Hoofdstuk 11: Alle stoelen bezet
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Maandagochtend was helder en koud, met een wind uit het oosten die de laatste bladeren van de lindes op de Kerkstraat trok. Greet was om negen uur bij het Broederhuis, een half uur te vroeg. Bennie had de verwarming al aangezet. Het rook in de gang naar warm stof, de geur van elke eerste koude week van het jaar, zo vertrouwd dat ze er even van moest gaan zitten op het bankje bij de uitleenbalie.
Het zegel was van de deur van de leeszaal. Jeroen had de klapstoelen laten weghalen en alleen de eiken stoelen om de lange tafel laten staan, twaalf stuks, zes aan elke kant. De glazen en de schaal met bitterballen waren weg. De vitrine stond leeg, met het deksel dicht. Het Getijdenboek lag bij de politie, in een doos, en daarna zou het naar Femke gaan, die het geërfd had zonder het te willen.
Aan het hoofd van de tafel, onder de lamp met het barstje, stond geen stoel.
„Ik kon het niet,” zei Jeroen, die achter haar binnenkwam. „Er een stoel neerzetten. Dat leek me niet goed.”
„Nee,” zei Greet. „Het is goed zo.”
In de hoek stond de wenteltrap, zwart en sierlijk, en aan de derde trede hing niets meer. Bij de radiator naast de deur zat de vage ring nog in het eikenhout. Iemand had er een vierkant stukje plakband naast geplakt, met een nummer erop, en het was vergeten.
Ze kwamen binnen zoals ze woensdag binnen waren gekomen, maar stiller, en met minder jassen open.
Bennie eerst, in een colbert dat hij volgens Greet alleen voor begrafenissen droeg, met zijn handen tegen elkaar alsof hij ergens om moest vragen. Toen Willem Stegeman, die zijn baard extra kort had geknipt en een zwarte das om had. Hij knikte naar Bennie zoals woensdag, kort. Ze gingen niet naast elkaar zitten.
Anouk kwam met mevrouw Ploeger, die haar tot aan de deur bracht en haar een duwtje gaf. Ze ging aan het eind van de tafel zitten, zo ver mogelijk van de lege plek.
Femke kwam alleen, in een zwarte jas die er nieuw uitzag. Ze keek de zaal rond, naar de galerij, naar de ramen aan de Kerkstraat. Toen naar Greet. Ze glimlachte heel even en ging naast Anouk zitten.
Ruben stond bij de deur, met zijn jas aan. Naast hem stond Marga Bosch, in haar donkerblauwe parka, met haar armen over elkaar. Ze knikte naar Greet, één keer. Dat was alles.
Om twee voor half tien kwam Sjoerd.
Hij had zijn bruine pak weer aan, met de knopen die niet dicht konden. Hij had zich geschoren en er een plekje bij zijn kin gemist. Hij liep naar Greet, gaf haar een kus op haar wang en drukte even haar hand.
„Mooi dat Jeroen dit doet,” zei hij zacht. „Lodewijk had het gewild.”
„Denk je?”
„Hij hield van dingen die op hun plek staan.” Hij keek naar de lege plek aan het hoofd van de tafel en slikte. Toen ging hij zitten, tegenover Greet, met zijn rug naar de wenteltrap.
Jeroen hield een toespraak van vier minuten. Hij had hem uitgeschreven en hield het papiertje vast met twee handen. Hij zei dat Lodewijk ter Haar van deze zaal had gehouden, dat de zaal open zou blijven dankzij hem, en dat hij hoopte dat de stad dat nooit zou vergeten. Hij zei niets over het Getijdenboek. Toen vroeg hij om een minuut stilte.
Het werd stil. Echt stil, zoals alleen deze zaal stil kon worden, met de dikke muren en het gedempte licht door de lantaarn. Greet hoorde de klok boven de deur tikken. Ze hoorde iemand slikken. Buiten reed een vuilniswagen langzaam door de Kerkstraat en de remmen piepten.
Toen de minuut voorbij was, schraapte Jeroen zijn keel.
„Greet heeft gevraagd of ze iets mocht zeggen,” zei hij. „Ze kende Lodewijk het langst van ons allemaal. Op Willem na.”
„Ik ken hem niet het langst,” zei Willem. „Ik ken hem het slechtst. Dat is iets anders.”
Een paar mensen lachten zacht. Greet stond niet op. Ze legde haar handen plat op de tafel, op het hout dat ze achtendertig jaar lang had gepoetst, en keek de kring rond.
„Ik ga jullie vertellen wat er woensdagavond in deze zaal is gebeurd,” zei ze. „Zo goed als ik het weet. Het is geen fijn verhaal. Maar jullie waren er allemaal bij, op de een of andere manier, en jullie hebben allemaal iets verzwegen. Ik ook. Ik vind dat het tijd wordt dat het op tafel ligt.”
Ze zag Bosch bij de deur haar armen van elkaar halen. Ruben keek op zijn telefoon en stak hem toen weer in zijn zak.
„Om vijf over tien,” zei Greet, „ging Femke weg. Na een ruzie met haar oom. Iedereen heeft het gezien.” Ze keek Femke aan. „Femke zat in de parkeergarage en kon niet wegrijden. Om half elf stond ze aan de overkant van de straat, voor dat raam daar. Ze keek naar binnen. Haar oom zat hier, aan het eind van de tafel, met het Getijdenboek en zijn loep en zijn zwarte boekje. Hij leefde. Hij keek op zijn horloge. Hij wachtte op iemand. Femke heeft niet geklopt. Ze is om 22.38 weggereden. Dat staat op een camera. Om twintig over elf was ze in Zwolle. Dat staat op een andere camera.”
Femke keek naar haar handen. Ze knikte.
„Ze had geen paraplu,” zei Greet. „Ze had een pleister op haar vinger van het ijzeren hek voor het raam, en verder niets. Het was nog droog toen ze wegreed.”
Ze draaide haar hoofd.
„Bennie en Willem gingen om kwart over tien weg, samen, en hebben tot elf uur, Willem zelfs tot kwart over elf, in De Waag biljart gespeeld. Riek Smit staat achter de bar en de deur piept. Ze zijn er niet uit geweest. Bennie omdat hij vijftien jaar lang zijn woensdagavond heeft gestolen, en Willem omdat hij Truus vorig jaar heeft beloofd dat hij nooit meer een borrel zou drinken.”
Willem kreeg een kleur tot in zijn baard. Bennie keek naar het plafond.
„Jeroen was om twintig over tien thuis bij Ilse. Hij had geen enkele reden om Lodewijk iets aan te doen. Hij wist sinds dinsdag dat het Getijdenboek uit de schenking was gehaald, en dat heeft hij voor zich gehouden, omdat hij bang was voor de gemeenteraad. Dat was niet slim, maar het is geen moord.”
Jeroen wilde iets zeggen en deed het niet.
„Anouk was om twintig over tien bij mevrouw Ploeger en heeft daar tot half twaalf naar een quiz gekeken. Ze wist wel iets. Ze wist meer dan wie van ons ook.” Greet keek naar het meisje aan het eind van de tafel. „Mag ik het vertellen?”
Anouk knikte, nauwelijks.
„Maandag vorige week heeft Anouk ontdekt dat de miniaturen in het Getijdenboek niet echt zijn. Het perkament is oud. De tekst is oud. Maar de schilderingen zijn in de twintigste eeuw gemaakt, op geschraapte plekken. Met verf die in 1460 nog niet bestond. Het stadje op de achtergrond, met de toren die op die van Oudeweer lijkt, is erin geschilderd voor één koper. Voor iemand die van deze stad hield.”
Het was doodstil. Willem had zijn mond open. Jeroen keek naar de lege vitrine.
„Lodewijk wist het sinds dinsdagochtend,” zei Greet. „Dinsdagmiddag haalde hij het boek uit de schenking. Dinsdagavond belde hij Femke en zei: er zit een rotte appel in mijn collectie, en ik weet wie hem erin heeft gelegd. Tegen de notaris zei hij dat hij de man die het hem had verkocht eerst in de ogen wilde kijken. Woensdagochtend haalde hij uit zijn archief alle papieren over de aankoop. Woensdagavond vroeg hij aan Bennie of de zijdeur op de klink mocht. Hij had een afspraak. Om half elf. In zijn agenda staat: W. 22.30.”
Ze wachtte even. Niemand zei iets. Ze zag Sjoerd tegenover zich zitten, met zijn handen gevouwen op tafel, zijn hoofd een beetje schuin, zoals hij altijd luisterde als zij hem over een boek vertelde dat ze wilde kopen.
„Om twintig voor elf begon het te regenen,” zei Greet. „Kort daarna kwam er iemand binnen door de zijdeur. Met een grote, natte paraplu, die hij daar bij de radiator neerzette. De kring zit er nog. Hij had iets bij zich, ingepakt in pergamijn. Een boek, denk ik. Een cadeau. Iets om het goed te maken.”
„Greet,” zei Jeroen voorzichtig.
„Laat me even, Jeroen.” Ze keek niet naar hem. „Er is ruzie geweest. Lodewijk is gevallen. Niet van die trap. Hier, bij de tafel. Hij is met zijn achterhoofd tegen deze rand geslagen.” Ze legde haar hand op de afgeronde hoek van het eikenhout. „Daarna is hij naar de voet van de wenteltrap gebracht. Zijn stok is aan de leuning gehangen, keurig, zoals je een paraplu ophangt. Zijn bril is opgevouwen. Het licht is uitgedaan, bij de deur, waar de schakelaar zit. Het notitieboekje en de leren tas met de papieren over 1998 zijn meegenomen. En om vijf over elf zag Bennie, toen hij terugkwam, aan het eind van de steeg iemand met een paraplu de hoek om gaan. De Walstraat in.”
Ze keek op. Ze keek Sjoerd aan, recht in zijn gezicht.
„Het Getijdenboek is in 1998 gekocht, Sjoerd. Uit een nalatenschap in Gent. Dat heb je me donderdagavond zelf verteld, in je achterkamer, terwijl je paraplu daar open stond te drogen.”
Sjoerd zei niets. Hij bleef haar aankijken met zijn vriendelijke, vermoeide ogen. Toen glimlachte hij, een beetje, zoals je glimlacht naar een kind dat een rijmpje verkeerd opzegt.
„Greet,” zei hij. „Lieve Greet. Ik was om tien uur thuis.”
Bij de deur ging Rubens telefoon. Hij nam niet op. Hij keek naar het schermpje, las iets, en keek toen op, over de hoofden heen, naar Greet.
Hij knikte. Eén keer.