Hoofdstuk 9: Titaanwit

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Bed and breakfast Ploeger zat in een smal huis tegen de Vispoort aan, zo dicht dat een van de slaapkamers een raam had dat uitkeek op de binnenkant van de stadspoort. Mevrouw Ploeger was klein en rond en had haar hele leven op het gemeentehuis de burgerlijke stand gedaan, zodat ze van de halve stad wist wanneer ze geboren, getrouwd en gescheiden waren. Ze deed open met een schort voor.

„Anouk zit boven,” zei ze. „Ze heeft sinds donderdag nauwelijks gegeten. Ik heb soep gemaakt. Erwtensoep, het is er het weer voor.” Ze keek Ruben aan. „Woensdagavond was ze om twintig over tien binnen, als u dat wilt weten. We hebben samen nog naar die quiz gekeken waar je moet raden wat er achter de deurtjes zit. Ze wist bijna alles over de schilderijen. Om half twaalf ging ze naar boven.”

„Dat wilde ik weten,” zei Ruben. „Dank u.”

„Ze heeft niks gedaan, dat kind. Ze is alleen bang.”


Anouks kamer was het kamertje met het raam naar de poort. Er stond een bed, een tafeltje, een stoel en een grote koffer van aluminium met rubberen hoeken, die openstond. Greet zag erin een opgevouwen lamp met een paars glas, een doos katoenen handschoenen, een grijs apparaat ter grootte van een föhn, en rollen papier.

Anouk zat op het bed met haar knieën opgetrokken. Ze had hetzelfde vest aan als woensdag. Ze keek naar Ruben, en toen naar Greet, en het leek alsof ze opgelucht was dat Greet er was.

„U was degene die naast me zat,” zei ze.

„Ja. Je keek naar je handen toen het doek eraf ging.”

Anouk knikte. Ze zei een tijdlang niets. Beneden in de keuken rammelde mevrouw Ploeger met pannen.

„Ik had het hem beloofd,” zei Anouk toen. „Meneer Ter Haar. Hij liet me beloven dat ik het tegen niemand zou zeggen. Tot hij het zelf geregeld had. En toen was hij dood, en ik dacht: als ik het nu vertel, en ik heb het mis, dan heb ik zijn naam kapotgemaakt en die van de bibliotheek en die van mezelf. En als ik het nu vertel en ik heb gelijk, dan...” Ze maakte de zin niet af. „Dan denkt iedereen dat ik er iets mee te maken heb.”

„Vertel het nou maar,” zei Greet. „Gewoon vanaf het begin. Je hoeft niet te weten wat het betekent. Dat zoeken wij wel uit.”

Anouk keek naar de aluminium koffer.

„Ik werk al vanaf september aan die collectie. Het is een mooie verzameling. Echt. Bijna alles klopt, alles is wat het moet zijn, en waar het niet klopt, wist hij het zelf al en stond het in zijn kaartenbak. Een paar latere banden, een titelblad dat is aangevuld. Normaal. Het Getijdenboek heb ik als laatste gedaan, omdat het het mooiste was. Ik wilde het bewaren.” Ze glimlachte zwak. „Dat is kinderachtig, maar zo werk ik.”

„En?”

„Het perkament is oud. Echt oud. Vijftiende eeuw, daar twijfel ik niet aan. De tekst is ook goed, de inkt is ijzergalinkt, het schrift past bij de IJsselstreek rond 1460. Maar de miniaturen...” Ze pakte het grijze apparaat uit de koffer en hield het op haar schoot alsof het een huisdier was. „Dit is een röntgenfluorescentie-apparaat. Ik heb het geleend van een laboratorium in Amsterdam. Je richt het op een stukje verf en het vertelt je welke elementen erin zitten. Lood, koper, kwik, ijzer. Die verwacht je in de vijftiende eeuw. Loodwit voor de witte verf. Azuriet voor blauw. Vermiljoen voor rood.”

„En wat vond je?”

„Titaan.” Ze zei het zacht. „In het wit. In de vleugels van de engel, in de kraag van Lebuïnus, in de lichtplekjes in de ogen. Titaanwit. Dat bestaat pas sinds ongeveer 1920. Het is de meest gebruikte witte verf van de twintigste eeuw. In een miniatuur van 1460 hoort het net zo min thuis als een plastic tas.” Ze keek Greet aan. „Onder de ultraviolette lamp zag ik ook dat het perkament op de plekken van de miniaturen anders oplicht. Geschraapt. Iemand heeft een oud getijdenboek gehad met lege plekken of beschadigde miniaturen, en heeft die plekken schoongemaakt en er nieuwe afbeeldingen op geschilderd. Heel goed. Echt heel, heel goed. Met dat stadje erin. Met die toren.”

„Om het te laten lijken op Oudeweer,” zei Greet.

„Om het onweerstaanbaar te maken voor één bepaalde koper.” Anouk legde het apparaat terug. „Iemand die van Oudeweer hield.”


Ze vertelde de rest. Maandagavond om tien uur had ze de resultaten gehad. Ze had drie keer gemeten, op zes plekken. Ze had meneer Ter Haar gebeld, die nog wakker was. Dinsdagochtend om negen uur was ze bij hem op de IJsseldijk geweest met haar laptop en haar metingen. Hij had alles bekeken, zonder iets te zeggen. Hij had naar de getallen gekeken, en toen een tijdlang uit het raam naar de rivier.

„Toen zei hij: 'Mevrouw Brinkman, ik heb bijna dertig jaar naar een leugen gekeken en ik vond hem prachtig.' En toen: 'U zegt hier niets over. Tegen niemand. Ik regel het zelf. Eerst met de man die het me verkocht heeft. Ik wil zijn gezicht zien als ik het hem vertel.'”

„Zei hij wie dat was?” vroeg Ruben.

„Nee. Ik vroeg het niet. Ik dacht: dat is een veiling, of een handelaar in Londen, of iemand die al dood is.” Ze keek naar haar handen, zoals woensdag. „En woensdagavond zat ik in die zaal en daar lag het, onder het glas, en iedereen zuchtte. En hij zei die zin. Over de leugenaar in elke verzameling. Ik kon er niet naar kijken.”

„Woensdagavond, bij de garderobe,” zei Greet. „Heb je toen nog met hem gesproken?”

„Even. Hij zei: 'Ga naar huis, mevrouw Brinkman. Morgen weet ik meer.'” Anouk begon te huilen, zonder geluid. „Morgen.”


„Pergamijn,” zei Ruben, toen mevrouw Ploeger soep had gebracht en Anouk een paar happen had genomen. „U gebruikt dat.”

„Iedereen die met oude boeken werkt gebruikt het.” Anouk wees naar de rollen in haar koffer. „Ik heb deze rol. Blanco, van een leverancier in Duitsland. Ik schrijf er nooit op, ik plak er een etiket op als het nodig is. Potlood op pergamijn smeert.”

Ruben keek naar Greet.

„Antiquaren schrijven er wel op,” zei Greet. Ze zei het naar het raam, naar de grijze stenen van de poort. „Sommigen.”


Villa Hoogwaerd lag aan de IJsseldijk, drie kilometer buiten de stad, aan het eind van een laan met knotwilgen. Het was een wit huis met groene luiken, gebouwd door Lodewijks grootvader, en vanuit de ramen aan de achterkant keek je over de uiterwaarden naar de rivier. In de motregen leek het water van lood.

Femke had hun de sleutel gegeven, die ochtend, zonder vragen. De huishoudster, mevrouw Arends, die er al twintig jaar werkte, liet hen binnen en ging toen in de keuken zitten met een kop thee en haar jas aan, alsof ze niet wist of ze nog moest blijven.

Lodewijks studeerkamer was op de eerste verdieping. Greet was er vaak geweest. Toch bleef ze in de deuropening staan. Het rook naar hem: naar zijn pijptabak, waar hij twintig jaar geleden mee was gestopt en die nog steeds in de gordijnen hing, naar leer, naar het lavendelzakje dat mevrouw Arends in elke kast legde. Aan drie wanden stonden boekenkasten tot aan het plafond. Aan de vierde wand, onder het raam, stond een lange rij archiefdozen van grijs karton, elk met een jaartal op de rug, in zijn spitse handschrift. 1971. 1972. 1973. Elk jaar waarin hij iets had gekocht.

Ruben liep er langzaam langs, met zijn vinger een paar centimeter van de ruggen.

„1996,” zei hij. „1997.”

Hij bleef staan.

Tussen 1997 en 1999 zat een gat. Een lege plek van een doos breed, waar het stof op de plank minder dik lag.

„Mevrouw Arends!” riep Greet.

De huishoudster kwam de trap op. Ze keek naar het gat en schudde haar hoofd.

„Die heeft meneer woensdag meegenomen,” zei ze. „Niet de doos. Wat erin zat. Hij heeft het uit de doos gehaald en in zijn leren tas gedaan. Een map, een paar brieven, en een envelop met foto's. Ik weet het nog omdat hij de doos daarna leeg in de prullenbak zette, en ik hem eruit haalde omdat ik dacht dat het een vergissing was. Hij zei: 'Nee, Arends, die doos is leeg, en dat blijft hij.'” Ze keek naar Greet. „Ik heb hem in de schuur gezet. Voor het oud papier.”

„Zijn tas,” zei Ruben. „Een leren tas. Had hij die woensdagavond bij zich?”

„Altijd. Een bruine, met twee gespen. Hij nam hem overal mee naartoe, ook naar de kerk.”

Ruben pakte zijn telefoon en belde. Greet hoorde hem vragen naar de lijst van spullen die in de leeszaal waren gevonden. Ze hoorde hem twee keer „nee” zeggen en één keer „weet u het zeker?”. Toen hing hij op.

„Geen tas,” zei hij. „Niet in de leeszaal. Niet in de garderobe. Niet in de taxi, de taxichauffeur heeft om kwart over elf twintig minuten in de steeg staan wachten en is toen weggereden. Geen tas.”

Ze stonden in de studeerkamer, met de motregen op de ramen en de rivier in de verte. Op het bureau stond een houten kaartenbak, het soort dat bibliotheken vroeger hadden. Greet trok hem naar zich toe en bladerde. Lodewijk had elk stuk op een kaart gezet, met inkt. Ze vond de G. Getijdenboek, IJsselstreek, ca. 1460. Daaronder: Aangekocht 1998. Herkomst: nalatenschap, Gent. Bemiddeling: zie map 1998.

Er was een tweede regel bijgeschreven, in een nieuwere, onzekerdere hand, met potlood:

11 nov. Brinkman: titaanwit. Dertig jaar. Hoe heb ik zo blind kunnen zijn.

Greet legde de kaart neer.

„Gent,” zei Ruben zacht. „Een nalatenschap in Gent. Dat is wat Wennekes u vertelde.”

„Ja.”

„Greet.”

„Ik weet het, Ruben.” Ze keek naar de rivier. „Ik weet wat je denkt. Ik denk het ook. Maar ik ken die man veertig jaar. Hij heeft me door de winter geholpen toen Hidde stierf. Hij bracht soep. Hij heeft mijn dakgoot schoongemaakt.” Ze slikte. „En Bosch wil Anouk.”

„Bosch wil een naam.”

„Dan moeten we haar de goede geven. En daar is meer voor nodig dan een kaartje en een lege plek op een plank.”


Die avond at Greet niet. Ze zat aan de keukentafel met Kaatje op schoot en de radio zacht op een zender met klassieke muziek, zonder te horen wat er speelde. Buiten ging de motregen over in echte regen, die op het dakraam boven de trap tikte zoals woensdagavond.

Om half tien trilde haar telefoon. Een bericht van Ruben. Foto's van TR. Nr. 14 is het papiertje onder de tafel. Zeg maar wat u ziet.

Ze opende het bestand. Er waren er twaalf: de vitrine, de stok aan de leuning, de waterkring met het gele bordje, de bril en de loep. Nummer veertien was een close-up op een grijze ondergrond, met een liniaaltje ernaast. Een driehoekig stukje pergamijn, niet groter dan een postzegel, met een gescheurde rand. Het papier was een beetje gekreukt en vlekkerig aan één kant, waar het nat was geweest.

In de hoek, met grijs potlood, stonden twee cijfers: 98. Het stuk ervoor was weggescheurd.

En daarnaast, vlak tegen de scheurrand, de helft van een klein tekeningetje. Twee schuine streepjes, een rondje, een halve boog.

Een halve kop. Een half oog. Een oor.

Greet zat heel lang heel stil. Kaatje sprong van haar schoot, omdat ze het koud kreeg.

Toen pakte ze de telefoon en belde Ruben.

„Het is een uiltje,” zei ze. „Een half uiltje.”