Hoofdstuk 2: Vóór negen uur
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het eerste wat zijn moeder deed, was de radio uitzetten. Het tweede was in haar handen klappen, één keer, hard, zoals ze dat op haar afdeling waarschijnlijk ook deed.
'Oké. Luister. Er is niks aan de hand. We gaan gewoon een stukje eerder weg dan we dachten, en dan eten we de taart bij oma in Goes. Fenna, Sofie, ik bel jullie moeders.'
'Gaat de dijk kapot?' vroeg Sofie.
'Nee schat. Dit is voor de zekerheid.'
Ilias zag dat ze haar telefoon twee keer liet vallen voordat ze het nummer van Fenna's moeder had gevonden.
Merel stond al naast hem. 'Wat is het plan?'
'Wat bedoel je, het plan?'
'Iedereen moet hier weg. Wie gaat met wie? Hoeveel auto's zijn er?'
Hij wilde zeggen dat ze niet moest doen alsof ze hier de baas was, maar ze had een punt, en dat irriteerde hem meer. Hij telde. Zijn vader had de pick-up meegenomen naar de dijk. Zijn moeder had haar kleine elektrische auto. Vier zitplaatsen, als je Mina's stoelverhoger achterin perste.
Fenna's moeder nam niet op. Sofie's vader wel, maar hij stond met zijn eigen auto bij de schapenhouderij aan de andere kant van het dorp en daar was de weg dicht door een omgewaaide populier. Of mevrouw Haddou de meisjes naar Goes kon meenemen, naar oma Dregmans, dan haalde hij ze daar op.
Zijn moeder hing op en keek naar haar zoon. Ilias wist wat ze ging zeggen voordat ze het zei.
'Ik heb maar vier plekken.'
'Weet ik.'
'Ik neem de meisjes. Jij…'
'Ik wacht op papa.'
'Nee. Papa blijft op de dijk tot ze hem wegsturen. Dat kan vannacht pas zijn.' Ze draaide zich naar Bram. 'Kan jouw vader jullie ophalen? Allemaal?'
Bram had zijn telefoon al aan zijn oor. Hij zei 'pap' en daarna een tijdje niets, en toen 'oké' en 'ja' en 'bij de boerderij'. Hij hing op.
'Hij komt. Hij is nog in Kapelle, bij een klant. Halfnegen, zegt hij. Hij heeft de bus, daar passen we allemaal in.'
'Halfnegen,' herhaalde zijn moeder. 'Dat is ruim op tijd. Dat is ruim op tijd.'
Ze zei het twee keer, dacht Ilias. Zoals ze het zei over de dijk.
Daarna ging alles snel en tegelijk traag, zoals in een droom waarin je rent en niet vooruitkomt. Zijn moeder pakte een weekendtas in en haalde hem weer leeg omdat ze de medicijnen van Mina vergeten was. Ze liep de trap op en af. Ze legde de map met de papieren van de boerderij, die altijd in de bovenste la van het bureau lag, in een plastic tas en die plastic tas in een tweede plastic tas.
Ilias stond op de stoel om de fotoalbums van de bovenste plank te halen. Het waren er acht. Hij legde ze in een verhuisdoos en zette de doos boven op de kast op zolder. Het voelde belachelijk. Het voelde als iets wat je in een film zag.
'Wat moet er naar boven?' vroeg Merel. Ze stond onderaan de trap met haar mouwen opgestroopt.
'Weet ik niet. Alles wat belangrijk is.'
'Dat is een slechte instructie.'
'Dan bedenk je toch zelf wat?'
Ze keek hem aan, en even dacht hij dat ze iets terug ging zeggen. Toen draaide ze zich om, liep de woonkamer in en kwam terug met de laptop van zijn moeder, de oplader, de doos met Mina's knutselwerkjes van groep één tot en met vijf en de ingelijste trouwfoto van zijn ouders. Ze gaf ze hem aan zonder iets te zeggen.
Bram was buiten. Ilias zag hem door het keukenraam bij het hek van de schapen staan, met zijn capuchon diep over zijn hoofd, en toen hij naar buiten liep om te vragen wat hij deed, zag hij dat Bram het hek met een extra stuk touw had vastgezet en de waterbak had omgedraaid zodat hij niet weg zou waaien.
'Ze staan hoog genoeg,' zei Bram.
'Hoe weet jij dat?'
'Weet ik niet.' Hij haalde zijn schouders op. 'Jouw vader dacht het.'
De wind was weer aangewakkerd. Hij kwam niet meer in stoten maar als een muur, een aanhoudend, zwaar duwen dat in je oren bleef zitten. De populieren langs de oprit bogen allemaal dezelfde kant op en kwamen niet meer terug. In de lucht, die nu donkergrijs was met een rand van vies oranje boven de dijk, vlogen meeuwen achteruit.
Om kwart voor zeven stond de auto van zijn moeder gestart op het erf, met de koplampen aan en de ruitenwissers op de hoogste stand. Fenna en Sofie zaten achterin met hun regenjassen nog aan. Mina zat in het midden op haar verhoger, met de taartdoos op schoot. Ze had erop gestaan. Wolkje ging mee.
Zijn moeder stond met het portier open en de regen sloeg schuin naar binnen.
'Je blijft binnen tot Johan er is. Je doet de deur pas open als je de bus ziet. Je laat je telefoon aan. Je stuurt me een berichtje als jullie rijden en als jullie er zijn.'
'Mam.'
'Ilias.' Ze pakte zijn gezicht met allebei haar handen vast, wat ze sinds de basisschool niet meer gedaan had. Haar handen waren koud en nat. 'Ik meen het.'
'Ik ook. Rij nou maar. Ze wachten op je.'
Ze keek over zijn schouder naar Merel en Bram, die in de deuropening van de keuken stonden.
'Jullie zorgen voor elkaar.'
'Ja, mevrouw Haddou,' zei Merel.
Mina tikte tegen het raampje en riep iets. Ilias boog zich voorover. Ze had haar mond tegen het glas gedrukt en blies, zodat er een rond wit wolkje op de ruit kwam, en daarin tekende ze met haar vinger een hartje. Of een schaap. Bij Mina wist je het nooit.
Hij tekende er aan de buitenkant iets tegenaan wat geen van beide was. Ze lachte.
Toen reed de auto het erf af. Hij zag de achterlichten over de oprit gaan, langs de populieren, links de polderweg op richting het dorp en de Oude Dijk, en daar boven op die dijk, waar de kerktoren van Mosselkerke als een donkere vinger omhoogstak, verdwenen ze.
Binnen was het ineens heel stil, ondanks de wind. De ballonnen hingen nog aan de lamp boven de tafel. Er lag een papieren kroon op de grond waar iemand op was gaan staan. Op het aanrecht stonden de bekertjes met ranja die niemand had leeggedronken.
Merel ging aan de keukentafel zitten en klapte haar laptop open.
'Serieus?' zei Ilias.
'Wat moet ik anders? Anderhalf uur naar de muur staren?' Ze tikte iets. 'Ik werk de opname uit. Dan zijn we in elk geval ergens mee bezig.'
Hij wilde iets zeggen, maar toen klonk uit haar laptop de stem van Lies, een beetje schor en piepend door de luidspreker. Ik werd wakker omdat mijn broer Jan aan mijn arm trok. Merel zette hem meteen op pauze en daarna zat ze een tijdje alleen maar naar het scherm te kijken.
Bram zat bij het raam. Hij had zijn telefoon in zijn hand en scrolde door iets.
'Wat kijk je?'
'Waterstanden. Rijkswaterstaat heeft een kaart.' Hij draaide het scherm naar Ilias. Er stonden lijnen op, een blauwe en een rode. De blauwe was wat normaal was. De rode was wat er nu verwacht werd. De rode liep steiler omhoog en piekte bij middernacht, ver boven alles wat Ilias ooit op zo'n kaart had gezien.
'Is dat veel?'
'Dat is meer dan vorig jaar. Dat is meer dan…' Bram scrolde. 'Ik weet niet wat het record bij Hansweert is. Maar dit is in de buurt.'
Ilias stuurde een berichtje naar zijn vader. Alles goed daar? Hij kreeg na een paar minuten een duimpje terug. Dat was zijn vader. Zijn vader stuurde altijd duimpjes, ook als je vroeg of hij nog leefde.
Hij liep naar het raam en keek naar buiten. Je zag niet veel. Regen, de schim van de schuur, het erflicht dat heen en weer zwaaide aan zijn paal zodat de schaduwen van de bomen over de grond schoten. Ergens daarachter, een kilometer verderop, lag de dijk, en daar liep zijn vader nu met een zaklamp en een portofoon langs de teen, op zoek naar dingen die je niet wilde vinden. Natte plekken. Wellen. Zand dat met het water mee naar buiten kwam.
Achter de dijk, in het donker, zag hij nog net één licht. Een klein, geel, vierkant licht, laag bij de grond.
Hij wist van wie dat licht was.
'Haar neef,' zei hij hardop.
'Wat?' Merel keek op.
'Lies. Ze zei dat haar neef haar mailtjes voorleest. Die woont in Middelburg. Die komt haar toch halen?'
'Dat zal wel. Iedereen moet weg. Er zijn lijsten van mensen die hulp nodig hebben. Dat heb ik gelezen bij de veiligheidsregio.'
'Staat ze op een lijst?'
Merel deed haar mond open en weer dicht.
Ilias pakte zijn telefoon. Hij had het nummer van Lies erin gezet, vorige week, toen Merel had gezegd dat ze haar moesten bellen om het interview te bevestigen. Hij had niet verwacht dat hij het ooit nog zou gebruiken.
Ze nam pas op na zes keer overgaan.
'Kodde.'
'Mevrouw Kodde, met Ilias. Van vanmiddag.'
'Ilias. Jongen. Wat is er?'
'Is uw neef er al?'
Ze zweeg. Op de achtergrond hoorde hij Bonnie blaffen, en iets wat klonk als een deur die steeds opnieuw tegen een kozijn sloeg.
'Ruud heeft gebeld,' zei Lies toen. 'De weg bij Lewedorp is dicht. Hij staat al een uur stil. Hij komt niet meer door, zegt hij.'
'En nu?'
'Nu niks. Ik zit hier goed. Ik heb kaarsen, ik heb Bonnie, en ik heb het in 1953 ook gered, zonder kaarsen.' Ze lachte, en het klonk bijna echt. 'Maak je over mij geen zorgen, jongen. Ik red het wel.'
Ze hing op voordat hij iets kon zeggen.