Hoofdstuk 9: Hooi
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Merel schudde de telefoon, alsof dat hielp. Ze drukte op de knop. Er kwam een plaatje van een lege batterij en daarna weer niets.
'Sorry,' zei ze. 'Sorry, Ilias.'
Hij zei niets. Hij zat in het hooi met zijn rug tegen een balk en zijn knieën opgetrokken, en hij keek naar het luik, naar het vierkant van iets minder donker waar de wind naar binnen blies. Daarachter, vijfentwintig meter verderop, stond zijn huis. Zwart, zonder licht, met het luik dat sloeg. Bam. Bam.
Papa is teruggegaan. Naar huis, denkt Jurre.
'Hij kan overal zijn,' zei Merel. 'Hij kan bij de buren zijn. Hij kan op de Oude Dijk zijn en zijn telefoon kwijt zijn. Er zijn duizend dingen.'
'Ja.'
'Ik meen het.'
'Weet ik.'
Bram stond op en ging bij het luik staan. Hij keek een hele tijd naar het huis. Toen deed hij het luik dicht, tot op een kier, zodat de wind niet meer zo naar binnen sloeg.
'Eerst warm worden,' zei hij. 'Anders kunnen we straks niks meer.'
Ze groeven een kuil in het hooi. Het was Brams idee en Merel maakte het af. Ze trokken balen uit elkaar, legden een bed van los hooi, legden de natste dekens apart en de minst natte erop. Lies in het midden. Bonnie tegen haar aan. Daarna zij drieën eromheen, zo dicht mogelijk, als biggen in een stal. Ze trokken hun natte jassen uit en stopten hooi in hun truien, tegen hun buik en hun rug, omdat Bram zei dat zijn opa dat vroeger op zee met kranten deed.
Het prikte vreselijk. Het hielp.
Merel had Lies' natte vest uitgetrokken en haar eigen fleece over haar heen gelegd, de enige trui die in haar rugtas droog was gebleven. In de zak van het vest zat nog steeds het koperen lijstje. Merel haalde het eruit, veegde het glas af met haar mouw en legde het naast Lies in het hooi, met de voorkant naar boven.
'Zo kan hij meekijken,' zei ze, en ze schaamde zich meteen, dat zag Ilias aan hoe ze haar gezicht wegdraaide.
'Dank je, kind,' fluisterde Lies, zonder haar ogen open te doen.
Ilias rilde zo hard dat zijn tanden tegen elkaar sloegen. Zijn hand bonsde onder de theedoek. Zijn wang brandde waar de tak hem had geraakt. Na een tijd werd het rillen minder, en kwam er iets anders voor in de plaats, een loom, zwaar gevoel, alsof zijn lichaam ergens anders was dan zijn hoofd.
'Niet slapen,' zei Merel naast hem. 'Ilias. Niet slapen.'
'Ik slaap niet.'
'Praat dan. Zeg iets.'
'Wat dan?'
'Maakt niet uit. Iets.'
Hij dacht na. Zijn gedachten waren traag, als stroop.
'Ik weet niet of ik boer wil worden,' zei hij.
Het was stil.
'Iedereen denkt het,' ging hij verder. 'Papa denkt het. Opa Dregmans dacht het. Ik ben de oudste, het is de boerderij van mama's familie, al honderd jaar. Iedereen doet alsof het al vaststaat. En ik weet het niet. Ik vind het leuk. Op de trekker. Bij de oogst. Maar ik weet niet of ik het wil, mijn hele leven. Hier.' Hij lachte, kort en zonder plezier. 'Grappig moment om dat te zeggen. Nu er geen boerderij meer is.'
'Er is wel een boerderij,' zei Bram. 'Er staat alleen water op.'
'Heb je het tegen je vader gezegd?' vroeg Merel.
'Nee. Ik wilde… Ik dacht dat ik eerst moest laten zien dat ik het wél kon. Voordat ik mocht zeggen dat ik het misschien niet wilde. Snap je?'
'Ja,' zei Merel. 'Dat snap ik heel goed.'
Ze zweeg zo lang dat Ilias dacht dat ze niets meer zou zeggen.
'Ik heb vorig jaar een zeven komma acht gemiddeld gehad,' zei ze toen. 'Mijn moeder zei dat het goed was. Mijn vader zei niks. Hij vroeg waarom het geen acht was. Hij zei het niet eens gemeen, hè. Hij vroeg het gewoon. Alsof het een rekensom was die niet klopte.' Ze trok aan een sprietje hooi. 'Hij woont in Rotterdam nu. Hij heeft in Delft gestudeerd. Waterbouw. Hij heeft meegewerkt aan de Maeslantkering, de aanpassingen, weet ik veel. Dus ik ga ook naar Delft. Ik ga ook waterbouw doen. En ik ga beter worden dan hij. En dan…' Ze stopte. 'Ik weet niet wat dan. Ik heb nooit verder gedacht dan dan.'
'Daarom die kleurtjes,' zei Ilias.
'Daarom die kleurtjes.' Ze lachte, en het werd half een snik. 'Als alles in een schema staat, kan het niet misgaan. Dat denk ik dan. En toen kwam jij met je trekker.'
'Sorry.'
'Nee. Ik bedoel…' Ze zocht naar woorden. 'Als jij die trekker niet had gepakt, zat zij daar nog. Op die zolder. Met die barst in de muur.'
Ze keken alle drie naar Lies. Ze lag met haar ogen dicht. Haar ademhaling was rustig, misschien te rustig.
'En jij?' zei Ilias tegen Bram.
Bram zei een hele tijd niets.
'Mijn opa is in maart doodgegaan,' zei hij toen.
'Dat wist ik niet.'
'Nee. Ik heb het niet verteld.' Bram plukte aan de deken. 'Hij had een kotter. In Yerseke. De laatste jaren stuurde mijn oom, maar opa zat altijd in het stuurhuis. Ik ging mee, elke zomer, op de Oosterschelde. Hij liet me alles zien. Het getij. De platen. Hoe je aan de kleur van het water kan zien hoe diep het is. Hij praatte niet veel. Ik ook niet. Dat was fijn. Je hoefde niks.' Hij zweeg weer. 'Hij heeft 1953 meegemaakt. In Yerseke. Hij was vijf. Hij heeft het mij één keer verteld, in het museum, voor dat bord met de namen. Toen heeft hij gehuild. Ik had hem nog nooit zien huilen.'
'Daarom wist je dat getal,' zei Merel zacht. 'Die achttienhonderdzesendertig.'
'Ja.'
Niemand zei meer iets. Buiten bulderde de wind, maar minder dan eerst, dacht Ilias. Of hij was eraan gewend.
Hij wist niet hoe laat het was toen ze het geluid hoorden. Een diep, ritmisch gedreun dat van ver kwam en snel dichterbij. Het was er al voordat hij doorhad wat het was.
'Helikopter,' zei Bram, en hij was als eerste bij het luik.
Ze rukten het open. Boven de polder, laag, vloog een grote grijze helikopter, met een felle witte schijnwerper die als een voet over het water liep. Over de knotwilgen. Over een dak verderop. Over het water, dat in het licht ineens niet zwart was maar bruin, vol drijvende takken en schuim.
Ilias zwaaide met zijn armen. Merel schreeuwde. Bram pakte zijn eigen telefoon, die hij de hele tijd in de binnenzak van zijn jas had gehad, in een plastic boterhamzakje, en hij zette de zaklamp aan en zwaaide ermee, aan en uit, aan en uit.
De schijnwerper zwaaide hun kant op. Even. Ilias zag hem over het dak van het huis glijden, over de populieren.
Toen draaide hij weg. De helikopter kantelde en vloog naar het westen, naar de dijk, naar de bres, en het licht ging met hem mee, en het gedreun werd zachter en zachter tot het opging in de wind.
Merel bleef zwaaien, ook toen hij al weg was.
'Ze hebben ons niet gezien,' zei ze.
'Ze komen terug,' zei Bram.
'Dat weet je niet.'
'Nee.'
Ilias draaide zich om. Lies lag nog steeds in de kuil. Ze had zich niet bewogen bij al het lawaai. Hij kroop naar haar toe en raakte haar hand aan. Die was ijskoud. Haar lippen waren grauw in het licht van Brams telefoon.
'Mevrouw Kodde?'
Ze deed haar ogen open, half. Ze keek hem aan, maar ze leek hem niet te zien.
'Jan,' zei ze. 'Ben je daar?'
'Ik ben het. Ilias.'
'Jan, het is zo koud.'
Merel was naast hem komen zitten. Ze pakte de andere hand van Lies en wreef erover, hard, met twee handen. Ze keek naar Ilias en hij zag in haar ogen wat ze niet hardop zei. Onderkoeld. Ze had er drie EHBO-diploma's voor gehaald, en ze wist ook dat je hier, in het hooi, met natte dekens, niet veel meer kon doen.
'Ze moet naar het ziekenhuis,' fluisterde ze. 'Ze moet warm. Echt warm.'
Bram zat bij het luik. Hij had zijn telefoon uitgedaan om batterij te sparen.
En toen, in een stilte tussen twee windstoten, hoorden ze het alle drie.
Een fluitje. Een schel, hoog fluitje, drie keer kort. Een pauze. Weer drie keer kort.
Het kwam van het huis.
Ilias kende dat fluitje. Hij had het in zijn hand gehad, als kind, toen het nog aan het sleutelbos van zijn vader hing, samen met het lampje van de dijkwacht. Hij had er net zo lang op geblazen tot zijn vader het hem afpakte en zei: Dit is geen speelgoed. Dit is voor als het echt mis is.