Hoofdstuk 5: Zolder

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Merel typte het antwoord aan zijn moeder, omdat zijn vingers niet wilden. Hij dicteerde, zij typte, en daarna lazen ze het samen nog een keer.

Mam, met Ilias via Merel. We zijn bij Lies Kodde aan de Zeedijkweg, op zolder. Wij alle drie en Lies en haar hond. Het gaat goed. 112 weet het. Mijn telefoon ligt in de trekker. Sorry.

Ze drukte op verzenden. Er kwam één grijs vinkje. Daarna niets.

'Weinig bereik,' zei Merel. 'De mast in het dorp heeft vast geen stroom meer.'

Ze zette haar telefoon op de energiebesparende stand en daarna, na even nadenken, op vliegtuigmodus. Achtenvijftig procent. Brams telefoon had eenenveertig. Dat was alles wat ze hadden aan licht en contact met de rest van de wereld, en ze lieten hem uit.

Lies had kaarsen. Natuurlijk had ze kaarsen. Ze had gezegd dat ze in de bovenste la van het kastje bij de vlizotrap lagen, en Bram was nog één keer naar beneden gegaan, tot zijn enkels door het water, en was teruggekomen met een doos lange witte kaarsen, een pakje lucifers en een ingelijste kaart van de Westerschelde die hij van de muur had gehaald zonder dat iemand begreep waarom.

Nu stonden er twee kaarsen in een schoteltje op de vloerplanken. De zolder was laag en lang. Langs de zijkanten lagen dozen, een opgerolde loper, een naaimachine onder een hoes, een kinderledikantje dat uit elkaar was gehaald en met touw bij elkaar was gebonden. Boven hun hoofden zaten de dakpannen, en daartussen floot de wind, en elke keer als er een windstoot kwam, gingen de vlammetjes plat en stonden ze daarna weer recht.

Het was koud. Niet het soort kou van een fietstocht in de winter. Een natte, zware kou die uit de vloer omhoog kwam en in je kleren trok.


'Vertel nou,' zei Merel.

Ze zat met haar knieën opgetrokken naast het matras, met een oude legerdeken om haar schouders die naar mottenballen rook. Ze keek naar Lies.

'Wat moet ik vertellen?'

'Hoe het verder ging. Toen Jan u wakker maakte.'

Ilias wilde zeggen dat het daar nu niet het moment voor was. Toen zag hij Lies' gezicht in het kaarslicht, en hij zag dat ze het wilde. Dat ze er al die tijd op had gewacht, misschien. Op iemand die het vroeg op een moment dat je het niet kon wegzetten als geschiedenis.

'We gingen naar zolder,' zei Lies. 'Net als nu. Mijn vader en moeder en Jan en ik en de baby, mijn zusje Adrie. Zij was nog geen jaar. Het water kwam de trap op, trede voor trede. Mijn vader stond onderaan met een lantaarn en hij telde. Ik weet nog dat hij telde. Zes. Zeven. Bij negen zei hij dat we op het dak moesten.'

Bonnie zuchtte en legde haar kop op Lies' heup.

'Hij sloeg de pannen eruit met zijn blote handen. En toen zaten we op het dak. In januari. In het donker. Het stormde zo hard dat je niet kon horen wat iemand zei als hij naast je zat. Jan had zijn arm om me heen. Hij had zijn eigen jas om mij heen gedaan en zat zelf in zijn hemd. Hij zei de hele nacht één ding tegen me. Niet loslaten. Niet loslaten. Ik dacht dat hij het tegen zichzelf zei. Later heb ik bedacht dat hij het tegen mij zei.'

'Hoe lang?' vroeg Bram. Hij zat nog steeds bij het raampje.

'De hele nacht. En de hele zondag. Het water zakte niet, het kwam alleen maar terug, elke keer als het vloed werd. 's Middags kwam er een vliegtuig over. We zwaaiden, maar het vloog door. Op maandagochtend kwam er een boot. Een vissersboot, uit Bruinisse. Die mannen hadden de hele nacht gevaren.'

'En uw grootouders…' zei Merel zacht.

'Hun huis was lager. Een arbeidershuisje. Het had geen zolder.' Lies keek naar de kaars. 'Mijn vader heeft er later nooit meer over gepraat. Nooit. Ook niet toen ze die caissons kwamen leggen, in november, en het hele dorp bij de dijk stond te kijken. Hij bleef thuis. Hij zei: ik heb genoeg water gezien.'

Het was stil. De wind floot. Ergens onder hen klotste iets tegen een muur.

'Ik ben daarna weer aan het water gaan wonen,' zei Lies. 'Met Piet. Hier. Mensen vonden me gek. Maar ik dacht: dat hebben ze nu opgelost. Met al dat beton. En ik wilde 's ochtends de schepen zien.' Ze lachte bijna. 'Vierennegentig. En dan zit je weer op zolder.'


'Het is mijn schuld,' zei Ilias.

Hij had het niet willen zeggen. Het kwam eruit.

'Wat?' zei Merel.

'Als ik niet die trekker had gepakt, dan zaten jullie nu… Ik weet het niet. Bij de kerk. Of in die bus.'

'Of we stonden met zijn drieën op de Oude Dijk in de regen op een bus te wachten die nooit kwam.' Merel trok de deken strakker. 'Dat weet je helemaal niet.'

'Jij zei zelf dat het het stomste plan ooit was.'

'Dat was het ook.'

'Nou dan.'

'Nou dan wat?' Haar stem werd hoger. 'Wil je dat ik zeg dat het jouw schuld is? Oké. Het is jouw schuld. Je hebt niet nagedacht, je hebt niet geluisterd, je doet altijd alsof jij alles alleen moet doen en dat je de enige bent die ziet wat er moet gebeuren. In de klas ook. In elk groepje. Ik regel het wel. Je regelt helemaal niks, je doet gewoon iets en dan hoop je maar dat het goed gaat.'

'Kijk wie het zegt. Jij met je kleurtjes in je document.'

'Mijn kleurtjes werken tenminste!'

'Kinderen,' zei Lies.

Ze zeiden niets meer. Merel draaide haar gezicht weg. Ilias keek naar zijn schoenen, die doorweekt waren en vol zand zaten. Hij voelde zich warm worden in zijn gezicht, van boosheid en van iets anders, want ze had gelijk. Niet helemaal. Maar genoeg.

'En je vader zit op de dijk,' zei Merel toen, heel zacht, tegen de muur. 'En je weet niet of hij…'

Ze maakte de zin niet af. Dat hoefde ook niet.

Ilias was er de hele tijd omheen gelopen, in zijn hoofd. Om dat ene beeld. Zijn vader en Jurre, met hun gele hesjes en hun zaklampen, op het stuk dijk bij het gemaal. Het stuk dijk dat er niet meer was. Hij had er niet aan gedacht, zoals je niet in de zon kijkt. En nu keek hij er toch naar, en het brandde.

Ik kan Karim niet bereiken.

'Hij is dijkwacht,' zei hij. 'Ze trekken zich terug als het gevaarlijk wordt. Daar hebben ze regels voor. Hij is niet gek.'

Niemand zei iets terug.


Bram stond op. Hij moest diep gebukt lopen onder het schuine dak. Hij ging bij het zoldergat zitten, pakte zijn telefoon, zette het lampje aan en scheen naar beneden.

'Wat zie je?' vroeg Ilias.

'Kom maar kijken.'

Ilias kroop naar hem toe. In het licht van de telefoon zag hij de vlizotrap, schuin naar beneden, en daaronder de gang. De gang was er niet meer. Er was alleen een zwarte, glanzende vlakte, met een slipper die erop dreef en een krant die langzaam openvouwde. Het water stond tot de vierde tree.

'Een kwartier geleden was het de tweede,' zei Bram.

'Hoe lang nog tot hoogwater?'

Bram keek op zijn horloge. Hij had een echt horloge, met wijzers, iets wat Ilias nog nooit bij iemand van zijn leeftijd had gezien.

'Tien voor twaalf. Bij Hansweert ongeveer. Hier misschien een paar minuten eerder.' Hij keek op. 'Het is nu kwart over tien.'

'En tot die tijd blijft het stijgen?'

'Buiten wel. En zolang het buiten hoger is dan hier, blijft het naar binnen komen. Door het gat.' Hij zweeg even. 'Mijn opa zei altijd: water wil plat zijn. Het stopt pas als het overal even hoog is.'

'Hoe hoog is dat?'

'Weet ik niet. Hoger dan de dijk normaal. Met deze storm.' Bram draaide zich om en keek naar de zolder, naar de balken, naar het matras waarop Lies lag. Hij rekende iets in zijn hoofd; Ilias kon het bijna zien. 'De zolder is misschien twee meter vijftig boven de straat. De polder ligt onder zeeniveau. Als het buiten bij hoogwater vijf meter boven NAP komt…'

Hij maakte de zin niet af.

Ilias wilde hem vragen hoe hij dat allemaal wist, dat van NAP en Hansweert en de getijden. Maar hij wist het antwoord eigenlijk al. Van zijn opa. Van een vissersboot in Yerseke en een opa die hem meenam naar een museum in een caisson en hem liet lezen wat er op het bord stond.

In het licht van de telefoon zag hij het water tegen de vijfde tree aan likken.

Achter hen zei Lies, met haar ogen dicht en haar hand op de rug van Bonnie: 'Bij negen zei hij dat we op het dak moesten.'

Ze zei het niet tegen hen. Ze zei het tegen niemand. Maar Ilias telde de treden van de vlizotrap. Het waren er elf.