Hoofdstuk 10: Laagwater

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

'Papa!'

Ilias hing zo ver uit het luik dat Bram hem aan zijn trui vasthield. Hij schreeuwde tot zijn keel rauw was. De wind nam zijn stem mee en gooide hem ergens in de polder neer.

Het fluitje stopte.

Toen, uit het huis, van hoog onder het dak, waar het kleine zolderraam zat dat Ilias kende omdat het naast zijn eigen kamer was, kwam een licht. Klein en geel. Het lampje van de dijkwacht. Het zwaaide heen en weer.

'Ilias?'

Het was zijn vaders stem. Schor, zwak, maar het was hem. Ilias had het gevoel dat er iets in zijn borst brak, iets wat al die uren strak gespannen had gestaan.

'Papa! Ik ben het! We zijn in de schuur!'

'Wie zijn wij?'

'Merel en Bram! En Lies Kodde! En haar hond!'

Het bleef even stil aan de overkant.

'Wat doen jullie in godsnaam in de schuur?'

En Ilias begon te lachen. Hij kon er niets aan doen. Hij hing uit het luik van de hooizolder, met hooi in zijn trui en bloed op zijn wang, en lachte en huilde tegelijk, en achter hem zei Merel: 'Dat is precies wat ik ook zei.'


Ze moesten schreeuwen om elkaar te verstaan. Vijfentwintig meter water en een storm die nog steeds niet ging liggen. Maar beetje bij beetje kwam het verhaal.

Zijn vader en Jurre hadden een natte plek gezien bij de teen van de dijk, vlak bij het gemaal, om half negen. Zand dat met het water mee naar buiten kwam. Ze hadden het gemeld en de opdracht gekregen om zich terug te trekken. Jurre was met zijn eigen auto naar de Oude Dijk gereden. Zijn vader niet.

'Ik had een berichtje van Johan Wisse. Dat hij niet door kon komen. Toen dacht ik: dan zitten ze nog thuis.'

Hij was met de pick-up naar de boerderij gereden. Alle lichten uit. De deur open. De trekker weg.

'Ik snapte er niks van. Ik dacht dat jullie naar het dorp waren. Met de trekker. Ik wilde net weer instappen toen ik het hoorde.'

Het water was gekomen terwijl hij nog op het erf stond. Eerst tot zijn enkels, toen tot zijn knieën, in een paar minuten. Hij was het huis in gerend. Bij de trap was hij uitgegleden over iets wat er niet hoorde, een speelgoedschaap van Mina, en hij was met zijn been tegen de onderste tree geslagen.

'Hij is niet gebroken, denk ik. Maar hij doet het niet meer zo goed.'

Zijn telefoon was in het water gevallen. Hij zat al uren op zolder, tussen de fotoalbums.

'Ik heb jullie gehoord. Toen jullie aankwamen. Maar ik dacht dat ik het me inbeeldde. En toen die helikopter. Toen ben ik gaan fluiten.'

Ilias leunde met zijn voorhoofd tegen de rand van het luik. Hij dacht aan zijn vader, alleen op zolder in het donker, met een kapot been, die stemmen hoorde in de storm en dacht dat hij gek werd.

'Hoe is het met Lies?' riep zijn vader.

Ilias keek om. Merel zat nog steeds bij haar en wreef haar handen. Bram had zijn trui uitgetrokken, zijn droogste kledingstuk, en om haar hoofd gewikkeld.

'Niet goed,' riep hij terug. 'Ze is te koud. Ze praat tegen haar broer.'


Ze wachtten. Er was niets anders. Het werd later, en de wind werd minder. Niet veel, maar Ilias merkte het aan het luik van het huis, dat niet meer sloeg maar alleen nog kraakte.

Bram had zijn horloge onder zijn neus gehouden en in het donker de wijzers geteld.

'Kwart voor vijf.'

'En het water?'

Bram had een lucifer uit zijn zak, een van de laatste uit het doosje van Lies, en hij streek hem aan bij het luik en hield hem naar beneden. Het water stond tegen de muur van de schuur. Bij een plank die Ilias kende. Een plank met een vlek van groene verf erop, van toen ze de deuren hadden geverfd.

'Een uur geleden stond het daar.' Bram wees naar een vlek die een flink stuk hoger zat, een donkere rand op het hout. 'Het zakt.'

'Waarom?'

'Hoogwater was om tien voor twaalf. Nu gaat het buiten weer omlaag. Om een uur of zes is het laagwater. Dan loopt er water terug door het gat. Niet alles. Maar een beetje.' Hij blies de lucifer uit. 'En om kwart over twaalf vanmiddag is het weer hoogwater. Dan komt het allemaal terug. Misschien hoger. Als de wind niet draait.'

Merel keek op. 'Dus we hebben nu een paar uur.'

'Een paar uur waarin het water rustiger is dan straks. En lager. Bij laagwater is de stroom het zwakst, een tijdje. Dan stroomt het bijna niet.' Bram keek naar Ilias. 'Mijn opa noemde dat de kentering.'

Ilias wist waar hij naartoe wilde. Hij wist het allang.

'Iemand moet naar de Oude Dijk,' zei hij. 'Met de boot. En hulp halen.'

'Ja,' zei Bram.

'Ik ga.'

'Nee,' zei Merel.

'Ik ken de polder. Ik weet waar de wegen lopen, waar de hekken staan, waar de sloten zijn. Jullie niet.'

'Je kunt niet roeien met één hand.' Merel wees naar zijn duim, die onder de theedoek dik en paars was geworden. 'En je kunt niet alleen gaan. Als je in het water valt, is er niemand. Dan zitten wij hier en weten we het niet eens.'

'Dan ga jij mee.'

Ze hield haar mond. Dat had ze niet verwacht.

'Jij hebt drie EHBO-diploma's en je zwemt wedstrijden,' zei Ilias. 'Toch? Dat heb je in de brugklas in je voorstelpresentatie gezegd. Ik zwem en ik win graag.'

'Dat weet je nog?'

'Iedereen weet dat nog.'

Ze keek naar Bram. Bram knikte.

'Ik blijf bij haar,' zei hij. 'Ik ben de grootste. Ik ben het warmst.' Hij keek naar Lies, die tussen de dekens lag met zijn trui om haar hoofd. 'En ik kan goed niks zeggen. Dat helpt soms.'

Ilias liep terug naar het luik. 'Papa!'

'Ik hoor je.'

'Merel en ik gaan met de boot naar de Oude Dijk. Bram blijft bij Lies.'

Het was zo lang stil dat hij dacht dat zijn vader het niet gehoord had. Hij wilde het net opnieuw roepen.

'Neem je de route langs de polderweg?' riep zijn vader.

Ilias knipperde met zijn ogen. 'Ja. Langs de knotwilgen. En dan bij de kruising rechtdoor, over het land van Van Damme.'

'Niet over het land van Van Damme. Daar staat een schrikdraad. Ga langs de sloot bij de Bakkers. Die is breed genoeg. Dan kom je bij de Oude Dijk bij het fietspad uit. Daar staan ze.'

'Oké.'

'Ilias.'

'Ja?'

Zijn vader zei een tijdje niets. In het licht van het lampje zag Ilias alleen een schim in het zolderraampje, maar hij wist precies hoe zijn gezicht eruitzag. Hoe zijn vader keek als hij een besluit nam en het niet leuk vond.

'Je kunt het,' zei zijn vader. 'Ga.'


Ze maakten een tweede roeispaan van een losse plank uit de vloer van de hooizolder. Bram wrikte hem los met zijn handen en Merel wikkelde een stuk touw om het ene eind, als handvat. Het was een slechte spaan. Hij was beter dan niets.

Om tien over vijf lieten ze zich langs het touw van de lier naar beneden zakken, in de Jantje. Merel eerst. Ilias daarna, met één hand en zijn voeten tegen de muur, zoals Merel had gedaan. Het water in de boot stond tot zijn enkels. Hij begon meteen te hozen.

Het was nog donker. Maar het was een ander soort donker dan eerst. In het oosten, boven de Oude Dijk, was er een streep die niet zwart was. Grijs. Vies, waterig grijs. Maar grijs.

Bram stond in het luik, boven hen, met Bonnie naast zich.

'Niet tegen de stroom in vechten,' zei hij. 'Als het gaat stromen, ga dan schuin. Altijd schuin.'

'Oké.'

'En kom terug.'

'Ja.'

Bram keek naar hem. Hij leek nog iets te willen zeggen. Toen deed hij het luik dicht, tot op een kier, en Ilias hoorde hem binnen tegen Lies praten, heel zacht. Het klonk alsof hij haar iets vertelde over een boot.

Ze roeiden weg. Langs het huis. Ilias keek omhoog naar het zolderraampje, en daar stond zijn vader. Hij stak zijn hand op. Ilias stak de zijne op.

Het water was stil. Bram had gelijk gehad. Het stroomde bijna niet. Het lag er glad en grijs bij in het eerste licht, met overal dingen die erin dreven, takken, plastic, hooi, en een eend die zat te dobberen alsof er niets aan de hand was.

Ze kwamen bij de knotwilgen. Bij de sloot van de Bakkers. Ze roeiden langs de sloot, Merel aan de ene kant met de echte spaan, Ilias aan de andere kant met de plank, die bij elke slag uit zijn handen dreigde te glippen. Ze zeiden weinig. Links. Meer links. Nu samen.

De Oude Dijk kwam dichterbij. Ilias zag hem nu echt, geen streep meer maar een helling, met huizen erop en de kerktoren en, daar, bij het fietspad, auto's met zwaailichten. Mensen. Een rubberboot van de brandweer, oranje, die op het water lag, honderden meters verderop.

'Daar!' riep Merel.

Ze zwaaiden. Ze schreeuwden. Niemand keek.

En toen schuurde er iets onder de boot.

De Jantje kwam met een schok tot stilstand. Ilias stak de plank in het water en raakte de bodem, vlakbij. Asfalt. Een weg. Ze waren op de polderweg terechtgekomen, die hier omhoog liep naar de dijk, en het water was gezakt, net genoeg om de boot te laten vastlopen.

Ze duwden. Ze trokken. De Jantje gaf geen centimeter mee.

Merel keek naar de dijk. Tweehonderd meter, misschien. Het water tussen hen en de dijk was ondiep, zag Ilias. Maar niet overal. Halverwege, waar de sloot langs de teen van de dijk liep, werd het donkerder.

'We moeten lopen,' zei Merel.

Ze stapte over de rand. Het water kwam tot haar knieën.