Hoofdstuk 10: Een half uiltje

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op zondagochtend luidden om tien uur de klokken van de grote kerk, zoals ze elke zondag deden, en Greet ging niet. Ze had al vijfendertig jaar een vaste plek in de zevende rij, aan de kant van het orgel, naast de weduwe Kamphuis die altijd pepermuntjes bij zich had. Vandaag zat ze aan haar keukentafel met een vel papier en een potlood, en de klokken klonken door het open bovenraampje alsof ze haar riepen.

Ruben kwam om half elf, met zijn haar nat van de douche en een doos gevulde koeken van de bakker die op zondag open was. Hij zag het papier op tafel en ging zitten zonder zijn jas uit te trekken.

„U heeft niet geslapen.”

„Jij ook niet.”

„Nee.” Hij legde de doos neer. „Vertel.”

Greet draaide het vel naar hem toe. Ze had het ingedeeld zoals ze vroeger een catalogus indeelde: links wat ze wist, rechts waar het vandaan kwam. Het had haar de hele nacht gekost, en drie keer opnieuw beginnen.

„Ik ga het opzeggen,” zei ze. „Jij zegt waar het niet klopt.”


„Eén. Lodewijk had woensdag om half elf een afspraak in de leeszaal. Dat zegt zijn agenda, en hij zei het zelf tegen Bennie. Femke ziet hem om half elf alleen aan tafel zitten, kijken op zijn horloge, wachten. Die afspraak is om half elf nog niet gekomen.”

Ruben knikte.

„Twee. Om twintig voor elf begint het te regenen. Femke rijdt weg om 22.38, droog. Daarna komt er iemand binnen met een natte paraplu, die hij tegen de radiator zet. De kring op het parket.”

„Ja.”

„Drie. Om ongeveer vijf over elf ziet Bennie iemand met een grote donkere paraplu van het eind van de Kerkhofsteeg de Walstraat in lopen. De zijdeur is dicht. Het licht in de zaal is uit.”

„Ja.”

„Vier. Iemand heeft Lodewijks notitieboekje meegenomen, en zijn leren tas met daarin alle papieren over de aankoop van het Getijdenboek in 1998. Niet zijn portemonnee. Niet zijn telefoon. Alleen het papier dat ging over hoe hij aan dat boek was gekomen.”

„Ja.”

„Vijf. De man die het hem verkocht, wist dat hij erachter was. Lodewijk zei tegen de notaris dat hij 'die man' in de ogen wilde kijken. Tegen Anouk zei hij: eerst met de man die het me verkocht heeft. Tegen Femke: ik weet wie die rotte appel erin heeft gelegd.”

„Ja.”

„Zes. Op Lodewijks kaartje staat: aangekocht 1998, nalatenschap Gent, bemiddeling zie map 1998. De map is weg. Maar Sjoerd heeft mij donderdagavond zelf verteld dat hij het boek in 1998 voor Lodewijk heeft gevonden, bij een notaris in Gent.”

Ruben zei niets. Hij keek naar het papier.

„Zeven,” zei Greet. „Onder de tafel ligt een hoekje pergamijn. Aan één kant nat geweest. Met in potlood een nummer dat eindigt op 98, en een half uiltje. Sjoerd tekent sinds 1983 een uiltje op elk pergamijntje dat zijn winkel uit gaat. Ik heb het hem donderdagavond nog zien doen. Anouk schrijft nooit op pergamijn.”

„De collectie van Ter Haar zat vol boeken die bij Wennekes vandaan kwamen,” zei Ruben. „Dat hoekje kan al jaren in zijn spullen hebben gezeten. Een advocaat zegt dat meteen.”

„Dat dacht ik vannacht om drie uur ook.” Greet tikte op het papier. „Maar de collectie lag in het magazijn. Anouk heeft alles opnieuw ingepakt, in haar eigen blanco papier. Er lag woensdagavond niets in de leeszaal behalve het Getijdenboek, in de vitrine, zonder verpakking. En het hoekje is nat geweest. Het is woensdagavond met de regen binnengekomen.”

Ruben pakte een koek uit de doos, keek ernaar, legde hem terug.

„Verder.”

„Acht. Toen ik donderdagavond bij Sjoerd zat, stond zijn paraplu open te drogen in de achterkamer. Een grote, groene, met een koperen punt. Hij zei dat hij die middag een bui op zijn kop had gekregen bij de brug.” Ze keek Ruben aan. „Heeft het donderdag geregend, Ruben?”

Hij haalde zijn telefoon tevoorschijn. Hij hoefde niet lang te zoeken.

„Nul komma nul millimeter,” zei hij. „Weerstation Heino. Donderdag de hele dag droog. Helder. Vorst in de nacht.”

„Ik heb die avond nog naar de sterren staan kijken in de Walstraat,” zei Greet. „Ik dacht nog: wat is het mooi. Ik heb niet nagedacht.”


„Negen,” zei ze, langzamer nu. „Hij zei dat hij woensdagavond om tien uur wegging. Recht naar huis. Maar om tien over tien stond hij nog bij de vitrine, met zijn neus tegen het glas, toen Lodewijk zei: om half elf, dan is het hier rustig. Dat heb ik zelf gehoord.”

„Hij kan zich vergissen.”

„Dat dacht ik ook. Tien.” Ze trok haar telefoon naar zich toe. „Ik wil eerst iemand bellen.”

Ze belde Bennie. Gerda nam op, schor van de griep, en riep hem. Greet hoorde hem de trap af komen.

„Bennie. Ik moet iets weten. Donderdagochtend, toen je Lodewijk gevonden had. Wie heb je verteld dat zijn stok aan de leuning hing?”

Het was even stil.

„De politie,” zei Bennie. „Jou. Meneer Lankhorst, die kwam om acht uur, die heeft het zelf gezien. Verder niemand. Gerda lag op bed. Ik heb tegen de buren gezegd dat ik niks mocht zeggen. Ik heb niks gezegd, Greet. Ook in De Waag niet.”

„Dank je, Bennie.”

„Waarom?”

„Ik vertel het je later.”

Ze hing op en keek Ruben aan.

„Donderdagavond zei Sjoerd tegen mij: 'Zonder stok een trap op. Lodewijk.' Ik had hem niet over de stok verteld. Ik had alleen gezegd dat ze dachten dat hij gevallen was. Hij zei zelf: van de wenteltrap. Dat wist de halve stad. Maar dat van de stok niet. Dat stond niet in de Courant. En Jeroen zweert dat hij er met niemand over heeft gesproken. Dat heb ik hem gisteren nog gevraagd, bij de personeelsingang, toen jij al buiten stond.”

Ruben zat heel stil.

„En elf,” zei Greet. „De W.”

„W. 22.30.”

„Heb je zijn agenda bij je?”

Hij haalde het doorzichtige zakje uit zijn binnenzak. Hij had het altijd bij zich, besefte Greet, al vier dagen. Ze legden het samen plat op tafel en bogen zich erover. Dezelfde week. Maandag: Brug. 14.00. Dat was de bridgeclub. Dinsdag: B. 9.00. En verderop die dag: v. R. 15.00. En: L. 16.15.

„Brinkman, om negen uur 's ochtends bij hem thuis,” zei Greet. „Van Rijn, de notaris, om drie uur. Lankhorst, om kwart over vier, toen de notaris hem belde en Lodewijk erbij zat.” Ze legde haar vinger op woensdag. „Hij schreef mensen met wie hij zaken deed op bij hun achternaam. Altijd. Hij noemde ze ook zo, in het echt. Hofstede. Brinkman. Wennekes. Alleen de mensen met wie hij in de zesde klas had gezeten, noemde hij bij hun voornaam. Willem. Mij noemde hij Greet, maar mij zou hij nooit in een agenda zetten, ik kwam gewoon.” Ze keek op. „Als hij woensdag om half elf Willem had verwacht, had er een S gestaan. Van Stegeman. Of hij had het helemaal niet opgeschreven, zoals Willem zelf zei. W is een achternaam.”


Het was een tijdlang stil in de keuken. De klokken waren opgehouden met luiden. Ergens in de straat sloeg een autodeur dicht, en een kind riep iets over een hond.

„Het is genoeg,” zei Ruben ten slotte. „Voor een huiszoeking. Niet voor een veroordeling. Maar wel om te kijken.”

„Wat zoek je dan?”

„Het boek waar dat hoekje van af komt. Hij heeft iets in pergamijn meegenomen naar de leeszaal. Waarom zou je met een ingepakt boek naar een man gaan die je van bedrog gaat beschuldigen?”

„Om het goed te maken,” zei Greet meteen. „Om iets te ruilen. Om hem om te kopen. Sjoerd gelooft dat je alles met een mooi boek kunt goedmaken. Dat heeft hij altijd geloofd. Hij heeft me na Hiddes begrafenis een eerste druk van Gezelle gegeven, omdat hij niet wist wat hij moest zeggen.”

„En de tas. En het notitieboekje.”

„Als ze er nog zijn.”

Ruben stond op, liep naar het raam, en keek naar de straat.

„Ik bel Bosch,” zei hij. „Zij moet het aan de officier van justitie voorleggen. Op zondag. Ze gaat me vermoorden.” Hij draaide zich om. „Morgenochtend, op zijn vroegst.”

„Morgenochtend om half tien is er een bijeenkomst in de leeszaal,” zei Greet. „Jeroen belde me gisteravond. De politie geeft de zaal morgen vrij. Hij wil een kwartiertje stilte houden voor Lodewijk, met de mensen die er woensdag bij waren. Femke komt. Willem. Bennie. Anouk. En Sjoerd.”

Ruben keek haar aan. „Dan is hij niet in de winkel.”

„Nee.”

„Dan kunnen mijn collega's naar binnen terwijl hij in de leeszaal zit.”

„En dan zit hij daar, aan die tafel, waar Lodewijk zat. En ik zit daar ook.” Greet vouwde het vel papier dubbel, en nog een keer. „Ik wil het hem vragen, Ruben. Ik wil het hem zelf vragen. In die zaal. Ik ben het Lodewijk verschuldigd. En ik ben het Sjoerd verschuldigd.”

„Dat is geen politiewerk.”

„Nee. Het is bibliotheekwerk. Je zet alles op de juiste plank.” Ze keek naar hem op. „Jij zit erbij. Bosch mag erbij zitten. Maar laat mij praten.”

Hij zei lange tijd niets. Toen haalde hij zijn telefoon tevoorschijn en liep de gang in om Bosch te bellen. Greet hoorde zijn stem door de deur heen, eerst zacht, dan harder, dan weer zacht. Het duurde twintig minuten. Toen hij terugkwam, ging hij zitten en at zonder iets te zeggen twee gevulde koeken achter elkaar.

„Tien uur,” zei hij met volle mond. „Huiszoeking om tien uur. Bosch komt zelf naar de leeszaal. Ze zei: als die mevrouw Valkema het verpest, is het haar schuld, en als het goed gaat, is het mijn verdienste.”

„Dat lijkt me eerlijk.”

„Dat lijkt mij ook.”


Die avond, rond acht uur, fietste Greet door de Walstraat. Ze had het niet van plan gehad. Ze was op weg naar de apotheek met de nachtdienst, voor Kaatjes oogdruppels, en de Walstraat was de kortste weg. Dat hield ze zichzelf voor.

In het antiquariaat brandde licht. Achter de etalage, achter de atlas en de porseleinen uil, zat Sjoerd aan zijn tafel in de winkel, met zijn leesbril op, pergamijn voor zich, een potlood in zijn hand. Hij keek op toen ze voorbij fietste, herkende haar, en zwaaide. Zijn gezicht was warm en moe en vertrouwd, het gezicht van veertig jaar koffie.

Ze zwaaide terug. Ze kon niet anders.

Pas op de hoek van de Kerkhofsteeg keek ze omhoog. Uit de schoorsteen van nummer veertien kwam rook, dun en grijs, recht omhoog in de windstille lucht. Op de bovenverdieping, waar Sjoerd woonde, stond nog de oude potkachel van zijn vrouw, wist ze. Die stookte hij nooit. Hij had een hekel aan het gesjouw met hout. Hij zei altijd dat de gaskachel beneden genoeg was voor hem en Dirk.

Het was niet koud vanavond. Het was de zachtste avond van de week.

Greet bleef staan met haar voet op de stoeprand. Ze rook het. Niet hout. Iets anders. Papier, en iets wat zoetig en scherp tegelijk was. Leer.