Hoofdstuk 6: Biljart in De Waag
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Vrijdag was grijs en stil. De vorst was uit de lucht, maar de zon ook, en boven de IJssel hing een laag wolkendek dat geen regen beloofde en ook niets anders. Greet fietste om negen uur naar de Markt. Ze had slecht geslapen en twee keer gedroomd dat ze de galerij in de leeszaal op klom en dat er bovenaan geen boeken stonden, alleen lege planken.
Ruben stond al voor De Waag. Hij had een bekertje koffie van het tankstation in zijn hand en zag eruit alsof hij in zijn kleren had geslapen, wat waarschijnlijk zo was.
„Bosch heeft het rapport van de forensisch arts gelezen,” zei hij. „Ze zegt dat er niets in staat wat een val uitsluit.”
„En sluit het een duw uit?”
„Ook niet.” Hij gooide het bekertje in de prullenbak. „Er zit een blauwe plek op zijn bovenarm. Vers. Vier kleine vlekjes naast elkaar. De arts zegt dat het van een vastgrijpen kan zijn. Of van zich vastklampen aan de leuning bij het vallen.”
„Lodewijk droeg een colbert met schoudervullingen en een wollen overhemd. Hij klampte zich nergens aan vast zonder dat te voelen.”
„Dat is precies wat ik tegen Bosch zei. Ze zei dat ik daar geen bewijs van kan maken.” Hij keek naar de deur van het café. „Ze geeft me nog steeds tot maandag.”
De Waag ging pas om elf uur open, maar Riek Smit woonde erboven en deed open in een joggingbroek met een theedoek over haar schouder. Ze was een grote vrouw van in de zestig met rood geverfd haar en een stem die je tot op de brug kon horen. Ze keek naar Ruben, toen naar Greet.
„Greet. Kom erin, het is koud. Ik zet de machine aan.”
Het café rook naar oud bier en naar boenwas en, heel vaag, naar de gehaktballen van gisteren. De stoelen stonden nog op de tafels. Achterin, onder een lamp met een groene kap, stond het biljart, met een zeil eroverheen.
„Het gaat over woensdagavond,” zei Ruben, toen ze een kop koffie voor hem had neergezet die vele malen beter was dan die van het tankstation. „Na tien uur. Wie zat hier?”
Riek keek naar Greet. Greet keek terug.
„Ik verlink niemand,” zei Riek.
„Er is een man dood, Riek.”
„Dat weet ik. Dat weet de hele stad.” Ze veegde met de theedoek over de bar, waar niets lag. „Maar die twee hebben er niks mee te maken. Dat zweer ik op mijn moeder.”
„Welke twee?” vroeg Ruben.
Riek zuchtte zo diep dat haar schouders mee zakten.
„Bennie Hofstede en meneer Stegeman. Elke woensdag, al vijftien jaar. Om kwart over tien komt Bennie binnen, om kwart over tien komt meneer Stegeman binnen, ze spelen drie partijen driebanden en ze drinken elk twee oude klare. Bennie omdat Gerda denkt dat hij dan nog aan het werk is, en meneer Stegeman omdat hij volgens zijn vrouw al een jaar droog staat.” Ze keek ongelukkig. „Woensdag waren ze iets later. Vijf voor half elf, ongeveer. Ze kwamen samen binnen, vanaf het Broederhuis, dat zag ik door het raam.”
„En hoe laat gingen ze weg?”
„Bennie om elf uur. Precies. Hij keek op zijn horloge en zei: ik moet nog afsluiten. Hij heeft niet eens zijn laatste glas opgedronken. Meneer Stegeman bleef tot kwart over elf. Toen heb ik hem zijn jas aangegeven, want hij vond de mouw niet.”
„Is een van beiden tussendoor weggegaan? Naar de wc, naar buiten?”
„Naar de wc wel. Twee keer allebei. Dat is drie meter die kant op.” Ze wees naar een deur met een hartje erin. „Naar buiten niet. Ik sta hier achter de bar en de deur piept. Als die piept, kijk ik.”
Bennie woonde in een rijtjeshuis achter de Vispoort met een voortuin vol uitgebloeide dahlia's, die hij voor de winter nog niet had opgerooid. Hij deed zelf open. Gerda riep van boven wie het was, en Bennie riep terug dat het de politie was, over meneer Ter Haar, en dat ze in bed moest blijven met haar griep.
Ze gingen in de voorkamer zitten, tussen de foto's van kleinkinderen en een vitrinekast met tinnen bekers. Bennie ging op het puntje van de bank zitten, zijn handen tussen zijn knieën.
„U was niet in de kantine, woensdagavond,” zei Ruben. „U was in De Waag. Van ongeveer kwart over tien tot elf uur. Met meneer Stegeman.”
Bennie keek naar het tapijt. Toen naar Greet. Toen begon hij te huilen. Het was een stil, beschaamd huilen, van een man die dat al heel lang niet meer had gedaan.
„Ik heb hem daar laten liggen,” zei hij. „Ik heb hem de hele nacht daar laten liggen, Greet.”
„Je wist het niet, Bennie.”
„Als ik er was geweest. Als ik in die kantine had gezeten zoals ik had moeten doen.” Hij veegde met de rug van zijn hand over zijn gezicht. „Vijftien jaar doe ik dat. Woensdagavond. Een uurtje. Niemand die het merkt, het gebouw is leeg, wat kan er gebeuren. En die ene keer...”
„Vertel het me nou precies,” zei Ruben, en zijn stem was rustig. „Van het begin.”
Bennie vertelde. Om tien uur de mensen weg. Meneer Ter Haar bleef. Hij zei: Hofstede, ik heb een afspraak, laat de zijdeur maar op de klink, dan laat ik mijn bezoek daar binnen, en om kwart over elf komt mijn taxi in de steeg. Bennie zei: ik kom om elf uur nog afsluiten. Meneer Ter Haar zei: prima.
„Zei hij met wie hij een afspraak had?”
„Nee. Ik vroeg het niet. Het was zijn avond.”
Om kwart over tien kwam Willem Stegeman uit de garderobe en zei: ga je mee, Hofstede, ik heb er een nodig na die toespraak. En Bennie was meegegaan. Ze hadden even voor het Broederhuis gestaan, Willem had nog wat gemopperd over musea, en toen waren ze naar De Waag gelopen.
„Was het droog?”
„Toen nog wel. Halverwege de tweede partij begon het te gieten. Ik weet het nog omdat Riek de luifel naar buiten draaide.”
Om elf uur ging hij terug. Het regende nog steeds, maar minder. Hij liep over de Markt, de Kerkstraat in. De ramen van de leeszaal waren donker. Hij dacht: hij is al weg. Hij liep de Kerkhofsteeg in, naar de zijdeur.
„En toen?” zei Ruben.
Bennie zweeg. Hij keek naar een foto van een klein meisje op een schommel.
„Toen zag ik iemand,” zei hij. „Aan het eind van de steeg. Op de hoek van de Walstraat. Iemand met een paraplu, die de hoek om ging. Ik zag alleen de paraplu, eigenlijk. Een grote, donkere. En een paar benen eronder. Ik dacht: daar gaat iemand naar huis. Je denkt niks. Het regende, iedereen heeft een paraplu.”
„Man of vrouw?”
„Weet ik niet. Ik heb er niet op gelet. Echt niet.” Hij keek Ruben smekend aan. „Ik ben naar de zijdeur gelopen. Die zat dicht, op de klink, zoals ik hem had achtergelaten. Ik heb hem op slot gedaan. Ik ben niet naar binnen gegaan. Het was donker, ik had een slok op, ik wilde naar huis. Ik heb de sleutel omgedraaid en ben weggegaan.”
„Hoe laat was dat?”
„Vijf over elf. Ongeveer.”
Ze zaten nog een kwartier bij Bennie. Hij vertelde niets meer wat ze niet al wisten, maar hij bleef praten, alsof praten iets goed kon maken. Toen ze weggingen, pakte hij Greets hand bij de deur en hield hem vast.
„Wil jij het tegen Gerda zeggen? Van De Waag?”
„Nee,” zei Greet. „Dat doe je zelf. Maar niet vandaag. Ze heeft griep.”
Willem Stegeman gaf het toe binnen twee minuten, op de stoep van zijn huis aan de Brink, met zijn deur op een kier zodat Truus niets zou horen. Hij was niet beschaamd. Hij was woedend, vooral op zichzelf.
„Ja. De Waag. Elke woensdag. Twee oude klare. Mijn huisarts weet het, mijn vrouw niet, en zo houden we het, als u het niet erg vindt.”
„U heeft ons gisteren voorgelogen,” zei Ruben.
„Ik heb u gisteren verteld wat ik mijn vrouw al vijftien jaar vertel. Dat gaat zo snel, jongeman, je merkt het niet meer.” Willem keek over Rubens schouder naar de Brink, waar een vrouw met een boodschappenkar voorbijkwam. „Ik heb Lodewijk niets gedaan. Ik heb met Hofstede biljart gespeeld en verloren. Hij speelt veel beter dan ik, dat is ook een geheim.”
„Zag u iemand in de buurt van het Broederhuis, toen u om kwart over tien wegging?”
Willem dacht na. Het leek echt, de manier waarop hij zijn wenkbrauwen samentrok.
„Een auto,” zei hij toen. „Aan de overkant van de Kerkstraat, bij de juwelier. Een kleine witte. Met iemand erin. De motor liep, want de ruiten waren beslagen en er kwam damp uit de uitlaat. Ik heb er niet op gelet.” Hij keek Greet aan. „Is dat belangrijk?”
Ze stonden op de Brink. Het begon kouder te worden, en uit de schoorstenen kwamen rechte grijze rookpluimen. Ruben belde het bureau en vroeg naar Femke ter Haars auto. Het antwoord kwam binnen een minuut. Een witte Fiat 500.
„De juwelier op de Kerkstraat heeft een camera boven zijn deur,” zei Greet. „Sinds de inbraak van twee jaar geleden. Hij heeft er in de Courant over geklaagd dat het ding de hele stoep filmt en dat hij er zelf niet eens bij kan.”
Ruben keek haar aan. Toen begon hij te lachen, voor het eerst in twee dagen.
„U bent beter dan het hele bureau.”
„Ik heb achtendertig jaar de Courant ingebonden.”
Om half drie die middag zaten ze samen in een kamertje op het bureau in Deventer, met een stoffige laptop. De beelden van de camera waren korrelig en zwart-wit, en de Kerkstraat zag eruit als een film van vroeger. Om tweeëntwintig over tien kwam er een kleine lichte auto in beeld, die aan de overkant parkeerde, recht tegenover de ramen van de leeszaal. De koplampen gingen uit, maar de uitlaat bleef dampen. Om half elf ging het portier open en stapte er een vrouw uit in een lange, lichte jas. Ze stak de straat over, naar het Broederhuis. Ze ging op de stoeprand voor de hoge ramen staan, op haar tenen, met haar handen tegen het ijzeren hekwerk voor het glas.
Ze bleef daar staan. Een minuut. Twee minuten. Drie.
Toen draaide ze zich om, liep terug naar de auto en reed weg. Het tijdstempel in de hoek van het beeld gaf 22.38 aan.
Nog geen twee minuten later begonnen er witte strepen door het beeld te vallen. Regen.
„Ze heeft hem gezien,” zei Greet zacht. „Ze heeft door het raam naar binnen gekeken. Ze heeft hem gezien, Ruben. En ze heeft er niets over gezegd.”