Hoofdstuk 1: Een foto van Jan
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De wind had die ochtend al aan de fietsenstalling van het Scheldelyceum gerukt, maar toen Ilias om half drie de dijkweg op draaide, kon hij nauwelijks nog rechtdoor rijden. Hij ging staan op de trappers. Achter hem vloekte Merel zacht, en daarachter zei Bram niets, zoals altijd.
'Hoe ver nog?' riep Merel.
'Dat huisje daar. Met het blauwe hek.'
Het huisje van Lies Kodde stond aan het einde van de Zeedijkweg, zo dicht onder de dijk dat de kruin van het gras hoger lag dan de nok van het dak. Aan de andere kant van die dijk lag de Westerschelde. Je kon hem niet zien, maar je kon hem ruiken: zout, slib en iets metaligs, alsof iemand een emmer oude spijkers had omgekieperd.
Ze zetten hun fietsen tegen de schuur. Bram bleef even voor het stoffige raampje staan en tuurde naar binnen, met zijn handen als een kommetje om zijn ogen. Een border collie met een grijze snuit kwam door het gras aanzetten, blafte één keer voor de vorm en duwde toen haar kop tegen Ilias' knie.
'Hoi Bonnie.'
'Is ze gevaarlijk?' vroeg Merel.
'Ze is twaalf. Ze is alleen gevaarlijk voor koekjes.'
Lies deed open voordat ze konden aanbellen. Ze was klein en krom, met wit haar dat ze in een strakke knot droeg, en ze had haar beste vest aan, het roze met de parelmoeren knoopjes. Ilias zag het meteen. Ze had zich klaargemaakt voor bezoek.
'Daar is de jeugd,' zei ze. 'Voeten vegen. En jij bent?'
'Merel de Kok, mevrouw. Ik heb u gemaild.'
'O ja. Dat was jij. Je schrijft heel nette mailtjes. Mijn neef Ruud leest ze voor, ik zie die kleine lettertjes niet meer.' Ze keek langs Merel heen. 'En die lange?'
'Bram,' zei Bram.
'Wisse,' zei Lies. 'Dat zie ik aan je neus. Familie van Leen Wisse uit Yerseke?'
Bram knikte. Er gleed iets over zijn gezicht dat Ilias niet kon thuisbrengen.
'Kom binnen. De koffie is al koud, maar er zijn boterbabbelaars.'
Het project heette Water en wij. Meneer Dekker van aardrijkskunde had de groepjes zelf gemaakt, en Ilias had geweten hoe het zou gaan zodra hij de namen op het bord zag staan. Merel zou de planning maken. Merel zou een gedeeld document aanmaken met kopjes in drie kleuren. Merel zou om elf uur 's avonds berichtjes sturen met even checken: hebben jullie je deel al? En Bram zou alles op tijd inleveren zonder dat iemand hem ooit had zien werken.
Het interview was Merels idee geweest. 'Echte bronnen,' had ze gezegd. 'Iedereen gaat Wikipedia overschrijven. Wij hebben iemand die het heeft meegemaakt.'
Iemand die het heeft meegemaakt zat nu tegenover hen in een leunstoel met een kussen in haar rug, en Merel legde haar telefoon op het tafeltje om op te nemen.
'Mag dat?'
'Als je me maar niet op internet zet.'
'Het is alleen voor school.'
'Dat zeggen ze allemaal.' Lies tikte op de telefoon. 'Begin maar.'
Merel had vragen op een kaartje. Wanneer bent u geboren. Waar woonde u in 1953. Kunt u beschrijven wat er gebeurde.
'In 1947,' zei Lies. 'In Ouwerkerk, op Duiveland. Mijn vader had een stukje land en hij reed melk. We woonden aan de dijk, net als hier. Daar zou je toch van leren, zou je zeggen.' Ze lachte kort. 'Het was zaterdagavond. De laatste avond van januari. Het waaide al de hele dag, maar het waaide daar altijd. Mijn moeder had mijn haar gewassen in de teil voor de kerk van de volgende ochtend. Dat weet ik nog, dat mijn haar nat was toen ik naar bed ging.'
Buiten sloeg iets tegen de muur. Bonnie tilde haar kop op.
'De radio deed toen 's nachts niets,' ging Lies verder. 'Er was geen radio na middernacht. Geen telefoon die piept. Mensen sliepen gewoon. Ik werd wakker omdat mijn broer Jan aan mijn arm trok. Hij was twaalf. Er stond water in de kamer. Het was zwart en het was zo koud dat het pijn deed aan je benen.'
Ze stopte. Merel keek naar haar kaartje en daarna naar Ilias. Hij schudde heel licht zijn hoofd. Wachten.
Lies stond op, wat lang duurde, en liep naar het dressoir. Ze kwam terug met een fotootje in een lijstje van dof koper. Een jongen met een pet en flaporen, een beetje scheef in het zonlicht, met een fiets aan de hand.
'Dat is Jan.'
'Heeft hij…' begon Merel.
'Hij heeft het gehaald. Ik ook. Mijn opa en oma niet. Die woonden in het huisje ernaast.' Ze zei het zonder dat haar stem veranderde, als iemand die een boodschappenlijstje opleest, en juist daardoor kreeg Ilias het benauwd. 'Ze hebben hen pas in maart gevonden.'
Het werd stil. De klok tikte. Op Merels telefoon liep de opname door, de seconden telden op.
'Er zijn toen in Nederland achttienhonderdzesendertig mensen verdronken,' zei Bram ineens.
Lies keek hem aan.
'Sorry,' zei Bram. 'Dat staat op het bord in het museum. In Ouwerkerk. Mijn opa nam me daar mee naartoe.'
'In die betonnen bakken,' zei Lies. 'De caissons. Daar hebben ze het laatste gat mee gedicht, in november. Bijna een jaar water in je huis.' Ze knikte langzaam. 'Je opa wist wat hij deed. Die had het ook gezien, hoor, in Yerseke.'
Merel schraapte haar keel. 'En nu? Ik bedoel, u woont weer aan de dijk. Bent u niet bang dat het weer kan gebeuren?'
Het was de vraag waar ze het hele project omheen hadden gebouwd. Klimaatverandering en de nieuwe risico's. Merel had er een grafiek bij gezocht van de zeespiegel bij Vlissingen, die al sinds 1890 omhoog kroop en de laatste jaren harder.
Lies wapperde met haar hand. 'Er zijn nu Deltawerken. En er zijn dijkwachten. Jouw vader loopt toch ook, Ilias?'
'Bij storm, ja.'
'Nou dan.' Ze legde de foto van Jan met de voorkant naar beneden op het tafeltje. 'Ik ben vierennegentig. Ik ga niet meer verhuizen voor een beetje wind.'
Toen ze weer buiten stonden, was de lucht boven de dijk van kleur veranderd. Niet donkerder, eerder geler, alsof er licht van onderen doorheen scheen. De wind kwam nu in stoten. Ilias liep de dijk op, half gebukt, om even over de kruin te kijken.
De Westerschelde was bruin en wit. De golven kwamen niet in rijen, zoals in de zomer, maar door elkaar, met schuim dat in plukken van de toppen werd geblazen en over het basalt naar boven gleed. Ver weg voer een containerschip naar Antwerpen, groot als een flatgebouw, en zelfs dat lag te stampen.
'Het is nog niet eens vloed,' zei Bram naast hem. Ilias had hem niet horen komen.
'Hoe weet je dat?'
Bram wees naar de stenen. 'Het wier zit nog boven het water. Over een paar uur niet meer.'
Merel stond onderaan met haar telefoon tegen haar oor en haar vinger in haar andere oor. Ze riep iets, maar het woei weg.
'Wat?'
Ze klom omhoog, haar haren voor haar gezicht. 'Mijn moeder. Ze zegt dat het KNMI het net naar code rood heeft gezet. Voor heel Zeeland.'
'Code rood is voor als er een boom omwaait,' zei Ilias.
'Code rood is voor als er heel veel bomen omwaaien.' Ze keek hem aan op die manier die ze ook in de klas had, als iemand een vraag stelde die ze dom vond. 'Gaan we nog naar jullie of niet?'
'Ja. Mina rekent op jullie.'
Het interview viel op Mina's verjaardag. Merel vond dat juist handig: dan konden ze daarna meteen bij hem uitwerken. Mina had alleen gehoord dat er 'grote mensen van de middelbare' kwamen, en had gegild.
De boerderij lag een kilometer verderop, midden in de Kalverpolder. Zijn vader had hem ooit uitgelegd dat de polder lager lag dan het water buiten de dijk, ook bij laagwater. Zonder dijk en zonder gemaal zou het hier een kwelder zijn, een zoutveld met zeekraal en vogels. Ilias had dat altijd iets moois gevonden om te weten. Vandaag vond hij het minder mooi.
Het erf was opgeruimd. Zijn vader had de kar met uien binnengezet en de deuren van de grote schuur waren dicht en met een balk vergrendeld. De twaalf schapen stonden niet in de wei achter het huis maar op de verhoogde strook naast de oprit, waar vroeger de oude boerderij had gestaan. Iemand had daar vanmiddag een hek neergezet.
'Dat heeft je vader gedaan,' zei Merel. 'Waarom?'
'Hij doet dat altijd bij storm,' zei Ilias, maar dat was niet waar. Hij had het één keer eerder gezien, drie jaar geleden.
In de keuken rook het naar suikerglazuur. Op tafel stond een taart in de vorm van een schaap, met krullen van slagroom als wol en twee dropveters als poten. Mina zat ervoor op haar knieën op een stoel, in een jurk met sterren, en ze keek er zo plechtig naar dat Ilias moest lachen.
'Niet aankomen,' zei ze zonder op te kijken. 'Hij heet Wolkje.'
'Gefeliciteerd, Mina,' zei Merel, en ze gaf haar een pakje met een strik die ze vast zelf had geknoopt, want hij was perfect.
Bram gaf een zakje met kleurpotloden en zei: 'Van mij.'
Mina keek van de een naar de ander en straalde. Negen jaar. Ilias wist nog hoe ze eruitzag op de dag dat ze thuiskwam uit het ziekenhuis, rood en boos, met een muts die over haar ogen zakte.
Zijn moeder stond bij het aanrecht met de radio aan, zacht. Ze draaide zich om, gaf Merel en Bram een hand en zei dat ze welkom waren, maar haar ogen gingen steeds terug naar het toestel.
'Waar is papa?'
'Op de dijk. Ze hebben de dijkwachten opgeroepen. Hij is er om drie uur heen gegaan.' Ze glimlachte, te snel. 'Jurre was erbij. Ze lopen samen het stuk bij het gemaal.'
Mina's vriendinnetjes kwamen om vier uur. Fenna en Sofie, uit het dorp, met regenjassen tot op hun schoenen en natte haren. Ze speelden het schapenspel dat Mina zelf had verzonnen, waarbij je met een wasknijper op je neus moest blaten, en Merel deed mee alsof ze nooit iets anders had gedaan. Bram zat in de hoek met een kop thee en keek naar het raam.
Om tien over vijf ging de radio harder, omdat zijn moeder aan de knop draaide.
Het was een vrouwenstem, rustig, en de woorden kwamen van ver: storm uit het noordwesten, windkracht tien tot elf, mogelijk orkaanstoten aan de kust. Een uitzonderlijk hoge waterstand verwacht in de Westerschelde, rond middernacht…
En toen begonnen de telefoons.
Niet één. Allemaal tegelijk. Die van zijn moeder op het aanrecht, die van Merel in haar broekzak, die van Bram op de vensterbank en die van Ilias tegen zijn been. Een hoog, schel, golvend geluid dat door alles heen sneed. Fenna begon te huilen. Mina hield haar handen over haar oren.
Ilias haalde zijn telefoon tevoorschijn. Op het scherm stond een grijze balk met letters die hij twee keer moest lezen.
NL-Alert. Veiligheidsregio Zeeland. Kans op overstroming in de Kalverpolder en omgeving Mosselkerke. Verlaat het gebied voor 21.00 uur. Ga naar familie of vrienden buiten het gebied. Kunt u niet weg? Bel 0900-…
Hij keek op. Zijn moeder had haar telefoon al in haar hand en ze stond doodstil, met de andere hand nog op de knop van de radio.
Op de tafel stond Wolkje, met zijn dropveterpoten, en niemand had nog een kaarsje aangestoken.