Hoofdstuk 3: De trekker
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
'Ze zegt dat ze het wel redt,' zei Ilias.
Merel stond op. 'Dan bellen we het nummer uit de NL-Alert. Daar is het voor.'
Ze belde. Ze zette hem op de luidspreker en legde de telefoon midden op de tafel, naast een bord met halve saucijzenbroodjes. Een bandje. Alle medewerkers zijn in gesprek. U bent nummer… zevenenveertig… in de wachtrij.
'Zevenenveertig,' zei Bram.
'Dan wachten we.' Merel ging weer zitten, met rechte rug, alsof ze in een examenzaal zat.
Om tien voor acht was ze nummer eenendertig. Om acht uur werd de verbinding verbroken en moest ze opnieuw bellen. Nummer negenenvijftig.
Ilias liep heen en weer tussen het raam en het aanrecht. Het gele lichtje achter de populieren was er nog steeds. Hij stelde zich voor hoe Lies daar zat, in haar leunstoel met het kussen in haar rug, met de foto van Jan op het tafeltje. Hij stelde zich voor dat ze het geluid hoorde van de golven die tegen de andere kant van de dijk sloegen, zo dichtbij dat je het door de muren heen voelde. Hij stelde zich voor dat ze dat geluid al eens eerder had gehoord.
Om twintig over acht ging Brams telefoon.
Ilias zag het aan zijn gezicht voordat Bram iets zei. Bram had niet veel gezichten, maar dit was er een die hij nog niet kende.
'Hij komt niet,' zei Bram toen hij had opgehangen. 'Hij staat bij de afrit. Politie heeft alles afgezet. Er mag niemand meer de polder in, alleen eruit.'
'Maar wij moeten eruit,' zei Merel.
'Dat heeft hij ook gezegd. Ze zeggen dat er een bus komt voor de laatste mensen. Vanaf de kerk. Om negen uur.' Bram keek naar de klok boven de deur. 'We moeten naar de kerk.'
De kerk stond op de Oude Dijk, aan de rand van Mosselkerke. Anderhalve kilometer. In normale omstandigheden fietste je dat in vijf minuten. Ilias keek naar buiten, naar de populieren die bijna plat lagen, naar de regen die horizontaal langs het erflicht vloog.
'Fietsen gaat niet,' zei hij.
'Lopen dan.'
'Dat duurt een halfuur. En dan staan we daar en dan…' Hij stopte. Hij keek weer naar het raam, naar het gele lichtje.
Merel volgde zijn blik. 'Nee,' zei ze.
'Ik heb nog niks gezegd.'
'Je gaat iets zeggen over die trekker in de schuur.'
De trekker was een Fendt van negen jaar oud, groen, met banden die tot Ilias' borst kwamen en een cabine die rammelde als je over de kasseien van het dorp reed. Ilias had sinds maart zijn trekkerrijbewijs. Hij had er de hele zomer mee gereden, met de kipper achter, tijdens de uienoogst, en zijn vader had na de tweede week opgehouden met naast hem in de cabine te zitten.
'We gaan naar Lies,' zei Ilias. 'Twee kilometer. We halen haar op, met de hond, en dan rijden we over de polderweg naar de kerk. Daar is die bus. Iedereen gered, iedereen blij.'
'Mensen die niks van gevaar weten zeggen altijd iedereen gered, iedereen blij,' zei Merel.
'Ik weet wel wat van gevaar.'
'Je bent zestien.'
'Jij ook.'
'Ja, en daarom ga ik niet in een storm met code rood met een trekker naar de zeedijk rijden.' Ze tikte op haar telefoon. 'We zijn nummer vierendertig. Ze komen haar halen. Daar zijn mensen voor opgeleid.'
'Wanneer dan? Morgen?'
Ze gaf geen antwoord.
Bram stond op. Hij liep naar de gang en kwam terug met zijn jas al aan, de rits tot zijn kin. Hij zei niets. Hij keek alleen naar Ilias en wachtte.
Merel keek van de een naar de ander.
'Dit is echt het stomste plan dat ik ooit gehoord heb,' zei ze, en ze klapte haar laptop dicht.
De schuurdeur wilde niet open. De wind stond er vol op en de balk zat klem. Met zijn drieën trokken ze hem eruit, Ilias aan de ene kant, Bram aan de andere, en toen de deur eindelijk een stuk openzwaaide, sloeg hij terug tegen de muur met een knal waar Merel van ineenkromp.
Binnen rook het naar diesel, uien en stro. Ilias klom in de cabine. Hij had de sleutel van het haakje bij de deur gepakt, waar hij altijd hing, en zijn hand trilde toen hij hem in het contact stak. Niet van angst, zei hij tegen zichzelf. Van de kou.
De motor sloeg aan. De koplampen schenen fel tegen de achterwand van de schuur, over de kisten met pootaardappelen en de oude zeis die zijn opa daar ooit aan een spijker had gehangen.
In de cabine was één stoel en een klapstoeltje. Bram ging staan, met zijn hand aan de beugel. Merel perste zich op het klapstoeltje met haar knieën tegen het dashboard en haar rugtas op schoot.
'Gordel?' vroeg ze.
'Er is geen gordel.'
'Natuurlijk is er geen gordel.'
Hij reed de schuur uit en de wind greep de trekker zo hard van opzij dat hij voelde hoe de cabine overhelde. Hij gaf meer gas. Ze kwamen het erf af, de oprit over, de polderweg op, en hij draaide niet links, naar het dorp, maar rechts, naar de dijk.
De Zeedijkweg was een smalle betonweg met aan de ene kant een sloot en aan de andere kant de dijk. Overdag zag je hier fietsers en mensen met honden en soms een fotograaf met een lens zo groot als een thermosfles, voor de vogels op de slikken. Nu zag je niets. De koplampen maakten een tunnel in de regen, een paar meter beton, een paar meter gras, en daarachter alleen maar zwart.
Toen hoorde Ilias het. Door de motor heen, door het geraas van de wind en het tikken van de regen op de cabine. Een diep, zwaar geluid dat niet ophield. Niet als golven op het strand, die komen en gaan. Dit ging niet. Dit was er steeds.
'Wat is dat?' fluisterde Merel.
'Het water,' zei Bram. 'Tegen de dijk.'
Rechts van hen, boven op de kruin, zag Ilias iets wits omhoogspatten. Het hing even in het licht van de lampen en viel toen over de kruin naar beneden, de binnenkant van de dijk op, aan hun kant. Een hele plens. En nog een.
'Komt dat eroverheen?'
'Alleen de spatten,' zei Bram. 'Dat is normaal. Bij zo'n storm.'
Ilias wist niet of Bram dat echt wist of het zei om hen gerust te stellen. Hij wist ook niet welk van de twee hij erger vond.
Halverwege lag er een tak op de weg, zo dik als een been. Hij reed eroverheen. De trekker hobbelde, de cabine klapperde, Merel gaf een gil en sloeg haar hand voor haar mond.
'Sorry.'
'Rij nou maar.'
En toen zagen ze het blauwe hek.
Lies deed niet open. Ze bonsden op de deur, ze riepen, en pas toen Ilias door het keukenraam scheen met zijn telefoonlampje, zag hij haar zitten. In de leunstoel. Met een deken over haar knieën en Bonnie op haar voeten. Ze keek naar het raam alsof ze een spook zag.
Toen ze eindelijk opendeed, rukte de wind de deur uit haar hand.
'Wat doen jullie hier? Zijn jullie gek geworden?'
'We komen u halen,' zei Ilias.
'Ik heb toch gezegd…'
'De bus gaat om negen uur. Vanaf de kerk. Als we nu gaan, halen we het.'
Ze schudde haar hoofd. 'Ik ga nergens heen. Ga naar huis, jongen. Ga naar huis met je vrienden.'
'We kunnen niet naar huis,' zei Merel. Ze had haar capuchon af en haar haar plakte aan haar voorhoofd. 'Iedereen moet weg. Wij ook. En wij zijn alleen maar hier omdat hij het stomste plan ooit had, dus als u niet meegaat, dan staan we hier allemaal tot morgen.'
Lies keek haar aan. Een tijdje. Toen begon ze, tot Ilias' verbazing, te lachen. Een kort, droog lachje.
'Jij lijkt op mijn moeder,' zei ze. 'Die had ook nooit geduld.'
Ze draaide zich om en schuifelde naar binnen. Ilias dacht even dat ze weer in haar stoel ging zitten. Maar ze liep naar het dressoir, pakte de koperen lijst van Jan en stopte hem in de zak van haar vest. Toen pakte ze een plastic tasje met haar medicijnen dat al klaarstond op de vensterbank, wat Ilias meer vertelde dan alles wat ze tot nu toe had gezegd.
'Bonnie,' zei ze. 'Kom.'
Bonnie kwam niet. Bonnie zat in de gang en keek naar de voordeur met haar oren plat en haar staart tussen haar poten, en ze piepte.
'Ze is bang voor de wind,' zei Lies.
Bram knielde bij haar neer. Hij zei iets wat Ilias niet verstond, heel zacht, en legde zijn hand op haar kop. Bonnie hield op met piepen.
Het was negen minuten voor negen.
Ze hadden Lies net de drie traptreden van haar voordeur af geholpen, Ilias aan haar ene arm en Merel aan haar andere, Bram erachter met Bonnie aan een riem van touw, toen het licht uitging. Niet alleen het licht in haar gang. Ook het erflicht van de buren een kilometer verder, ook de straatlantaarns van het dorp op de Oude Dijk, ook de rode lampjes boven op de windmolens, die even flikkerden en daarna, zwakker, weer aangingen.
Alles behalve de koplampen van de trekker.
En in dat donker kwam er een geluid dat Ilias nog nooit had gehoord. Een dreun die hij meer in zijn voeten voelde dan in zijn oren. En daarna een gebulder dat niet van de wind kwam. Het kwam van links. Van de kant van het gemaal.
Van de kant waar zijn vader liep.