Hoofdstuk 8: Thuis

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Het ging zo snel dat Ilias later niet meer wist in welke volgorde alles gebeurd was.

De boot schoot weg. Niet vooruit, niet achteruit, maar schuin, opzij, alsof iemand hem aan een touw de nacht in trok. De golven waren hier hoger. Ze kwamen van alle kanten tegelijk en ze waren kort en hard en ze sloegen over de rand. Lies had haar armen om Bonnie heen geslagen en haar hoofd naar beneden gebogen. Merel lag plat op de bodem en hield zich met twee handen aan het middenbankje vast. Bram had de roeispaan nog en probeerde te sturen, maar sturen was het niet. Hij hield alleen de neus van de boot in de stroom, zodat ze niet omsloegen.

'Laag blijven!' schreeuwde hij. 'Iedereen laag!'

Er dreef een boom langs. Een hele boom, met wortels en al, een populier misschien, en de takken staken als vingers uit het water. Hij draaide om zijn as en kwam op hen af. Bram duwde met de spaan tegen de stam. De boot schampte langs de takken. Iets kraste over Ilias' wang. Toen was de boom voorbij en verdween hij in het donker, en Ilias voelde warm bloed over zijn kaak lopen en voelde het niet.

Ze werden meegesleurd langs de schim van een schuur, met water tot aan de dakgoot. Langs een auto, waarvan alleen het dak nog boven het water uitstak, met een fietsendrager erop. Langs een rij knotwilgen, die Ilias herkende. De knotwilgen bij de sloot van de Bakkers. Die stonden aan de polderweg.

Ze werden naar binnen gedreven. De polder in. Naar het midden.

'Ilias!' riep Merel. 'Waar zijn we?'

Hij gaf geen antwoord. Hij wist het, maar hij kon het niet zeggen.


Het hek kwam uit het niets. Een stalen hek, een veehek, met vijf buizen. Het stond schuin in het water, half losgerukt van zijn paal, en de Jantje knalde er met haar zijkant tegenaan. De klap ging door de hele boot. Ilias werd naar voren geslingerd, over de rand.

Hij lag in het water.

Het was nog kouder dan bij de schuur, als dat kon. De stroom pakte hem en trok hem onder het hek door. Zijn jas zoog zich vol. Zijn schoenen trokken hem omlaag. Hij sloeg met zijn armen en raakte niets, en toen raakte hij iets, een buis van het hek, en hij greep die vast met zijn goede hand.

Het water drukte hem ertegenaan. Hij kon zijn hoofd net boven water houden. Net. Elke golf ging over hem heen en elke keer dacht hij: nu, nu laat ik los.

Niet loslaten.

Hij hoorde het in zijn hoofd met een stem die niet van hem was. Een jongensstem. Een stem van iemand die hij nooit had gekend.

Toen pakte iemand zijn pols vast.

Bram lag plat over de rand van de boot, die nog steeds tegen het hek klem lag, met zijn armen tot zijn schouders in het water. Merel hing aan Brams benen, zodat hij er niet in zou glijden. Bram trok. Ilias trok. Het hek kraakte. De boot helde zo ver over dat het water erin liep, en Lies schreeuwde iets, en toen lag Ilias ineens op de bodem van de Jantje, tussen de benen van Merel en de natte vacht van Bonnie, en hij hoestte en hoestte en spuugde water dat naar zand en olie smaakte.

'Dank je,' zei hij, toen hij weer kon praten.

'Hou je bek,' zei Bram. Het was het eerste lelijke woord dat Ilias ooit uit zijn mond had gehoord.

Het hek liet los. Of de boot liet los van het hek. Ze dreven weer. Maar langzamer nu. De stroom was minder hard. Ze waren uit de baan van de bres geslingerd, aan de andere kant, en het water om hen heen werd weer een donkere, rimpelende vlakte.

En toen zag Ilias de populieren.


Ze stonden er nog. Niet allemaal. Twee waren omgewaaid en lagen dwars over de oprit, en het water kabbelde om hun kruinen heen. Maar de andere stonden er nog, in een rij, en daarachter stond het huis, en daarnaast de grote schuur.

Zijn huis.

Het water stond tot halverwege de ramen van de benedenverdieping. Er brandde geen licht. Een van de luiken was losgerukt en sloeg tegen de gevel, keer op keer, bam, bam, bam. Uit het keukenraam, dat openstond of kapot was, dreven dingen naar buiten. Een stoel. Een plastic bak. Een ballon. Een rode ballon, nog vol, aan een lint, die op het water danste.

Daarna nog een. Een gele.

Mina's ballonnen. Die aan de lamp boven de tafel hadden gehangen.

Ilias zat op de bodem van de boot en keek ernaar. Hij dacht aan Wolkje, de taart, op Mina's schoot in de auto. Hij dacht aan de papieren kroon op de grond. Hij dacht aan de fotoalbums in de verhuisdoos op zolder, en hij keek naar het dak van het huis en hoopte dat het hoog genoeg was. Hij dacht aan zijn moeder die zijn gezicht vasthield met allebei haar handen.

Merel legde haar hand op zijn rug. Ze zei niets. Dat was het beste wat ze had kunnen doen.

Een tijdje dreven ze alleen maar. Bram roeide niet. Hij hield de spaan stil in het water, zodat de boot niet draaide, en liet de laatste restjes stroom hen langzaam over het erf duwen. Langs de kar met uien, die zijn vader die middag nog naar binnen had gezet en die nu toch buiten stond, omgekiept, met de uien als honderden kleine, bleke ballen om zich heen in het water. Langs de paal van het erflicht, dat niet meer brandde. Langs het hek bij de verhoogde strook.

Daar stonden de schapen. Ilias zag ze pas toen een van hen blaatte. Ze stonden dicht tegen elkaar aan, tot hun buik in het water, met hun koppen omhoog. Hij telde ze. Twaalf.

'Ze staan hoog genoeg,' zei Bram zacht. Het was geen vraag.

'Is dit…' begon Lies.

'Ja,' zei Ilias.

'De schuur,' zei Bram. 'Is er een zolder?'

Ilias knikte. 'Een hooizolder. Met een luik aan de voorkant. Daar laadden ze vroeger het hooi naar binnen.'

'Hoe hoog?'

'Hoger dan het huis.'

Bram keek naar de schuur. Naar het luik, hoog in de voorgevel, onder de nok. Het zat dicht. Het water stond tot ver boven de grote deuren, maar het luik zat nog meer dan twee meter boven het water.

'Dan gaan we daarheen,' zei hij.


Het luik ging open naar binnen. Ilias wist dat, omdat hij het zelf honderd keer open had gedaan, van binnenuit, om in de zomer koelte binnen te laten. Van buitenaf was het een ander verhaal. Bram roeide de Jantje onder het luik. Ilias ging staan, met zijn voeten wijd op de bodem van de wiebelende boot, en reikte omhoog. Hij kon de onderrand net raken. Hij duwde. Het luik bewoog niet.

'Op mijn schouders,' zei Bram.

'De boot slaat om.'

'Dan gaan we zwemmen. Kom.'

Merel ging aan de ene kant zitten, Lies aan de andere, om de boot in evenwicht te houden. Bram knielde. Ilias klom op zijn schouders, en Bram kwam overeind, trillend, en Ilias duwde met twee handen en zijn hoofd tegen het luik. Er knapte iets. De klink aan de binnenkant, waarschijnlijk. Het luik zwaaide open en Ilias viel half naar binnen, op een bed van droog, prikkend, zoetgeurend hooi.

Hij lag daar even. Het rook naar de zomer. Naar juli, naar de dagen dat hij met zijn vader de balen naar boven had gehesen met de lier.

De lier.

Hij kroop terug naar het luik. Boven het luik stak een balk naar buiten, met aan het eind een katrol. Daar hing nog het touw aan, opgerold, met de haak eraan.

Ze hesen Lies naar boven in een tuigje dat Bram van het touw had geknoopt, onder haar armen door en om haar middel. Ze hesen Bonnie naar boven in een deken. Merel klom zelf, langs het touw, met haar voeten tegen de muur, alsof ze dat elke dag deed. Bram als laatste. Hij bond de Jantje vast aan de haak.

Daarna lagen ze met zijn vieren en een hond in het hooi, in het pikkedonker, en niemand zei iets.


Merel zette haar telefoon aan. Het scherm lichtte op, zo fel dat het pijn deed aan Ilias' ogen. Vier procent. Ze zette hem van vliegtuigmodus af. Een balkje bereik. Toen nog een.

Het toestel trilde. Eén keer, twee keer, vijf keer. Berichten die de hele tijd hadden gewacht.

Merel las. Haar gezicht veranderde. Ze keek op, naar Ilias, en ze gaf hem de telefoon.

Het was zijn moeder. Het bericht was van een uur geleden.

Ilias, ik weet dat je dit leest via Merel. Jurre is gevonden bij de Oude Dijk. Hij zegt dat papa en hij net van de dijk af waren toen hij brak. Papa is teruggegaan. Naar huis, denkt Jurre, om jullie te halen. Niemand weet waar hij is. Lieverd, als je hem ziet…

Het bericht ging verder, maar Ilias kon het niet meer lezen, want het scherm werd zwart.