Hoofdstuk 7: Door het raam

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Femke had de fles van gisteren niet meer, maar ze had wel een nieuwe. Ze zat er niet van te drinken. Ze zat in haar hotelkamer op de tweede verdieping van De Gouden Leeuw, op de rand van een bed met een sprei vol gestikte rozen, en keek naar de laptop die Ruben op het bureautje had gezet. Op het scherm stond een korrelige vrouw in een lange lichte jas op haar tenen voor het raam van de leeszaal, met haar handen om het ijzeren hek.

„Dat ben ik,” zei ze.

„Dat weet ik,” zei Ruben.

Ze keek naar de pleister op haar vinger. „Het hek had een scherpe rand. Ik merkte het pas in de auto. Er zat bloed op het stuur.”

Greet zat in de enige leunstoel van de kamer, bij het raam dat uitkeek op de Markt. Beneden liepen mensen met boodschappentassen en zakjes oliebollen van de kraam die sinds vorige week voor de kerk stond. Ze zei niets. Dit was Rubens gesprek. Maar ze zag dat Femke telkens naar haar keek, alsof Greet iets kon bevestigen of ontkrachten wat Femke zelf niet meer wist.

„Waarom bent u teruggegaan?” vroeg Ruben.

„Om sorry te zeggen.” Femke lachte, het klonk als hoesten. „Ik zat in de parkeergarage in de auto en ik kon niet wegrijden. Ik heb een kwartier zitten huilen met mijn handen op het stuur. Toen dacht ik: ik ga terug. Ik ga zeggen dat het me spijt, dat ik het snap, dat ik trots op hem ben. Want dat was ik. Ik was trots op hem en ik was kwaad, en dat kan allebei tegelijk.”

„En?”

„Ik parkeerde tegenover het Broederhuis. Ik bleef in de auto zitten met de motor aan, want het was steenkoud. Ik zag twee mannen voor de deur staan, een oude met een baard en de conciërge. Ze liepen weg. Toen ben ik uitgestapt.” Ze slikte. „De zijdeur wist ik niet eens. Ik dacht dat alles dicht was. Ik wilde alleen even kijken of hij er nog was, en dan kloppen. Op het raam. Zoals vroeger, toen ik klein was en hij in zijn studeerkamer zat en ik in de tuin.”

„Wat zag u?”

Femke deed haar ogen dicht.

„Hem,” zei ze. „Alleen. Aan het eind van die lange tafel, onder een groene lamp. Het was de enige lamp die aan was, de rest van de zaal was donker. Hij had dat boek voor zich. Dat getijdenboek. En zijn loep. Hij keek erdoor, heel dichtbij, met zijn neus bijna op het papier. Dan schreef hij iets op in zijn zwarte boekje. Dan keek hij weer.” Ze deed haar ogen open. „Hij zag er niet uit als iemand die blij was met zijn schenking. Hij zag eruit als iemand die een brief leest met slecht nieuws.”

„Was er iemand anders in de zaal?”

„Niet dat ik zag. Maar het was donker, op die ene lamp na.” Ze aarzelde. „Hij keek één keer op. Naar de achterkant van de zaal, waar volgens mij een deur is. En toen op zijn horloge. Alsof hij op iemand wachtte.”

„Hoe laat was dat?”

„Ik weet het niet. Het moet op die beelden staan.”

„Tussen half elf en twintig voor elf,” zei Ruben.

„Dan was het dat.”

„En waarom heeft u niet geklopt?”

Femke keek naar haar handen. Ze had dezelfde lange vingers als haar oom, zag Greet. Dezelfde smalle polsen.

„Omdat hij zo bezig was. Omdat ik dacht: als ik nu klop, schrikt hij, en dan zie ik op zijn gezicht dat hij me niet wil zien. En dat kon ik niet aan, die avond. Ik dacht: ik bel hem morgen. Ik zeg het morgen.” Ze zweeg. „Toen ben ik weggereden. Bij Wijhe begon het te regenen, zo hard dat ik langs de kant moest. Ik heb daar tien minuten gestaan met de ruitenwissers op de hoogste stand. Toen ben ik naar huis gereden. En de volgende ochtend appte Jeroen Lankhorst.”


Ruben schreef. Greet keek naar buiten. Op de Markt zette de man van de oliebollenkraam een tweede bak in het vet. De damp sloeg tegen het raam van zijn kraam.

„Waarom heeft u ons dit gisteren niet verteld?” vroeg Ruben.

„Omdat ik de laatste ben die hem levend heeft gezien,” zei Femke. „En omdat ik ruzie met hem had. En omdat ik alles erf wat niet in die schenking zit. En omdat ik een maand geleden met een lijst uit zijn huis bij een antiquaar heb gestaan om te vragen wat het allemaal waard was.” Ze keek Ruben recht aan. „Als ik u was, zou ik mezelf ook verdenken. Dus heb ik mijn mond gehouden. Dat was stom. Dat weet ik nu.”

„Waarom wilde u weten wat de collectie waard was?”

„Om te weten hoeveel hij weggaf. Om het te begrijpen.” Ze haalde haar schouders op. „Mijn bedrijf gaat failliet. In januari, als er niks gebeurt. Ik heb tweehonderdduizend euro schuld aan de bank en mijn leverancier in Italië. Ik had gehoopt dat hij me zou helpen. Hij heeft me geholpen, vier jaar geleden, met vijftigduizend. Daarna zei hij: Femke, ik ben geen bank, ik ben je oom. En dat was dat.”

Het was stil in de kamer. Ergens op de gang stofzuigde iemand.

„Mag ik iets vragen?” zei Greet.

Femke knikte.

„Gisteren vroeg ik je wat hij bedoelde met die leugenaar in zijn verzameling. Je zei dat je het niet wist. Je zei het heel snel.”

Femke keek haar lang aan. Toen stond ze op, liep naar het raam, en bleef daar staan met haar rug naar hen toe.

„Hij belde me dinsdagavond,” zei ze. „Dat deed hij nooit. Ik belde hem, op zondag, en dan klaagde hij over het weer. Maar dinsdag belde hij mij. Om elf uur 's avonds. Hij klonk raar. Moe, of ziek. Hij zei...” Ze ademde in. „Hij zei: 'Femke, er zit een rotte appel in mijn collectie. Ik ben er al bijna dertig jaar ingetuind. En ik weet wie hem erin heeft gelegd.'”

Greet voelde haar handen koud worden.

„Wat zei je?”

„Niks. Ik dacht dat hij het over mij had.” Femke draaide zich om. Haar gezicht was nat. „Ik dacht dat iemand hem had verteld dat ik met die lijst bij een antiquaar was geweest. Dat hij dacht dat ik iets van hem had gestolen, of wilde stelen. Ik heb opgehangen. Ik heb gewoon opgehangen. En de volgende avond had ik ruzie met hem, en daarna stond ik voor het raam en heb ik niet geklopt.”

„Hij had het niet over jou,” zei Greet.

„Hoe weet u dat?”

„Omdat jij er geen dertig jaar in zit. Toen hij dat ding kocht waar hij in getuind is, zat jij nog op de kleuterschool.”


Buiten op de Markt was het druk. Het was vrijdagmiddag, de mensen deden boodschappen voor het weekend, kinderen stonden met hun neus tegen de etalage van de speelgoedwinkel waar de sinterklaasspullen al lagen. Greet en Ruben liepen langs de oliebollenkraam en Ruben kocht er zonder iets te vragen twee met poedersuiker. Ze aten ze staand, bij de pomp, met de suiker op hun jassen.

„Dertig jaar,” zei Ruben met volle mond. „Iets wat hij bijna dertig jaar geleden kocht.”

„Hij zei woensdag tegen mij dat hij iets moest nakijken. Iets wat hij dertig jaar geleden al had moeten nakijken.”

„En hij zat met zijn loep over het Getijdenboek gebogen. Met slecht nieuws op zijn gezicht.”

„Ja.”

Ruben veegde zijn vingers af aan een servetje. „Wanneer heeft hij het gekocht?”

Greet keek naar de suiker op haar handschoen. Ze wist het antwoord. Ze had het gisteravond gehoord, in een warm kamertje met een gaskachel en een poes die Dirk heette, en ze wilde het niet hardop zeggen, omdat het dan echt werd.

„In 1998,” zei ze. „Ik weet het van Sjoerd Wennekes. Hij heeft het voor hem gevonden. Bij een notaris in België.”

Ruben zei niets. Hij keek haar aan.

„Dat betekent niks,” zei ze. „Sjoerd heeft de halve collectie voor Lodewijk gevonden. Hij vond het boek, hij belde Lodewijk, Lodewijk kocht het. Als er iets mis mee is, kan Sjoerd net zo goed bedrogen zijn als Lodewijk. Die Belgische familie. Een tussenpersoon. Iedereen.”

„Natuurlijk.”

„En we weten niet eens of er iets mis mee is. We weten dat Lodewijk iets een rotte appel noemde. Hij had honderden stukken.”

„Natuurlijk,” zei Ruben weer, en ze hoorde aan zijn stem dat hij het voor haar zei, niet omdat hij het geloofde.

Ze liepen een stukje zonder te praten. Bij de kerk stak de wind op, en de poedersuiker woei van hun jassen.

„Sjoerd vertelde me nog iets,” zei Greet. „Over Femke. Dat ze half oktober met die lijst bij hem kwam. Hij wilde dat ik het aan jou doorgaf.”

„Dat heeft ze zelf net verteld.”

„Ja. Dat heeft ze zelf net verteld.” Greet keek naar de toren. „Hij was er erg op gebrand dat ik het jou vertelde.”


Om vijf uur zaten ze in Rubens auto voor het bureau. Hij moest naar binnen om Bosch bij te praten. Hij zag er niet naar uit; dat kon ze zien aan de manier waarop hij zijn sleutels bleef omdraaien in het contact zonder de motor te starten.

„Ze gaat zeggen: dus nu hebben we een nicht met schulden die om half elf bij het raam stond, en een conciërge en een oude leraar die een alibi voor elkaar zijn,” zei hij. „En een paraplu op de hoek van de Walstraat waar niemand een gezicht bij heeft gezien.”

„En een waterkring op het parket. En een stok aan de leuning. En een notitieboekje dat weg is.”

„Een notitieboekje dat weg is,” herhaalde hij. „Femke zag hem erin schrijven. Om half elf. Om acht uur 's ochtends was het weg.”

„Dan heeft iemand het meegenomen die wist wat erin stond. Of die bang was voor wat erin stond.”

Zijn telefoon ging. Hij keek naar het schermpje, fronste en nam op. „Dijkhuis.” Hij luisterde. Hij ging rechtop zitten. „Ja. Ja, natuurlijk. Morgenochtend. Negen uur? Ja. Dank u wel.”

Hij legde de telefoon op zijn knie.

„Mr. Hanna van Rijn,” zei hij. „De notaris van meneer Ter Haar. Ze zit sinds donderdagochtend in Brussel voor een congres en hoorde het vanmiddag pas. Ze zegt dat ze iets voor me heeft wat ik moet zien. Over de schenkingsakte.” Hij keek Greet aan. „Hij is dinsdagmiddag bij haar geweest. Hij heeft iets veranderd. Op het laatste moment.”

„Wat?”

„Dat wilde ze niet over de telefoon zeggen.”

Greet keek door de voorruit naar de parkeerplaats, waar de lantaarns een voor een aanflitsten.

„Dinsdagmiddag bij de notaris,” zei ze. „Dinsdagavond om elf uur Femke bellen over een rotte appel. Woensdagavond iemand om half elf in de leeszaal.” Ze trok haar handschoenen aan. „Hij was het aan het opruimen, Ruben. Stap voor stap. Zoals hij alles deed.”

„En iemand heeft hem tegengehouden.”

„Ja.”