Hoofdstuk 7: Rode lampjes
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Lies door het raampje krijgen was erger dan de vlizotrap. Het raampje was zo smal dat Ilias er zelf alleen schuin door paste, en Lies was stijf van de kou en van het liggen en van vierennegentig jaar.
'Ik ga niet,' zei ze. 'Laat me hier. Neem de hond mee.'
'Nee,' zei Merel.
'Kind…'
'Nee.' Merel zat op haar knieën naast het matras en hield Lies' handen vast. 'U heeft vanmiddag gezegd dat Jan de hele nacht niet loslaten zei. Dat heb ik op mijn telefoon staan. Ik kan het laten horen.'
Lies keek haar aan. Toen keek ze naar de barst in de muur, die nu in het kaarslicht als een zwarte ader over de stenen liep.
'Je bent een vreselijk kind,' zei ze. 'Help me dan.'
Ze deden het zo: Bram zat al in de boot, die tegen de gevel onder het raampje dreef, zo hoog nu dat de rand bijna tegen de dakgoot kwam. Ilias zat schrijlings op de vensterbank. Merel hielp Lies van achteren omhoog, Ilias pakte haar onder haar armen, draaide haar, en liet haar langzaam zakken, voeten eerst, tot Bram haar benen had en haar naar beneden kon leiden. Ze schreeuwde één keer, toen haar heup langs het kozijn schuurde. Daarna zat ze op het bankje achter in de Jantje, met drie dekens om haar heen en haar handtas op schoot, en ze zei: 'Zo. Dat was dat.'
Bonnie sprong zelf. Ze stond even in het raampje, met haar poten op de rand, en keek naar het water, en toen naar Merel, en toen sprong ze, met een boog die Ilias niet van een hond van twaalf had verwacht, en landde boven op Lies.
Merel ging als laatste. Ze nam de emmer mee. En de kaart van de Westerschelde, opgerold onder haar jas.
'Waarom heb je die mee?' vroeg Ilias.
'Weet ik niet. Bram had hem gepakt. Ik dacht dat hij een reden had.'
Bram haalde zijn schouders op. 'Hij hing daar gewoon.'
Ilias maakte de knoop van de dakgoot los. De wind had de Jantje meteen te pakken. Hij draaide om zijn as, een halve slag, en het huis van Lies schoof uit het licht van Merels telefoon weg, het rode pannendak, het raampje waar nog één kaars achter brandde.
Niemand had eraan gedacht hem uit te blazen.
'Waar gaan we heen?' vroeg Merel. Ze zat op haar knieën op de bodem van de boot en hoosde al. Het lek bij de naad was klein. Maar het hield niet op.
Ilias keek om zich heen. Het was eerst alleen maar zwart. Toen wenden zijn ogen eraan en zag hij de vormen. De dijk achter hen, een lange, donkere rug tegen een iets minder donkere lucht. De rode lampjes van de windmolens daarop, knipperend, altijd op hetzelfde ritme. En de andere kant op, ver weg, de lage streep van de Oude Dijk, met de kerktoren als een spijker erin. Witte lichtjes. Een blauw licht dat ronddraaide. Een ambulance, of brandweer.
'Daar,' zei hij. 'Naar de kerk.'
'Hoe ver?'
'Twee kilometer. Iets meer.'
'Met een lekke boot en een schop.'
'Ja.'
'Oké,' zei Merel, en ze hoosde door.
Bram zat op het middenbankje met de roeispaan. Ilias zat voorin met de schop. Ze hadden niet afgesproken wie wat deed. Het was gewoon zo gegaan.
'De windmolens moeten achter ons blijven,' zei Bram. 'Dan varen we van de zeedijk af. Als je de rode lampjes recht achter je hebt en de kerk recht voor je, zit je goed.'
'En de wind?'
'De wind is noordwest. Die komt van zee. Die duwt ons de goede kant op.' Hij stak de spaan in het water. 'Die helpt.'
Het klonk zo eenvoudig.
Ilias keek nog één keer om, naar de rode lampjes. Ergens links daarvan, waar hij niets kon zien, lag het gemaal. Hij probeerde zich te herinneren hoe het eruitzag. Een bakstenen gebouwtje met een groene deur en een jaartal boven de ingang, 1957, en een bankje ernaast waar zijn vader in de zomer zijn boterham at als hij aan de dijk werkte. Hij had daar als kind op dat bankje gezeten met een ijsje en naar de schepen gekeken, en zijn vader had hem de namen geleerd. Containerschip. Bulkcarrier. Loodsboot. Die gele daar, die brengt de loods naar het grote schip, anders vindt het de weg niet naar Antwerpen.
Hij wist niet of het gemaal er nog stond. Hij wist niet of het bankje er nog stond.
'Ilias,' zei Merel. 'Roei nou.'
Hij roeide.
De eerste vijf minuten ging het goed. Ze roeiden met de wind in hun rug en de Jantje schoot vooruit, sneller dan Ilias had durven hopen. Het water was hier rustiger dan bij het huis, een donkere vlakte waar dingen in dreven die Ilias niet goed kon zien en niet goed wilde zien. Een stoel. Een autoband. Een kliko, rechtop, half gezonken, als een man die tot zijn nek in het water stond.
Ze voeren over een akker. Dat wist Ilias doordat hij met de schop de bodem raakte en er klei aan bleef plakken. Over een sloot, waar de schop ineens niet meer raakte. Over een weg. Hij zag het bord van de Zeedijkweg onder hen langs schuiven, net onder het water, wit met zwarte letters.
Lies wees.
'Niet naar rechts,' zei ze. 'Daar loopt de oude kreek.'
'Welke kreek?'
'Van vroeger. Van voor de polder. Ze hebben hem dichtgegooid toen ze het land maakten, maar het is daar nog steeds lager. Piet zei altijd dat je bij hoogwater daar de kwel zag opkomen, in de wei.' Ze keek om zich heen alsof ze in het donker de wei kon zien. 'Daar wil het water heen. Daar gaat het hard.'
Ilias keek naar Bram. Bram knikte. Ze stuurden naar links, weg van waar Lies had gewezen.
Merel hoosde. Elke keer als de emmer leeg was en ze hem weer onderdompelde in de boot, zei ze een getal. Ilias had eerst niet door wat ze deed. Toen begreep hij dat ze telde. Vierendertig. Vijfendertig. Hoeveel emmers per minuut. Of de boot sneller volliep dan zij kon hozen.
'En?' vroeg hij.
'Het gaat. Als het niet erger wordt.'
Na tien minuten was de kerk nog net zo ver weg als eerst. Zo leek het tenminste. De lichtjes op de Oude Dijk waren niet groter geworden. Maar de rode lampjes van de windmolens wel. Ze waren dichterbij gekomen, aan de linkerkant.
'Bram.'
'Ik zie het.'
'Waarom gaan we die kant op?'
'De stroom.' Bram trok harder aan de spaan. Ilias zag de spieren in zijn onderarmen aanspannen onder zijn natte T-shirt. 'Het water van de bres. Het gaat de polder in, en het waaiert uit. We zitten aan de rand ervan.'
Nu voelde Ilias het ook. De boot werd niet meer alleen van achteren geduwd door de wind. Hij werd ook van opzij geduwd. Van rechts naar links, langzaam, sterker, en het water om hen heen begon te veranderen. Het rimpelde niet meer. Het golfde. Kleine, korte, steile golfjes, die tegen de zijkant van de Jantje sloegen en over de rand spatten, op Lies' dekens, in de boot. Merel hoosde sneller. Ze telde niet meer.
En toen hoorde Ilias het weer. Het gebulder. Niet zo hard als bij de dijk, maar het was er. Ergens links van hen, vlakbij.
'We moeten rechts,' riep hij. 'Rechts!'
'Rechts is de kreek!'
'Dat weet ik!'
Hij stak de schop zo diep als hij kon in het water en trok. De boot draaide een klein beetje bij. Bram roeide aan de andere kant. Ze zwoegden. Ze schreeuwden naar elkaar, nu, nu, samen, zonder te weten wat ze eigenlijk zeiden.
Het hielp. Een minuut. Twee. De boot kwam langzaam weer in de goede richting, met de rode lampjes achter hen. Ilias voelde iets wat op hoop leek.
Toen raakte de schop iets hards.
Een hek. Een draadhek, van een weiland, waarvan alleen de bovenste draad nog net onder het wateroppervlak lag. De schop bleef erachter haken. De steel werd uit zijn handen gerukt, zo plotseling dat zijn verbonden duim omboog en hij het uitschreeuwde van de pijn.
De schop was weg.
En de Jantje, die op dat moment met zijn neus tegen het hek lag, draaide om, langzaam, als de wijzer van een klok, tot hij dwars op de stroom lag. Het water sloeg over de rand. Lies gilde. Bonnie blafte. Merel liet de emmer vallen en greep zich vast.
Ilias keek op. In het licht dat van de lucht kwam, zag hij wat er voor hen lag. Een brede, snelle baan van water, gladder en lichter dan de rest, die zich als een rivier door de polder trok.
Het water van de bres.
De Jantje gleed van het hek af en werd erin gezogen.