Hoofdstuk 12: Wolkje twee

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Een week later stond er weer een schaap op tafel.

Het was een andere tafel, in de woonkamer van oma Dregmans in Goes, met een gehaakt kleedje eronder en uitzicht op een rij geparkeerde auto's in plaats van op de populieren. Het was ook een ander schaap. Oma had hem gemaakt, met schuimpjes in plaats van slagroom, omdat die beter bleven staan, en zijn poten waren van chocola. Mina had hem Wolkje Twee genoemd.

'Wolkje Een is opgegeten in de auto,' had ze aan iedereen uitgelegd. 'Door Fenna. Omdat ze honger had van het huilen.'

Fenna, die naast haar zat, knikte ernstig.

Er zaten veel te veel mensen in veel te weinig kamer. Fenna en Sofie en hun moeders. Oma. Ilias' moeder, die steeds opstond om thee te zetten en weer ging zitten zonder thee. Zijn vader, in de leunstoel bij het raam, met zijn been op een krukje en zijn krukken tegen de vensterbank. Het was gekneusd, niet gebroken, en hij had een scheurtje in een kniebandje. Over zes weken liep hij weer, zei de dokter. Over zes weken liep hij weer op de dijk, zei zijn vader.

Merel was er. En Bram, met zijn vader Johan, die een grote doos bonbons had meegenomen en zich steeds verontschuldigde dat hij die nacht niet door was gekomen, tot Ilias' moeder zei dat hij daar nu echt mee moest ophouden.

Mina blies negen kaarsjes uit. Ze deed er vier keer over, omdat de kaarsjes in de schuimpjes wegzakten.

'Wat heb je gewenst?' vroeg Sofie.

'Dat zeg je toch niet.'

'Ja, wel. Dat mag als het een week te laat is.'

Mina dacht na. Ze keek naar Ilias, die op de grond zat met zijn rug tegen de bank en zijn hand nog steeds in het verband, vier hechtingen in de muis van zijn duim.

'Dat we terug mogen,' zei ze. 'Naar huis.'


Het huis was er nog. Dat was het eerste wat ze hadden gehoord, op zaterdagmiddag, toen een man van het waterschap had gebeld. De muren stonden. Het dak was beschadigd waar de brandweer de pannen eruit had gehaald, maar het stond. De benedenverdieping was vergaan. De keuken, de vloer, de bank, Mina's speelgoed, de bekertjes ranja op het aanrecht. Alles waar het water anderhalve dag tegen had gestaan, moest eruit.

De schapen hadden het gehaald. Alle twaalf. Ze hadden de hele nacht op de verhoogde strook naast de oprit gestaan, met het water tot hun buik, en een boer uit het dorp had ze zondag met een platte kar en een trekker opgehaald. Bram had gelachen toen hij het hoorde, voor het eerst die week.

'Jouw vader dacht het,' had hij gezegd. 'Dat ze hoog genoeg stonden.'

De bres was gedicht. Niet echt, nog niet. Het waterschap had in drie dagen en drie nachten een nooddijk gemaakt van zand en klei en grote zakken met stenen, achter het gat, met hulp van Defensie en tientallen vrachtwagens. Ilias had het op het nieuws gezien. Er waren beelden van een helikopter, en toen ze over de polder vlogen, zag hij heel even zijn eigen schuur, met het luik van de hooizolder, en daarnaast de Jantje, die nog steeds aan de haak van de lier hing.

De echte dijk zou volgend jaar opnieuw worden gebouwd. Hoger. Breder. Er werd gepraat over wat er mis was gegaan, over metingen en zandmeevoerende wellen en over een oude kreek die onder de dijk door liep, precies daar, bij het gemaal, waar niemand er meer aan had gedacht. Lies had het geweten, dacht Ilias. Daar wil het water heen.

Het gemaal stond er nog. Het bankje niet.

Het zou weken duren voordat de polder droog was. Er waren grote pompen gebracht, die dag en nacht draaiden. Daarna moest het land worden doorgespoeld, want het water was zout geweest, en op zout land groeit niets, een jaar lang niet, of twee jaar.

In de Kalverpolder waren die nacht geen doden gevallen. Een man in een huis aan de andere kant van het dorp had twee dagen in het ziekenhuis gelegen. Een vrouw had haar arm gebroken toen ze van haar zolder op een boot stapte. Er waren drieëntwintig schapen verdronken, en twee paarden, en ontelbare hazen en mollen en muizen.

En verder niemand.

Het was het enige wat Ilias steeds dacht, als hij 's nachts wakker lag op het matras in de logeerkamer van oma. Niemand. Hij kon het niet goed bevatten. Hij dacht steeds aan dat getal op het bord in het museum. Achttienhonderdzesendertig. Hij dacht aan Lies' opa en oma in het arbeidershuisje zonder zolder. Aan het verschil tussen toen en nu: een fluitje dat 's nachts een alarm was geworden op elke telefoon, een radio die niet meer om middernacht stopte, mensen die wisten dat ze weg moesten, en de meesten die ook echt gingen.

De meesten.


Lies lag in het ziekenhuis, op de derde verdieping, in een kamer met uitzicht op de parkeerplaats. Ze zat rechtop in bed toen ze op woensdag kwamen, met haar witte knot en het roze vest, dat iemand voor haar had gewassen.

'Daar is de jeugd,' zei ze.

Ze bleven een uur. Ze had een longontsteking gehad, die nu beter ging, en ze had haar heup gekneusd toen ze door het raampje ging. Ze zou naar een revalidatiecentrum gaan en daarna, zei ze, weer naar huis.

'Naar huis?' zei Merel. 'Echt?'

'Als het huis er nog staat. Ruud zegt dat die barst er nog zit. Ze moeten de gevel opnieuw metselen.' Ze keek naar het raam, naar de parkeerplaats, alsof daar de Westerschelde lag. 'Ik wil 's ochtends de schepen zien.'

'U bent echt onmogelijk,' zei Merel, en Lies lachte zo hard dat de verpleegkundige kwam kijken.

Voordat ze weggingen, haalde Lies iets uit het laatje van het nachtkastje. Het koperen lijstje. De foto van Jan, met zijn pet en zijn flaporen en zijn fiets. Het glas was gebarsten, er zat een vochtvlek in de hoek, maar je zag hem nog goed.

'Voor jullie project,' zei ze. 'Je mag hem scannen. Maar ik wil hem terug.'


Ze hielden de presentatie op de laatste maandag van november, in het lokaal van meneer Dekker, voor een klas van achtentwintig leerlingen die allemaal al wisten wat er gebeurd was, omdat het in elke groepsapp had gestaan.

Merel had een presentatie gemaakt. Natuurlijk had ze dat. Met kopjes in drie kleuren en een grafiek van de zeespiegel bij Vlissingen en een kaartje van de Kalverpolder met een rode stip waar de bres was geweest.

Maar toen meneer Dekker zei dat ze konden beginnen, deed ze iets wat Ilias niet had verwacht. Ze klikte de eerste dia weg. En de tweede. Ze ging naar de dia met de foto van Jan, en daar bleef ze staan.

'Bram begint,' zei ze.

Bram keek haar aan alsof ze hem had verraden. Toen stond hij op. Hij vertelde over zijn opa. Over Yerseke en 1953 en het bord in het museum. Hij praatte zacht en kort, en het was doodstil in de klas.

Daarna liet Merel de opname horen. Lies' stem, schor en piepend door de speakers. Ik werd wakker omdat mijn broer Jan aan mijn arm trok.

En daarna keek ze naar Ilias.

Hij had niets voorbereid. Hij stond op en keek naar de klas, en hij wist even niet wat hij moest zeggen. Toen zei hij het eerste wat er in hem opkwam.

'Ik dacht dat het mijn schuld was,' zei hij. 'Dat we daar zaten. Op die zolder. En ik denk nog steeds dat ik het anders had moeten doen. Ik had moeten bellen. Ik had moeten wachten. Ik weet het niet.' Hij keek naar Merel, en naar Bram. 'Maar ik weet wel dat ik het niet alleen had gekund. Geen enkel stuk ervan.'

Hij ging zitten. Niemand klapte. Toen klapte meneer Dekker, langzaam, en daarna de rest.

Ze kregen een acht komma twee. Merel heeft er nooit iets over gezegd.


Op zondag reed zijn moeder hem naar de Oude Dijk. Zijn vader zat naast haar, met zijn krukken tussen zijn knieën. Ze parkeerden bij de kerk en zijn vader hinkte de dijk op, langzaam, en Ilias ging naast hem staan.

Het water in de polder was gezakt. Je zag de daken weer, en de bovenkant van de hekken, en de knotwilgen tot hun knotten. Er stonden reigers in het ondiepe water, roerloos, op één poot. Ver weg, bij de zeedijk, draaiden de pompen, en daarachter de windmolens. Het was een heldere dag, koud en stil, met een lucht die eruitzag alsof de storm hem had schoongeveegd.

'Mama zegt dat je iets wilde zeggen,' zei zijn vader.

Ilias keek naar de polder.

'Ik weet niet of ik boer wil worden,' zei hij.

Zijn vader knikte. Hij keek ook naar de polder.

'Ik wist het op jouw leeftijd ook niet,' zei hij. 'Mijn vader werkte in de haven in Vlissingen. Ik wilde automonteur worden. Ik ben boer geworden omdat ik verliefd werd op je moeder. En daarna op dit.' Hij wees met zijn kruk naar het land, het water, de reigers. 'Dat duurde tien jaar.'

'Tien jaar?'

'Je hoeft het nu niet te weten, Ilias. Je hoeft het over vijf jaar ook niet te weten.' Hij leunde op zijn kruk en keek opzij, naar zijn zoon. 'Maar als je het ooit wilt, dan kun je het. Dat weet ik nu wel.'

Ilias zei niets. Hij keek naar de polder, naar het water dat nog steeds zakte, centimeter voor centimeter, naar de daken die eruit opdoken alsof het land langzaam wakker werd.

Ergens daar, bij de populieren, hing een rode ballon in de kruin van een boom. Hij was nog niet leeg.