Hoofdstuk 6: De Jantje
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
'Er ligt een boot in de schuur,' zei Bram.
Hij zei het op dezelfde toon als waarop hij in de klas zei dat er een fout in een formule stond. Zonder op te kijken. Alsof het niet belangrijk was.
Ilias staarde hem aan. 'Wat?'
'Vanmiddag. Toen we de fietsen neerzetten. Ik heb door het raam gekeken. Er ligt een boot. Op twee schragen. Ondersteboven.'
Merel was overeind gekomen, zo snel dat ze haar hoofd stootte tegen een balk. Ze vloekte niet eens. 'Is dat zo?' vroeg ze aan Lies. 'Mevrouw Kodde? Heeft u een boot?'
Lies deed haar ogen open. Het duurde even voordat ze begreep wat ze vroegen.
'De Jantje,' zei ze. 'Van Piet. Hij viste ermee, op de kreek achter de dijk. Die ligt daar al sinds hij dood is. Zeven jaar. Ruud wilde hem verkopen.' Ze keek naar Bram. 'Ik weet niet of hij nog drijft, jongen.'
'Is het aluminium?'
'Ja. Een vlet. Piet zei dat aluminium nooit kapotging.'
'Roeispanen?'
'Die hingen aan de muur.'
Bram stond al. Hij trok zijn jas uit. Daarna zijn trui. Hij stond in zijn T-shirt op de koude zolder en Ilias zag kippenvel op zijn armen springen.
'Wat doe je?'
'Natte kleren worden zwaar,' zei Bram. 'Mijn opa zei dat je in koud water je jas uit moet doen als je moet zwemmen. Anders trekt hij je naar beneden.' Hij schopte zijn schoenen uit. 'Je moet ze wel aanhouden als je loopt, eigenlijk. Vanwege glas en zo. Laat maar.' Hij trok ze weer aan.
'Je gaat niet alleen,' zei Ilias.
'Nee,' zei Bram. 'Jij gaat mee.'
Ze gingen door het dakkapelletje. Het raampje was klein, met een ijzeren uitzetter die vastgeroest zat, en Ilias moest er met de hak van zijn schoen tegenaan slaan voordat het meegaf. De wind sloeg naar binnen. Een van de kaarsen ging uit.
Buiten was de wereld veranderd.
Het water was overal. Het lag als een donker, rimpelend laken tussen het huis en de dijk, tussen het huis en de schuur, tussen het huis en de rest van de polder, zo ver als Ilias kon zien. En hij kon verder zien dan hij had verwacht. Boven de dijk was de lucht lichter, een vaal, grijsbruin licht dat van de wolken zelf leek te komen. Ver weg, aan de rand van alles, knipperden de rode lampjes van de windmolens langs de dijk. Zes. Hij telde ze. Daarachter, nog verder, het donker van de Oude Dijk, met een paar witte lichtjes die heen en weer bewogen. Zaklampen, misschien. Mensen.
De schuur stond twintig meter verderop. Het dak stak boven het water uit, en de bovenkant van de deur. De onderkant niet meer.
'Diep,' zei Ilias.
'Een meter twintig. Misschien dertig.' Bram ging op de rand van het raampje zitten, met zijn benen naar buiten. Onder hem zat de dakgoot, en daaronder de bovenkant van het keukenraam. 'Als je je voeten neerzet, schuifel dan. Niet stappen. Dan voel je het als er iets ligt.'
Hij liet zich zakken. Ilias hoorde hem naar adem happen, een hoog, schokkend geluid dat hij nooit uit Brams mond had verwacht. Toen stond Bram tot zijn borst in het water, met zijn armen omhoog, en zijn gezicht was wit.
'Kom.'
Ilias kwam.
De kou was geen gevoel. Het was een klap. Een klap tegen zijn hele lichaam tegelijk, die de lucht uit zijn longen sloeg en zijn hart liet bonken in zijn keel. Zijn spijkerbroek werd meteen loodzwaar. Zijn voeten raakten de grond, iets zachts en glibberigs, en het water trok aan hem, van links naar rechts, de stroom die van de bres kwam en door de polder trok. Het was niet zo sterk als bij het gat. Maar het was genoeg om hem opzij te duwen als hij zijn evenwicht verloor.
Hij verloor zijn evenwicht niet. Hij hield zich vast aan de dakgoot, toen aan Brams schouder, en toen schuifelden ze. Stap voor stap. Bram voorop. Het water klotste tegen Ilias' kin als er een golfje kwam. Het smaakte zout en naar modder, en naar diesel, van de trekker misschien.
Iets streek langs zijn been. Lang en zacht. Hij schreeuwde.
'Gras,' zei Bram. 'Of een plastic zak. Doorlopen.'
Hij liep door. Twintig meter. Het duurde een eeuwigheid. Halverwege dreef er iets langs hen heen, groot en bleek, en toen het licht van Merels telefoon, die vanuit het dakraampje achter hen aan scheen, erop viel, zag Ilias dat het een schaap was. Een van de schapen van de Bakkers, verderop. Het dreef op zijn rug met zijn poten omhoog.
Hij keek niet meer.
De schuurdeur was dicht. Een staldeur, in twee helften. De bovenste helft zat met een grendel aan de binnenkant, de onderste stond onder water. Bram tastte langs de rand.
'Er zit een hangslot op.'
'Natuurlijk zit er een hangslot op.'
'Op de onderste helft. Onder water.'
Ilias dacht na. Zijn tanden klapperden zo hard dat het pijn deed aan zijn kaak. Hij keek omhoog. De bovenste helft. Een grendel aan de binnenkant, maar de deur zelf was oud, van hout dat jaren in de zeewind had gestaan.
Hij pakte de bovenrand vast, zette zijn voet tegen de onderste deur, onder water, en trok. De deur kraakte. Hij trok nog eens. Bram pakte mee. Bij de derde keer scheurde het hout rond de grendel los en zwaaide de bovenste helft naar binnen, en Ilias viel achterover in het water.
Hij ging kopje onder. Alles was zwart en koud en in zijn oren raasde het. Hij voelde geen bodem meer. Hij voelde niets meer. Toen had iets hem bij zijn kraag en trok, en hij kwam boven, proestend, hoestend, en Bram hield hem vast met één hand en de deur met de andere.
'Gaat het?'
Ilias kon geen antwoord geven. Hij knikte.
Pas later voelde hij dat zijn hand bloedde. Hij had hem opengehaald aan een spijker of een scharnier, in de muis van zijn duim, en het bloed liep dun en zwart over zijn pols het water in.
De Jantje lag niet meer op de schragen. De Jantje dreef. Ondersteboven, tegen het dak van de schuur, waar het water hem naartoe had getild, en hij bonsde zachtjes tegen de balken bij elke golf die door de open deur naar binnen kwam.
Ze moesten hem omdraaien. Dat was het moeilijkste. Een aluminium vlet van vier meter, ondersteboven, met lucht eronder. Ze doken er half onder, ze duwden, ze trokken, en Ilias dacht een paar keer dat het niet zou lukken, dat ze hier zouden blijven met hun armen verkrampt en hun hoofden tegen de dakbalken. Toen sloeg de boot ineens om, met een klap die door de hele schuur galmde, en lag hij met zijn goede kant naar boven in het water, half vol, maar drijvend.
Ze hoosden met hun handen. Daarna met een emmer die tegen de muur had gehangen. Toen hij zo ver leeg was dat hij hoog genoeg lag, klom Bram erin, en hij trok Ilias er ook in, aan zijn armen, over de rand.
Ze lagen een tijdje alleen maar op de bodem van de boot, in het water dat er nog in stond, en hijgden.
Aan de muur hing een roeispaan. Eén. De andere was er niet. Er hing wel een schop, een brede, met een lange steel. Bram pakte allebei.
'Wat moeten we met een schop?'
'Peddelen.'
Ze voeren de schuur uit, door de bovenste helft van de deur, waar ze precies doorheen pasten als ze plat in de boot gingen liggen. Bram roeide met de spaan, Ilias stak met de schop in het water, en ze zigzagden de twintig meter terug naar het huis, waar Merel in het dakraampje hing met haar telefoon in haar hand en haar gezicht zo bleek als papier.
'Jullie zijn gek,' zei ze. 'Jullie zijn echt allebei hartstikke gek.'
Toen zag ze zijn hand. 'Ilias. Je bloedt.'
'Het is niks.'
'Het is niet niks.' Ze verdween in het raampje en kwam terug met een theedoek die ze ergens van zolder had gehaald, en ze bond hem om zijn hand zo strak dat hij zijn duim niet meer kon bewegen. Ze deed het snel en goed, zonder iets te vragen.
'Waar heb je dat geleerd?'
'EHBO-diploma. Ik heb er drie.' Ze trok de knoop aan. 'Natuurlijk heb ik er drie.'
Ze bonden de Jantje met het touw van Bonnies riem vast aan de dakgoot. Daarna kropen Ilias en Bram terug naar binnen, door het raampje, druipend en klappertandend. Merel had alle dekens van zolder op een stapel gelegd en wikkelde ze om hen heen, en Lies keek vanaf haar matras naar hen en zei niets. Ze had tranen in haar ogen.
Bram scheen weer met zijn telefoon in het zoldergat. Het water stond bij de negende tree.
Toen hoorde Ilias het. Eerst dacht hij dat het de wind was. Een droog, scheurend geluid, ergens in de muur aan de kant van de dijk. Hij kroop ernaartoe en legde zijn hand op de koude stenen van de gevel.
Er liep een barst. Een lange, schuine barst, van de vloer van de zolder tot bijna aan de nok. En terwijl hij keek, kroop die barst een stukje verder, met een klein, knisperend geluid, als ijs op een sloot in januari.
'Bram,' zei hij.
Bram kwam kijken. Hij keek een hele tijd. Toen draaide hij zich om naar Lies.
'Mevrouw Kodde,' zei hij. 'We moeten in de boot.'
In de Jantje stond weer water. Niet veel. Maar Ilias zag het in het licht van Merels telefoon, toen hij uit het raampje keek: een dun straaltje dat door een naad bij de bodem omhoog borrelde, net naast de plek waar Bram had gezeten.