Hoofdstuk 11: De Oude Dijk

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ilias stapte achter haar aan. Het water was zo koud dat het voelde alsof zijn benen afgezaagd werden. Hij beet op zijn tanden.

Ze liepen hand in hand. Dat hadden ze niet afgesproken, het ging gewoon zo. Merel had zijn goede hand vast, en hij voelde haar vingers knijpen bij elke stap. Onder hun voeten was eerst het asfalt van de polderweg, glad en vlak. Daarna, waar de weg een bocht maakte, gras. Zacht en verraderlijk. Iets wat kraakte. Iets wat meegaf.

'Schuifelen,' zei Merel. 'Wat Bram zei. Schuifelen.'

Het water kwam tot hun knieën, tot hun dijen, tot hun middel. Ilias dacht aan de sloot langs de teen van de dijk, de donkere streep die hij vanuit de boot had gezien. Hij wist hoe die sloot er in de zomer uitzag. Anderhalve meter breed, vol kroos en lisdodden, met een slootkant waar zijn vader elk jaar de wilgenopslag weghaalde. Een sloot waar je overheen sprong als je acht was en niet meer bij nadacht als je zestien was.

Nu kon je niet springen. Nu kon je niet eens zien waar hij begon.

'Wacht,' zei hij.

Ze bleven staan. Ilias tastte met zijn voet. Gras. Gras. En toen niets meer. De grond hield gewoon op.

'Hier,' zei hij. 'Hier is de rand.'

Merel keek naar het water voor hen en naar de dijk erachter. Dertig meter nog. Op de helling stonden mensen. Ilias zag gele hesjes, een paar politiemensen, iemand met een camera. Niemand keek hun kant op. Iedereen keek naar het westen, naar de zeedijk, waar de bres was.

'Ik zwem,' zei Merel.

'Nee. We doen het samen.'

'Ilias. Je hebt één hand.'

'Dan zwem ik met één hand.'

Ze keek hem aan, en toen deed ze iets wat hij niet had verwacht. Ze lachte. Een echte lach, met haar hoofd achterover.

'Je bent echt onmogelijk,' zei ze. 'Oké. Samen. Maar als ik zeg dat je me moet vasthouden, houd je me vast.'

'Oké.'

'Beloofd?'

'Beloofd.'

Ze liet zich naar voren vallen, het water in. Ilias ging achter haar aan.


De sloot was dieper dan hij had gedacht. Of het water was hoger. Zijn voeten raakten niets meer en hij zonk, en het water sloot zich boven zijn hoofd, en alles was weer zwart en koud zoals bij de schuur van Lies. Hij trapte. Hij kwam boven. Hij sloeg met zijn goede arm en de andere arm deed niet mee, die hing als een natte zak aan zijn schouder, en het water trok aan zijn jas en zijn schoenen.

'Vasthouden!' riep Merel.

Ze was naast hem. Ze greep de kraag van zijn jas en trok hem op zijn rug, met zijn gezicht naar de lucht, en ze zwom. Op haar zij. Met één arm en twee benen, rustig, krachtig, alsof ze dit al duizend keer in een zwembad had geoefend. Wat ze waarschijnlijk ook had. Ilias lag op zijn rug en keek naar de lucht, die grijs was en laag, met flarden wolk die nog steeds hard naar het oosten joegen, en hij hield haar arm vast zoals hij beloofd had.

Hij voelde de bodem weer. Grond. Gras, hellend omhoog.

Ze kropen de dijk op. Op handen en voeten, door de modder, en toen ze bijna boven waren, kwam er een man in een geel hesje naar beneden rennen, en nog een, en iemand riep hier, hier, er komen er twee uit het water, en er waren ineens handen overal.

Ilias werd omhoog getrokken. Iemand sloeg een deken om hem heen, een zilveren, die knisperde. Iemand scheen met een lampje in zijn ogen. Iemand vroeg hoe hij heette en hoe oud hij was en of hij wist welke dag het was.

'Vrijdag,' zei hij. 'De vijftiende.' Hij greep de arm van de man met het lampje. 'Luister. Er zitten er nog drie. In de hooischuur van de Haddous. Aan de polderweg. Een oude vrouw, vierennegentig, onderkoeld. Een jongen van zestien. En mijn vader zit op de zolder van het huis ernaast met een kapot been.'

De man keek hem aan. Hij had een rood gezicht en een snor en op zijn jas stond Brandweer Zeeland.

'Haddou,' zei hij. 'Karim Haddou?'

'Ja.'

'Die zoeken we al de hele nacht.'

Hij draaide zich om en riep iets in zijn portofoon, en daarna riep hij iets naar beneden, naar de rubberboot die aan de voet van de dijk lag, en Ilias hoorde de motor van de boot aanslaan.

'Weet je de weg?' vroeg de man.

'Ja.'

'Kun je mee?'

Hij keek naar Merel. Ze zat op de grond, in een zilveren deken, en een ambulancebroeder hield een zuurstofkapje voor haar gezicht. Ze duwde het opzij.

'Ga,' zei ze. 'Wat sta je daar nou nog.'


De rubberboot was snel. Veel sneller dan de Jantje. Ilias zat voorin, op de rand, met een reddingsvest aan dat iemand over zijn hoofd had getrokken, en hij wees. Daar langs. Langs de sloot. Nee, niet over het land, daar staat schrikdraad. Daar. De knotwilgen.

De brandweerman achter hem stuurde en zei niets, behalve oké en begrepen. Er zaten nog twee anderen in de boot, een vrouw met een rugzak met een rood kruis erop en een jonge man die er niet veel ouder uitzag dan Ilias.

Het water begon weer te bewegen. Ilias zag het aan de takken die in de sloot dreven. Eerst hadden ze stilgelegen. Nu dreven ze weer, langzaam, van de Oude Dijk af, naar de zeedijk toe. De kentering. Het water liep terug door het gat, naar buiten. Over een paar uur zou het weer de andere kant op gaan.

De populieren. De schuur. Het huis.

Bram stond in het luik van de hooizolder. Hij stond daar al, alsof hij er de hele tijd had gestaan, en toen hij de boot zag, stak hij zijn arm op. Gewoon zijn arm. Niet zwaaien. Alleen opsteken.

In het zolderraampje van het huis zwaaide een geel lampje heen en weer.


Het ging daarna snel en ook weer niet. De brandweerman en de jonge man gingen via het touw van de lier de hooizolder op. De vrouw met de rugzak ging erachteraan. Ilias moest in de boot blijven. Hij hoorde stemmen boven, kort en zakelijk. Temperatuur. Kun je me horen, mevrouw? Rustig, rustig.

Ze lieten Lies naar beneden zakken op een brancard die je kon opvouwen, vastgegespt, ingepakt in zilver als een cadeautje. Ze was wakker. Ze knipperde met haar ogen tegen het grijze licht.

Bonnie kwam erachteraan, in Brams armen. Bram zelf kwam als laatste. Hij ging naast Ilias zitten in de boot, en hij was zo koud dat Ilias het door twee jassen heen voelde.

'Hoi,' zei Bram.

'Hoi.'

'Je bent teruggekomen.'

'Ik had het beloofd.'

Daarna haalden ze zijn vader. Dat duurde langer. Het zolderraampje was te klein, en ze moesten de pannen eruit halen, een stuk van het dak openbreken, net als Lies' vader in 1953. Ilias zat in de boot en keek ernaar. Toen ze zijn vader eindelijk naar beneden lieten zakken, op dezelfde brancard als Lies, met zijn been in een spalk, zag Ilias dat hij een van de fotoalbums op zijn buik had. Het album van toen Ilias geboren was. Blauw, met een ooievaar op de kaft.

'Die andere zeven liggen nog boven,' zei zijn vader. 'Daar moeten we later maar voor terugkomen.'

Ilias wilde iets zeggen. Hij wist niet wat. Hij pakte de hand van zijn vader, en zijn vader kneep erin, hard, en ze zeiden geen van beiden iets, en dat was genoeg.


Op de Oude Dijk stonden twee ambulances klaar. Ze droegen Lies als eerste naar boven. Ilias liep ernaast, op blote voeten, want zijn schoenen waren ergens in de sloot gebleven. Merel stond bovenaan. Ze had haar zilveren deken nog om en een beker thee in haar hand, en toen ze Bram zag, liet ze de beker vallen en vloog ze hem om zijn nek. Bram stond daar met zijn armen langs zijn lichaam en wist niet wat hij moest doen. Toen sloeg hij ze om haar heen.

Bij de deur van de ambulance stak Lies haar hand uit onder het zilver. Ze zocht. Ilias pakte hem.

Haar hand was nog steeds koud, maar minder koud. Ze keek hem aan. Deze keer zag ze hem wel.

'Ilias,' zei ze. 'Van de boerderij.'

'Ja.'

'Ik dacht vannacht dat je Jan was.' Ze glimlachte. 'Hij zou je aardig hebben gevonden. Hij liet ook nooit los.'

Toen tilden ze haar naar binnen en gingen de deuren dicht.