Hoofdstuk 8: De gewijzigde akte

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Op zaterdag motregende het. Het was het soort regen dat niet valt maar in de lucht blijft hangen, dat in je wimpers gaat zitten en op je fietszadel een laagje achterlaat dat je pas voelt als je erop zit. Greet had haar regenbroek aan, de groene, die Hidde ooit had gekocht en die haar nog altijd te lang was bij de enkels.

Het notariskantoor van mr. Hanna van Rijn zat in een herenhuis aan de Brink, met een koperen plaat naast de deur die elke week gepoetst werd. Ruben stond al op de stoep, met zijn capuchon op en een papieren zak met croissants in zijn hand. Hij gaf er een aan Greet zonder iets te zeggen. Het werd een gewoonte, dacht ze.

„Bosch weet dat ik hier ben,” zei hij. „Ze zei: als het iets is, bel me. Als het niks is, bel me niet.”

„Dan hopen we dat je moet bellen.”


Mr. Van Rijn was een vrouw van in de vijftig met een strak donkerblauw pak en leesbril aan een kettinkje, en ze had de ogen van iemand die twee nachten slecht had geslapen in een hotel en daarna ook niet. Ze liet hen binnen in een kamer met hoge ramen en een bureau zo groot als een roeiboot. Op het bureau lag een map.

„Ik heb meneer Ter Haar vijftien jaar als cliënt gehad,” zei ze. „Hij was de meest precieze man die ik ken. Hij las elke akte twee keer, en de tweede keer hardop.” Ze schoof de map naar hen toe. „Dinsdagmiddag om drie uur stond hij hier zonder afspraak. Dat had hij nog nooit gedaan.”

Ruben sloeg de map open. Greet boog zich over zijn schouder. Het was de schenkingsakte, met een bijlage waarop de collectie stond beschreven, stuk voor stuk, in nummers. Bij nummer één stond: Getijdenboek, Noordelijke Nederlanden (IJsselstreek?), ca. 1460, perkament, 212 bladen, 14 miniaturen. En daaronder, in een ander lettertype, toegevoegd:

Dit stuk wordt vooralsnog uitdrukkelijk van de schenking uitgezonderd, in afwachting van nader onderzoek naar echtheid en herkomst. Het wordt de Stichting Bibliotheek Oudeweer slechts voor de duur van de ceremonie op 12 november in bruikleen gegeven.

„Twaalf november,” mompelde Greet. Woensdag.

„Hij wilde dat ik dit erin zette,” zei mr. Van Rijn. „De rest van de schenking bleef ongewijzigd. De boeken, de prenten, de kaarten, het fonds van twee miljoen. Alleen dit ene stuk niet. Woensdag om vijf uur hebben hij en meneer Lankhorst de akte zo getekend, hier aan dit bureau. Daarna ben ik met mijn man naar huis gegaan en donderdag vroeg naar Brussel.”

„Wist meneer Lankhorst ervan?” vroeg Ruben.

„Ik heb hem dinsdagmiddag gebeld, op verzoek van meneer Ter Haar. Hij was er niet blij mee. Hij vroeg of het ceremonieel nog door kon gaan. Meneer Ter Haar zei ja. Hij zei: het boek ligt er woensdag gewoon, niemand hoeft het te weten. Nog niet.” Ze haalde haar bril van haar neus. „Hij vroeg meneer Lankhorst om er tegen niemand over te spreken tot hij eerst met iemand had gepraat.”

„Met wie?”

„Dat zei hij niet. Maar hij stelde me een vraag die ik niet vergeten ben.” Ze keek naar de motregen op het raam. „Hij vroeg: 'Mevrouw Van Rijn, als ik iemand beschuldig van bedrog dat bijna dertig jaar geleden is gepleegd, wat kan ik dan nog?' Ik heb gezegd dat het strafrechtelijk lastig wordt, verjaring, maar dat de naam van zo iemand er natuurlijk niet beter op wordt. Dat hij aangifte kon doen. Dat ik hem een goede advocaat kon aanraden.”

„En wat zei hij?”

„Dat hij eerst die man in de ogen wilde kijken.” Ze zweeg even. „Die man. Hij zei 'die man'. Dat heb ik genoteerd, want ik noteer alles. Ik noteer het ook als cliënten me iets vertellen wat niet in een akte hoort.”


In de gang trok Greet haar regenbroek weer aan, wat moeilijker was dan het eruitzag. Ruben wachtte.

„Een man,” zei hij. „Dat haalt Femke eraf. En Anouk Brinkman.”

„Als we hem op zijn woord geloven. En als het bedrog en de dood iets met elkaar te maken hebben.”

„U gelooft dat het zo is.”

„Ik geloof dat Lodewijk dinsdag naar de notaris ging, dinsdagavond Femke belde en woensdagavond om half elf iemand verwachtte. Ik geloof dat hij geen man was die drie dingen achter elkaar deed die niks met elkaar te maken hadden.” Ze ritste haar jas dicht. „En Jeroen heeft ons niets verteld.”


De bibliotheek was nog steeds dicht. Op de stoep lagen nu acht bosjes bloemen, de meeste doorweekt, en iemand had een plastic boekje van de Oudheidkundige Vereniging tegen de deur gezet met een kaarsje erbij dat al lang was uitgegaan. Jeroen Lankhorst liet hen binnen via de personeelsingang. Hij zag er grauw uit. Hij had dezelfde trui aan als donderdag.

In zijn kamer op de eerste verdieping, met uitzicht op de kerk, ging hij zitten achter een bureau vol stapels post en een fotootje van zijn kinderen op een strand. Hij keek naar de map die Ruben op tafel legde en zuchtte.

„Ja,” zei hij. „Ik wist het.”

„Sinds dinsdag.”

„Sinds dinsdagmiddag om kwart over vier.” Hij wreef over zijn gezicht. „Ik heb het u niet verteld omdat ik bang was. Dat is het eerlijke antwoord. Als in de krant komt dat het topstuk van de schenking misschien vals is, wat denkt u dan dat de gemeenteraad zegt? Dat de stad een collectie oud papier heeft gekregen. Dat de bibliotheek zich voor gek heeft laten zetten. Ze zoeken al twee jaar naar een reden om ons te sluiten. Dit zou een cadeautje zijn geweest.”

„Er is een man dood,” zei Ruben.

„Dat weet ik!” Het kwam er harder uit dan Jeroen bedoeld had. Hij schrok er zelf van. „Sorry. Dat weet ik. Ik heb hem niets gedaan. Ik was om twintig over tien thuis, mijn vrouw kan het zeggen, we hebben nog een aflevering van een serie gekeken en zijn gaan slapen. Ik had geen enkele reden om Lodewijk iets aan te doen. Zonder hem was er niets geweest. Geen fonds, geen schenking, geen leeszaal.” Hij keek naar de kerk. „Die akte was getekend. Zijn dood levert me niets op. Alleen ellende.”

„Waarom appte u om acht uur 's ochtends zijn nicht?”

Jeroen keek verbaasd. „Omdat Hofstede mij om tien voor acht belde. Hij was in paniek. Ik ben er meteen heen gefietst. En ik dacht: dat meisje moet het niet van de Courant horen. Ze is zijn enige familie.” Hij haalde zijn schouders op. „Ik ben er niet zo goed in, in dat soort dingen. Ik dacht dat het aardig was.”

„Het was aardig,” zei Greet.

Hij keek haar dankbaar aan.

„Jeroen,” zei ze, „wie wist er nog meer van die wijziging?”

„Niemand. Ik heb het niemand verteld. Behalve...” Hij aarzelde. „Behalve dat Anouk het waarschijnlijk wist. Zij heeft het hele najaar met de collectie gewerkt. Maandag kwam ze bij me en vroeg om de sleutel van de vitrine. Ze wilde het Getijdenboek nog één keer onderzoeken voor de ceremonie, met een lamp die ze uit Amsterdam had laten komen. Een ultraviolette lamp, en nog zo'n apparaat, ik weet niet precies wat. Ze heeft het maandagavond laat gedaan, in het magazijn, met de deur dicht. Dinsdag om twaalf uur gaf ze me de sleutel terug. Om drie uur stond Lodewijk bij de notaris.”

Greet en Ruben keken elkaar aan.

„En die sleutel,” zei Ruben. „Heeft u die nu?”

Jeroen trok een bureaula open, rommelde erin, en haalde een klein messing sleuteltje tevoorschijn met een blauw labeltje eraan.

„Ja,” zei hij. „Die heeft ze me teruggegeven. Ik heb hem sindsdien niet meer uit mijn la gehaald.” Hij keek ernaar. „Denk ik.”


Buiten op de stoep belde Ruben met Bosch. Greet stond een paar meter verderop onder de luifel van de bakker, waar het naar warm brood rook, en keek hoe hij met zijn vrije hand gebaren maakte die Bosch niet kon zien. Het gesprek duurde lang. Toen hij ophing, kwam hij naar haar toe met een gezicht dat ze niet kon lezen.

„Ze is onder de indruk,” zei hij. „Van de akte. Ze zegt dat het nu op een motief lijkt. Een vervalsing van tweehonderdduizend euro, of wat het ook is, en een man die het gaat aankaarten.”

„Goed.”

„Niet goed. Ze wil dat ik vanmiddag Anouk Brinkman haal. Ze had een sleutel van de vitrine, ze wist van het onderzoek, ze werkt met pergamijn.”

„Pergamijn?”

Ruben aarzelde. Toen pakte hij zijn telefoon en zocht iets op.

„De technische recherche heeft gisteren alles uitgezocht wat ze donderdag hebben meegenomen. Onder de leestafel, tussen de poten, vlak bij waar hij zat, lag een stukje papier. Klein. Een hoekje. Doorschijnend, glad, zo'n soort papier waar je boeken in vouwt. Ze hadden het eerst afgedaan als iets van de ceremonie, verpakking van iets.” Hij keek haar aan. „Maar volgens Bosch is het precies het spul dat restauratoren gebruiken. Ze heeft gebeld met iemand van het Nationaal Archief. Pergamijn. Brinkman heeft er een hele rol van in het magazijn liggen. Dat heeft de directeur net bevestigd, toen u bij het raam stond.”

„Antiquaren gebruiken het ook,” zei Greet. Ze hoorde haar eigen stem, zacht.

„Ja. Dat zei ik ook. Bosch zei: dan vraag je die ook wat. Maar eerst Brinkman, want zij had een sleutel en een motief om haar mond te houden.”

„Wat voor motief?”

„Dat wil Bosch weten. En ik eigenlijk ook.” Ruben stak zijn telefoon weg. „Ze wil het maandag rond hebben. Als het geen ongeval is, dan wil ze een naam.”

Greet keek naar de bloemen op de stoep van het Broederhuis, verderop. Iemand had er een nieuw bosje bijgelegd, witte chrysanten, met een kaartje dat ze van hieraf niet kon lezen. Ze dacht aan het stukje papier onder de tafel. Ze dacht aan een hand die het vouwde, snel en precies, alsof hij een cadeautje inpakte.

„Heb je een foto van dat papiertje?” vroeg ze.

„Ik krijg ze vanmiddag. Van alles. Waarom?”

„Stuur hem me maar,” zei ze. „Als je hem hebt.”

„Waarom?” vroeg hij nog een keer.

„Omdat ik achtendertig jaar lang elk stukje papier heb bekeken dat de leeszaal in en uit ging.” Ze trok haar capuchon op. „En omdat ik Anouk eerst wil spreken, voordat Marga Bosch haar in een kamertje zet en het met haar doet zoals ze het met Lodewijks stok heeft gedaan.”