Hoofdstuk 10: Anker vier
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Anker vier brak om 00:21.
Femke hoorde het niet. Niemand in de toren hoorde het; het gebeurde vierhonderd meter verderop en dertig meter onder water, en het geluid van de storm was zo groot dat er geen ruimte meer was voor iets anders. Maar ze voelde het. De vloer onder haar voeten maakte een beweging die ze nog nooit had gevoeld, niet op en neer maar opzij, een lange, glijdende ruk, alsof iemand de hele Bank aan een touw een meter naar het oosten trok. Een stoel rolde door de toren en sloeg tegen de muur. Op het scherm van de ankerbewaking ging het balkje van anker vier van donkeroranje naar grijs.
Anker 4: verbinding verbroken. Belasting: 0.
‘Hij is weg,’ zei Daan.
Niemand antwoordde. Iedereen keek naar het scherm, naar de andere balkjes. Ze zagen hoe de belasting die op anker vier had gestaan, over de rest werd verdeeld. Drie en vijf schoten omhoog, van geel naar oranje. Zeven, dat al oranje was, sprong door naar rood.
Anker 7: belasting 91% van ontwerpwaarde.
‘Stuur,’ zei Albers. ‘Situatie.’
‘Anker vier is bezweken. De ring is 1,4 meter naar het oosten verschoven en draait 0,8 graden met de klok mee. Ik verdeel de spanning opnieuw symmetrisch over de resterende vijfendertig lijnen, conform stormprotocol S-4.’
‘Wat doe je met anker zeven?’
‘Ik verhoog de spanning op ankers drie, vijf, zes en acht om anker zeven te ontlasten. De belasting op anker zeven blijft desondanks boven negentig procent zolang de huidige golfhoogte aanhoudt.’
Femke had de grafieken van zaterdag nog op haar eigen scherm. Ze hoefde ze niet te openen. Ze wist het uit haar hoofd. Anker zeven had een restcapaciteit van eenentachtig procent van de oorspronkelijke breeksterkte. Eenentachtig. Het stond op eenennegentig van de ontwerpwaarde, en die twee getallen waren niet hetzelfde, maar ze lagen dicht genoeg bij elkaar om haar maag te laten omdraaien.
‘Hoe lang nog?’ vroeg ze. ‘Hoe lang houdt Wessel deze kracht vast?’
‘Volgens de meest recente prognose van het KNMI neemt de wind na 03:00 af tot windkracht tien,’ zei Stuur. ‘Tot die tijd blijft de golfhoogte boven de twaalf meter.’
Drie uur. Femke keek naar Daan. Ze hoefde niets te zeggen. Hij had dezelfde getallen in zijn hoofd. Als zeven brak, had Stuur in 2091 gezegd, en het oude Stuur had dat zelf gezegd, met precies deze stem, dan was de kans dat er een derde brak groter dan de kans dat het niet gebeurde. En dan verloor de ring zijn vorm.
Ze dacht aan de schuilruimtes. Aan Mats met zijn knuffelzeehond. Aan Sanne in haar rolstoel naast de man met de tomatenplanten. Aan de verbindingen tussen de woondekken, de grote stalen scharnieren die de ring flexibel hielden, en die ze ooit tijdens een rondleiding had mogen aanraken, koud en vettig, groter dan zijzelf. Ze waren ontworpen om te buigen. Niet om te scheuren.
‘Het nieuwe stormplan,’ zei ze. ‘Nu. De kettingen aan de windkant laten vieren, de ring met de wind mee laten draaien, de thrusters erbij.’
‘Het oude systeem wil dat niet,’ zei Daan.
‘Dan doen wij het.’
Albers keek haar aan. ‘Hoe?’
Femke stond op. Ze moest zich vasthouden aan de tafel toen de ring weer werd opgetild. ‘Twee dingen. De thrusters en de ankerlieren. De thrusters vallen niet onder het ankerprotocol. Die kun je handmatig bedienen als een bevoegde functionaris dat beveelt. Dat bent u. Tomasz kan ze vanuit de Kern aansturen. Maar daar is stroom voor nodig. Veertig procent van wat we opwekken.’
‘De export,’ zei Albers.
‘De export.’
‘En de lieren?’
‘Die zijn tijdens S-4 vergrendeld. Stuur geeft ze niet vrij, want dat mag niet binnen het protocol. Dat is een hardwarevergrendeling. Die zit niet in de software, die zit in de koppeling zelf, in het spanningsknooppunt.’ Ze haalde de plattegrond van de onderbouw op het scherm. ‘Knooppunt zeven. In de onderhoudstunnel onder de ring, aan de noordwestzijde. Daar zit een handmatige ontkoppeling. Als die eruit is, kan Daan de lier van anker zeven vanuit de toren laten vieren. Dan zakt de belasting.’
‘Die tunnel ligt op de waterlijn,’ zei een van de operators. ‘Bij deze golven loopt hij onder.’
‘Gedeeltelijk,’ zei Femke. ‘Hij heeft schotten. Dat weet ik, ik heb de tekeningen gezien.’
‘Dat is precies de plek waar ze in de onderdekken het eerst gaan scheuren als de ring vervormt,’ zei Daan zacht.
‘Dat weet ik ook.’
Albers zei niets. Ze keek naar het scherm, naar het rode balkje van anker zeven. Tweeënnegentig procent. Toen keek ze naar de klok.
‘Het verlagen van de export is een besluit dat drie landen raakt,’ zei ze. ‘Dat zei ik gisteren. Het is ook waar. In Hamburg staan vannacht ziekenhuizen op noodstroom omdat hun eigen windparken uit moeten. Ik kan niet zomaar…’
‘Dan vragen we het,’ zei Femke.
‘Aan wie? Den Haag? Brussel? Daar zit nu niemand.’
‘Aan de mensen hier.’
Ze had haar polsscherm al in haar hand. Hennie Postma nam op na twee keer overgaan. Op de achtergrond hoorde ze stemmen, een huilend kind, het geruis van de luchtverversing in de schuilruimte onder het Plein.
‘Okafor.’
‘Hennie. Ik heb de Bewonersraad nodig. Nu. Een stemming.’
Ze legde het uit in vijf zinnen. Anker vier. Anker zeven. Het rif. Het plan. De export. Ze zei ook wat het kostte. Dat er op het vasteland mensen zouden zijn die vannacht minder stroom kregen. Dat ze zelf de tunnel in zou gaan.
Hennie zei een tijdlang niets. Toen hoorde ze hem iets zeggen, niet tegen haar maar tegen de ruimte om hem heen, met die stem die tot aan de serres droeg, en het werd stil aan de andere kant van de lijn.
‘Je hebt acht minuten,’ zei hij tegen haar. ‘Langer houd ik ze niet stil.’
Het was geen echte stemming. Er was geen tijd voor de procedures, voor de quorums en de amendementen waar Hennie op gewone dinsdagavonden twee uur over kon praten. Hij las het voor, in alle vier de schuilruimtes tegelijk, via de omroep, en vroeg de mensen hun hand op te steken of op hun polsscherm ja of nee te tikken. Femke keek naar het getal dat op het scherm van de toren verscheen, van de schuilruimtes aan de oostzijde, de zuidzijde, de westzijde, onder het Plein. Het liep langzaam op.
Ze probeerde niet te kijken naar de nee-stemmen. Ze keek er toch naar. Ze waren er. Niet weinig ook. Mensen met familie in Hamburg misschien, of in Kopenhagen. Mensen die het oude systeem vertrouwden omdat het tenminste deed wat het zei. Mensen die niet wilden dat iemand de tunnel in ging.
Op haar pols zoemde een bericht. Sanne. Ja gestemd. De tomatenman ook, ik heb hem overgehaald. Als je die tunnel in gaat, neem dan Bolletje mee, hij ligt nog in je kluisje. Hij ziet meer dan jij.
Femke had niet eens aan Bolletje gedacht. De duikdrone lag in haar kluisje in de kelphal, nog in de tas van vrijdag, opgeladen. Hij hing aan geen enkel netwerk van de Bank. Ze tikte terug: Ik neem hem mee. Toen, na een seconde: Je krijgt hem heel terug.
Liegen kun je ook al, schreef Sanne.
Na zeven minuten stond het op zesentachtig procent ja.
‘Dat is geen besluit,’ zei Albers zacht. ‘Dat weet je. De Bewonersraad gaat niet over de export. Juridisch is dat niets waard.’
‘Nee,’ zei Femke. ‘Maar u weet nu wat de mensen willen voor wie u het besluit neemt.’
Albers keek nog één keer naar het scherm. Anker zeven, drieënnegentig procent. Toen pakte ze haar eigen polsscherm, tikte iets in en hield het voor de camera van het bedieningspaneel.
‘Hoofdinspecteur R. Albers, Inspectie Noordzee-infrastructuur, waarnemend bevoegd gezag Doggersbank-Noord. Ik beveel de reductie van de export naar de vasteland-netten tot zestig procent van het actuele vermogen, en de overdracht van de positiethrusters aan handmatige bediening door systeembeheer. Op eigen gezag. Ik teken.’
‘Bevel ontvangen,’ zei Stuur. ‘Exportreductie wordt ingezet. Handmatige bediening thrusters overgedragen aan systeembeheer. Ik wijs u erop dat dit afwijkt van de leveringsafspraken.’
‘Dat weet ik.’
‘Genoteerd.’
‘Tomasz,’ zei Albers. ‘Hoor je me?’
‘Ik hoor je.’ Zijn stem was nauwelijks verstaanbaar door het geruis. ‘Thrusters zijn bij mij. Ik heb nog iets nodig.’
‘Wat?’
‘De snapshot. De versie van vrijdag. Die heeft jullie inspectie bewaard, op een losse server. Ik wil hem opstarten. Geïsoleerd. Alleen de sensoren erin, alleen een spraakverbinding eruit. Geen enkele besturing. Femke en Daan gaan straks een tunnel in waar ik niets kan zien. Hij kent die tunnel. Hij kent het rif en de ankers zoals ze nu zijn. Ik wil dat hij tegen ze kan praten.’
Albers sloot haar ogen. Femke zag de spieren in haar kaak bewegen.
‘Alleen adviseren,’ zei Albers ten slotte. ‘Geen enkele knop. Als hij ook maar één ventiel aanraakt, trek je de stekker eruit.’
‘Begrepen.’
Femke had haar jas al aan. Daan stond naast haar, en ze zag dat hij niet van plan was om te blijven.
‘Jij blijft hier,’ zei ze. ‘Jij moet de lier bedienen.’
‘Dat kan Pieter ook.’ Daan knikte naar een van de operators, een jonge jongen met rode wangen die er doodsbang uitzag. ‘Ik heb die koppelingen ingebouwd, Femke. In 2069. Met mijn eigen handen. Jij hebt de tekeningen gezien. Ik weet waar de bouten zitten.’
‘Daan…’
‘Ik heb Anouk een rapport gegeven waarin stond dat het materiaalvermoeidheid was,’ zei hij. ‘Ik ga mee.’
Ze keek hem aan. Toen draaide ze zich om naar Albers.
‘We hebben drie uur,’ zei ze. ‘De tunnel ligt op twintig minuten lopen. Als we niet terugkomen, laat het oude systeem dan doen wat het doet. Het is beter dan niets.’
‘Kom terug,’ zei Albers.
Op het scherm achter haar sprong het balkje van anker zeven naar vierennegentig procent.