Hoofdstuk 4: Het water komt

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Niemand zei iets. Ze stonden met zijn vieren en een hond in het licht van de koplampen en luisterden naar het gebulder, en het werd niet minder. Het werd breder, als een rivier die uit een tunnel komt.

Lies kneep in Ilias' arm, zo hard dat het pijn deed door zijn jas heen.

'Dat is de dijk,' zei ze. Haar stem was helemaal anders dan daarnet. 'Jongen. Dat is de dijk.'

'Instappen,' zei Ilias. 'Nu.'

Het was een gevecht om Lies in de cabine te krijgen. De trap van de trekker had drie treden, hoog en smal, en ze kon haar knie niet ver genoeg optillen. Bram ging achter haar staan en tilde. Merel trok van boven. Lies hijgde en zei iets in het Zeeuws wat Ilias niet verstond en waarschijnlijk ook niet moest verstaan. Uiteindelijk zat ze op de stoel, met Bonnie, die Bram omhoog had getild als een zak aardappels, tegen haar benen.

Ilias klom er als laatste in. Er was nauwelijks plek voor hem achter het stuur. Hij stond half, met zijn heup tegen de deur en zijn voet op het gaspedaal, en Bram en Merel stonden opgevouwen tegen de achterruit.

'Waar ga je heen?' vroeg Merel.

'Terug. Naar de polderweg. Naar de kerk.'

'Maar het geluid komt van daar.'

'Ik weet het.'

Hij keerde de trekker op het grind voor het huis van Lies, een draai van drie keer steken die hij in zijn slaap kon, behalve dat het nu leek alsof zijn handen niet van hem waren. Toen reed hij de Zeedijkweg weer op, terug, de kant van het gemaal op.


Ze kwamen zeshonderd meter ver.

Eerst zag Ilias alleen dat de weg in het licht van de lampen glom. Dat was normaal, het regende. Toen zag hij dat het glimmen bewoog. Het kwam van rechts, van de dijk, en het stroomde over het beton naar links, de sloot in, en de sloot was geen sloot meer. De sloot was een brede, bruine, kolkende vlakte waar takken en een verkeersbord in ronddraaiden.

Hij remde.

Vijftig meter voor hen, in de rand van het licht, ging het water niet meer over de weg. Daar was geen weg meer. Daar was een gat in het donker, waar het water doorheen kwam met een kracht die hij nooit voor mogelijk had gehouden. Het kwam niet als een golf. Het kwam als een berg die naar beneden schoof en nooit ophield met schuiven. Het schuim was geel in het licht. De lucht rook naar zout en klei en naar iets anders, naar omgewoelde grond, naar de binnenkant van de aarde.

Op de kruin, aan beide kanten van het gat, zag hij grote brokken dijk afbrokkelen en in het water verdwijnen.

'O god,' zei Merel. 'O god, o god.'

Lies zei niets. Ze keek. Ze had haar hand op de zak van haar vest, waar de foto zat.

'Terug,' zei Bram. 'Ilias. Achteruit. Nu.'

Ilias zette hem in zijn achteruit. Hij keek in de spiegel en zag niets, alleen de rode gloed van de achterlichten op het water dat nu ook achter hen over de weg begon te lopen, eerst een dunne laag, toen meer. De wielen van de trekker waren groot genoeg. Dat zei hij tegen zichzelf. De wielen waren groot genoeg.

Hij reed achteruit tot hij bij een inrit van een akker kon keren en daarna reed hij weer naar het huis van Lies, en de hele weg stroomde het water naast hen mee, sneller dan zij reden, de polder in.


Voor het huis zette hij de motor niet af. Hij wilde het licht van de lampen houden. Het water stond hier nog niet, maar het grasveld aan de overkant van de weg was al een meer.

'Oké,' zei Merel. Ze had haar telefoon in haar hand en haar stem trilde, maar haar zinnen niet. 'Oké. Wat zijn de opties. Optie één: de dijk op. Dat is het hoogste punt.'

'Nee,' zei Ilias.

'Waarom niet?'

'Daar is het erger dan hier. Daar slaan de golven overheen.' Hij hoorde de stem van zijn vader in zijn hoofd, een keer aan tafel, toen ze het over de stormen in het noorden hadden gehad. Bij storm ga je nooit op de dijk staan. De golven slaan je eraf, of de dijk gaat onder je weg. 'En kijk naar haar. Ze kan daar niet eens staan.'

'Optie twee: verder rijden. De andere kant op.'

'De Zeedijkweg loopt dood. Bij haar huis is het einde. Daarna is er alleen nog een fietspad over de dijk.'

'Optie drie.' Merel slikte. 'Het huis.'

Ze keken allemaal naar het huis. Het was een klein huis met één verdieping en daarboven een zolder onder een puntdak met rode pannen. Het stond op een stukje grond dat net iets hoger lag dan de weg. Net iets.

'Heeft u een zolder?' vroeg Bram.

'Met een vlizotrap,' zei Lies. 'Piet heeft hem er zelf in gezet.' Ze zweeg even. 'Dat waren we in Ouwerkerk ook. Naar zolder.'

Merel belde. Ze belde 112. Ilias hoorde de toon overgaan, één keer, twee keer, tien keer. Toen een stem. Een echte. Merel praatte snel en duidelijk, ze noemde de naam van de weg, het huisnummer, ze zei vier personen waarvan één van vierennegentig en een hond en de dijk is doorgebroken, we hebben het gezien, bij het gemaal. Ze luisterde. Ze knikte, alsof de vrouw aan de andere kant haar kon zien.

'Ja. Ja. Begrepen. Ja.'

Ze hing op.

'Ze weten het van de dijk. Ze hebben ons adres. We moeten zo hoog mogelijk gaan zitten en daar blijven. Ze komen.'

'Wanneer?'

'Dat konden ze niet zeggen.' Merel keek naar haar scherm alsof daar het antwoord stond. 'Het kan uren duren, zei ze. Er zijn veel meldingen.'


Ze droegen Lies het huis in, deze keer met zijn tweeën, Ilias en Bram, met haar armen om hun nekken, en Merel ging voor met de zaklamp van haar telefoon. Binnen was het pikdonker. Het rook naar koffie en lavendel. Het water was er nog niet, maar Ilias hoorde het al, ergens onder de vloer, een zacht klotsend geluid, alsof er in de kruipruimte een kraan openstond.

De vlizotrap zat in het plafond van de gang. Bram vond het touwtje en trok, en de trap kwam naar beneden in een wolk van stof en een oud damesfietsmandje dat op Ilias' hoofd viel.

'Eerst zij,' zei Merel.

'Ik kan dat niet,' zei Lies. Ze stond onderaan, met haar hand op de leuning, en keek omhoog naar het zwarte gat. 'Jongens, dat lukt me niet meer.'

'Wel,' zei Bram.

Hij klom twee treden omhoog, draaide zich om en stak zijn handen naar haar uit. Ilias ging achter haar staan, zo dicht dat hij de lavendel in haar vest rook. Trede voor trede. Haar knieën knakten. Een keer gleed haar voet weg en lag haar volle gewicht tegen Ilias' borst, licht en tegelijk zwaar, en hij dacht: als ik haar nu laat vallen. Hij liet haar niet vallen. Bram trok, Ilias duwde, en toen zat Lies op de rand van het zoldergat met haar benen naar beneden en haar adem fluitend in haar keel.

Bonnie wilde niet. Bonnie stond onderaan de trap en blafte en draaide rondjes, en toen Ilias haar probeerde op te pakken, beet ze in de lucht vlak naast zijn hand.

'Laat mij,' zei Merel.

Ze ging op haar knieën zitten, op de vloer van de gang, en haalde iets uit haar jaszak. Een boterbabbelaar, van die middag. Ze hield hem voor Bonnies neus en praatte tegen haar met een stem die Ilias nog nooit van haar gehoord had. Bonnie kwam. Merel tilde haar op, zette haar op haar schouder als een baby en klom met één hand de trap op.

'Wat?' zei ze, toen ze boven was en zag dat Ilias haar aanstaarde.

'Niks.'


Hij ging als laatste. Voordat hij de trap op ging, liep hij nog één keer terug naar de voordeur. Hij wist niet waarom. Om te kijken, misschien. Om zeker te weten dat het echt was.

Het water stond tot aan de onderste traptree van de voordeur. Het gras was verdwenen, het grind was verdwenen, de weg was verdwenen. Er was alleen nog water, glanzend in het licht van de koplampen van de trekker, en dat water bewoog. Het kwam van links en het ging naar rechts, en het ging snel.

De trekker stond waar hij hem had laten staan. Het water stond al tot de naven. Terwijl Ilias keek, zag hij de linkerkoplamp onder water gaan en als een vage, groene vlek blijven schijnen, en daarna zakte de hele trekker een paar centimeter weg in de zachte grond van de berm, en kantelde hij heel langzaam een beetje opzij.

Een trekker van negen ton. Zijn vaders trekker.

Hij deed de deur dicht. Het water liep onder de deur door, over de tegels van de gang, langs zijn schoenen.

Op de zolder lag Lies op een oud matras onder het schuine dak, met Bonnie tegen zich aan. Bram zat bij het enige raampje, een dakkapelletje met kleine ruitjes. Merel zat met haar telefoon in haar hand en het blauwe licht van het scherm op haar gezicht.

'Ilias,' zei ze. 'Je moeder.'

Ze gaf hem de telefoon niet. Ze draaide alleen het scherm naar hem toe. Hij had zijn eigen telefoon in de trekker laten liggen, besefte hij. Op het dashboard. Zijn moeder had Merel geappt, omdat ze Merels nummer had van vanmiddag.

Merel, is Ilias bij jou? Hij neemt niet op. Ik kan Karim niet bereiken. De dijk bij het gemaal is weg. Weet jij waar ze zijn?