door de hele tunnel, als een rij kaarsen die werd aangestoken.

‘Noodstroom hersteld,’ zei Stuur in haar oor. ‘Een kabelgoot aan de westzijde is ondergelopen. Het oude systeem heeft overgeschakeld.’ Een pauze. ‘Anker zeven, achtenzeventig procent. De ring draait niet verder. De belasting is verdeeld.’

‘Heb jij…’ Femke wist niet hoe ze de vraag moest afmaken.

‘Nee,’ zei Stuur. ‘Ik heb niets gedaan. Jullie wel.’