Hoofdstuk 12: Het laatste blad
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
„Je was om tien uur thuis,” herhaalde Greet.
„Ja.” Sjoerd spreidde zijn handen, een beetje hulpeloos. „Ik weet niet wat ik je moet zeggen. Ja, ik heb dat boek in 1998 voor Lodewijk gevonden. Ja, ik had een tip uit Gent. Als het vals is, dan ben ik net zo bedrogen als hij. Dan heeft een Belg ons allebei bij de neus genomen. Dat is vreselijk. Dat is het ergste wat een antiquaar kan overkomen.” Hij keek de tafel rond, naar Femke, naar Jeroen, naar Willem. „Maar ik was om tien uur thuis. Met Dirk.”
„Om tien over tien stond je bij de vitrine,” zei Greet. „Met je neus tegen het glas. Ik stond naast je. Lodewijk zei: om half elf, dan is het hier rustig. Ik dacht dat hij het tegen Jeroen had, of tegen Willem. Hij had het tegen jou.”
„Je vergist je in de tijd. Het was een drukke avond.”
„Kan zijn.” Ze knikte. „Donderdagavond stond je paraplu open te drogen. Je zei dat je die middag een bui op je kop had gekregen bij de brug. Het heeft donderdag niet geregend, Sjoerd. Geen druppel. Ik heb die avond in jouw straat naar de sterren staan kijken.”
Hij zei niets. Zijn handen lagen nog steeds op tafel, maar de vingers waren iets in elkaar gekropen.
„En je zei: zonder stok een trap op. Lodewijk. Ik had jou niets over zijn stok verteld. Niemand had dat. Het stond niet in de krant. Bennie heeft het alleen aan de politie verteld en aan mij. Jij wist dat zijn stok niet bij hem lag, omdat jij hem zelf aan die leuning hebt gehangen.”
„Greet...”
„In zijn agenda staat W.,” zei ze, zachter nu. „Lodewijk schreef zijn afspraken op bij de achternaam. Brinkman, B. Van Rijn, v. R. Lankhorst, L. Hij heeft in zestig jaar nooit een afspraak met Willem opgeschreven. Hij belde hem gewoon. W. is Wennekes.”
Willem Stegeman maakte een geluid, iets tussen een zucht en een vloek. Femke had haar hand voor haar mond.
„Onder deze tafel,” zei Greet, „lag een hoekje pergamijn. Nat aan één kant. Met een nummer in potlood dat eindigt op achtennegentig. En een half uiltje.”
Het bleef lang stil. De klok boven de deur tikte. Ergens boven, op de galerij, kraakte iets in het oude hout, zoals het altijd deed als de verwarming aanging.
Ruben liep van de deur naar de tafel. Hij bleef naast Greets stoel staan, met zijn telefoon in zijn hand.
„Meneer Wennekes,” zei hij. „Mijn collega's zijn sinds tien uur in uw winkel en uw woning, met een machtiging van de officier van justitie. Ze hebben op uw werktafel een boek gevonden. Een Deventer druk uit 1512, in nieuw pergamijn. In de prullenbak eronder lag de oude verpakking. Nummer 4398. Er mist een hoek.” Hij keek op het scherm. „En in de potkachel op de bovenverdieping hebben ze as gevonden, en twee koperen gespen van een tas, en een stukje van een zwart elastiekje.”
Sjoerd keek naar het scherm, niet naar Ruben. Toen keek hij naar Greet.
Er gebeurde iets met zijn gezicht. Het werd niet harder. Het werd ouder. Alsof iemand de lucht eruit liet lopen.
„Ik kreeg het niet verbrand,” zei hij. „Vier dagen niet. Zijn handschrift. Al die boekjes van hem, veertig jaar, en ik moest er een in de kachel gooien. Gisteravond pas. Ik heb er de hele avond naast gezeten.”
„Sjoerd,” zei Greet.
„Het was geen Gent.” Hij zei het tegen het tafelblad. „Er was geen notaris. Er was een man in Antwerpen die oude, kapotte getijdenboeken opkocht en ze opknapte. Zo noemde hij het. Opknappen. Ik had in 1998 geen geld meer. Annie was ziek, de winkel liep niet, ik had twee jaar de huur niet betaald. Hij liet me een boek zien met lege plekken waar ooit miniaturen hadden gezeten, eruit gesneden in de negentiende eeuw door iemand die ze los verkocht. Hij zei: ik kan ze terugzetten. Mooier dan ze waren. Voor een koper die je kent.” Sjoerd keek op. „Ik heb hem een foto van de toren van Oudeweer gegeven.”
Femke stond op. Anouk trok haar zacht terug op haar stoel.
„Ik dacht: Lodewijk heeft geld genoeg. Hij gaat het nooit verkopen. Hij gaat er alleen naar kijken. Het maakt hem gelukkig. Het maakt mij gered. Wie wordt daar slechter van?” Zijn stem brak. „Achtentwintig jaar heeft hij ernaar gekeken. Achtentwintig jaar was hij er gelukkig mee. En toen kwam zij met haar lamp.”
Hij keek naar Anouk. Ze keek terug, wit, maar ze sloeg haar ogen niet neer.
„Woensdag na de toespraak zei hij tegen me: Wennekes, half elf, kom via de zijdeur. We moeten het over 1998 hebben. Ik wist meteen wat hij bedoelde. Ik ben naar huis gegaan en heb een uur in de winkel gezeten. Toen heb ik dat boek uit de kast gepakt. De Deventer druk. Het mooiste wat ik had. Ik dacht: als ik hem dat geef, als ik hem zeg dat het me spijt, dan...” Hij schudde zijn hoofd. „Ik was te laat. Het regende. Hij zat daar, met zijn loep, en hij keek niet eens op toen ik binnenkwam. Hij zei: zet je paraplu maar bij de radiator, Wennekes, je maakt de vloer nat.”
Hij vertelde het allemaal, daar aan de tafel, met zijn handen op het eikenhout en Marga Bosch inmiddels achter zijn stoel. Greet hoorde het aan zonder hem één keer niet aan te kijken. Ze vond dat ze dat moest doen.
Lodewijk had het boek in pergamijn weggeschoven zonder het open te maken. Hij had gezegd dat hij aangifte zou doen. Dat hij het in de Courant zou zetten. Dat hij elk boek dat Wennekes in veertig jaar aan de bibliotheek, aan de Vereniging, aan hem en aan wie dan ook had verkocht, zou laten onderzoeken door die mevrouw met haar lamp. Dat hij ervoor zou zorgen dat er in heel Nederland geen verzamelaar meer een boek met een uiltje erop zou durven kopen.
„Toen stond hij op,” zei Sjoerd. „Met zijn stok. Hij wilde dat ik ging. Hij wees naar de deur. Ik pakte zijn arm. Ik wilde alleen dat hij bleef staan. Dat hij luisterde. Hij trok zich los en ik...” Hij hield op. „Ik heb hem geduwd. Eén keer. Niet hard. Hij was zo licht. Hij viel achterover, met zijn stok nog in zijn hand, en ik hoorde zijn hoofd tegen de tafel. Dat geluid.”
Niemand zei iets.
„Hij bewoog niet meer. Ik heb zijn pols gevoeld. Ik heb naast hem gezeten. Ik weet niet hoe lang. En toen dacht ik: hij is gevallen. Hij is gewoon gevallen. Oude mannen vallen.” Sjoerd wreef over zijn ogen. „Ik heb hem naar de trap gedragen. Ik heb zijn stok opgehangen. Ik kon hem niet op de grond leggen, Greet. Niet zijn stok. Dat kon ik niet.”
„Dat weet ik,” zei Greet. „Daardoor wist ik het.”
„Ik heb zijn bril opgevouwen. Zijn boekje en zijn tas meegenomen. Het boek in het pergamijn. Het scheurde toen ik het van de grond pakte, maar dat zag ik niet. Ik heb het licht uitgedaan. Ik ben door de steeg naar huis gegaan.” Hij keek de zaal rond, de galerij, de kasten, de lantaarn met het daglicht erin. „Ik hield van deze zaal. Ik heb hier veertig jaar boeken naartoe gebracht. Ik dacht: als ik het zo laat lijken, blijft de zaal tenminste open. Krijgt de stad zijn geld. Blijft alles zoals het was.”
„Behalve Lodewijk,” zei Femke. Haar stem was heel kalm.
Sjoerd keek haar aan. Hij knikte. „Behalve Lodewijk.”
Marga Bosch legde een hand op zijn schouder. Hij stond op, langzaam, zoals een oude man opstaat. Bij de deur bleef hij staan en draaide zich om naar Greet.
„Je hebt die uiltjes er nooit af gehaald,” zei hij.
„Nee,” zei Greet. „En dat ga ik ook niet doen.”
Het werd december. Op de Markt stond een kerstboom met lampjes die om vijf uur aangingen, en voor de deur van De Waag hing een krans die Riek elk jaar van haar zus kreeg en elk jaar lelijk vond. In de Oudeweerse Courant hadden drie weken lang stukken gestaan over de antiquaar in de Walstraat, over Antwerpen, over de vraag hoeveel boeken met een uiltje erop nog meer niet klopten. Anouk Brinkman had er tot nu toe veertien onderzocht. Twaalf waren in orde. Over de andere twee zou ze in januari schrijven.
De winkel op de hoek van de Kerkhofsteeg was dicht. De porseleinen uil stond nog in de etalage. Dirk de poes woonde bij mevrouw Jansen met de teckel, wat geen van beiden leuk vond.
Femke had de leeszaal één keer bezocht, aan het begin van december, met een advocaat en een map. Ze had het Getijdenboek geërfd, omdat haar oom het op het laatste moment uit de schenking had gehaald, en ze had het een week later aan de bibliotheek gegeven. „Een eerlijke vervalsing,” had ze tegen Jeroen gezegd. „Het enige stuk in de collectie waarvan iedereen precies weet wat het is.” Jeroen had er een kleine tentoonstelling omheen gemaakt, met Anouks metingen, foto's onder ultraviolet licht en een kaartje in Lodewijks handschrift: Hoe heb ik zo blind kunnen zijn. Er kwamen in twee weken meer bezoekers dan in het hele jaar daarvoor. De gemeenteraad zei niets meer over sluiten.
Willem Stegeman had het kwartaalblad van de Vereniging aan Lodewijk gewijd, twaalf pagina's, zonder een woord over musea. Truus wist inmiddels van De Waag. Ze ging nu zelf mee, op woensdagavond, en Riek zei dat ze beter biljartte dan alle twee de mannen bij elkaar.
Bennie deed elke avond om elf uur zijn ronde. Elke avond deed hij de deur van de leeszaal open en het licht aan, keek even, en deed het licht weer uit.
Op de eerste donderdag van december, om twee uur 's middags, zat Greet Valkema aan het eind van de lange tafel, onder de lamp met het barstje. Jeroen had haar gevraagd of ze op donderdagmiddag de leeszaal wilde openhouden, als vrijwilliger, voor mensen die de historische collectie wilden zien. Ze had gezegd dat ze erover zou nadenken. Ze had er een halve minuut over nagedacht.
De deur ging open. Ruben kwam binnen met een rode neus van de kou en een plastic tas in zijn hand.
„Bosch heeft me een nieuwe zaak gegeven,” zei hij. „Een inbraak in Olst. Ze zei: als je die mevrouw Valkema nodig hebt, neem haar dan mee, maar zeg het niet tegen de officier.”
„Dat is een compliment.”
„Van Bosch wel.” Hij zette de plastic tas op tafel. „Voor de collectie.”
Ze haalde er een boek uit. Het was oud en een beetje kromgetrokken, met een kaft vol vlekken en een tekening van een brontosaurus die in een moeras stond. Achterin zat nog een uitleenkaartje van de bibliotheek van Oudeweer, met haar eigen stempel erop.
„Mijn moeder heeft het nooit teruggebracht,” zei Ruben. „Ze heeft het betaald en daarna gehouden. Het lag al twintig jaar op zolder.”
Greet sloeg het open. Op de eerste bladzijde stond in potlood, in grote kinderletters: RUBEN DIJKHUIS. NIET AANKOMEN.
„Dit is geen historische collectie,” zei ze.
„Nog niet.”
Ze lachte, voor het eerst in weken. Toen stond ze op.
„Ik moet iets halen,” zei ze. „Voor Lodewijk. Het deel van de Oudeweerse kroniek dat hij altijd wilde lezen. Het staat bovenin.”
Ze liep naar de hoek van de zaal. De wenteltrap was zwart en sierlijk en had zesentwintig treden, wist ze, en de vijftiende kraakte. Ze legde haar hand op de koude leuning, op de krul waar de stok had gehangen.
Toen klom ze naar boven, tree voor tree, zoals ze dat achtendertig jaar lang had gedaan, voor iemand die het zelf niet durfde.