Hoofdstuk 5: Het antiquariaat in de Walstraat
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ruben bracht haar tot aan de hoek van de Walstraat en ging toen terug naar het bureau, met een zak friet van de kraam op de Markt die hij onderweg zou opeten. Greet had gezegd dat ze verder kon lopen. Dat was waar. Ze was alleen moe op een manier die niet in haar benen zat.
De Walstraat was smal en krom en volgde nog precies de lijn van de oude stadsmuur. De huizen leunden een beetje naar elkaar toe, alsof ze ook moe waren. Op nummer veertien, op de hoek van de Kerkhofsteeg, brandde licht achter de etalage. Antiquariaat S. Wennekes – boeken, prenten, kaarten – sinds 1983. De gouden letters op het glas waren aan de randen afgebladderd. In de etalage stond een opengeslagen atlas van de Hanzesteden, een stapeltje oude schoolplaten en een porseleinen uil die Greet al zo lang kende dat ze hem niet meer zag.
Het bordje op de deur zei Gesloten. Ze klopte toch.
Sjoerd deed open in zijn vest met de leren elleboogstukken, met een potlood achter zijn oor. Hij keek haar aan en zei niets. Toen trok hij haar naar binnen en sloeg zijn armen om haar heen, en zo bleven ze even staan tussen de kasten, twee oude mensen die naar stof en wol roken.
„Ik heb het vanochtend gehoord,” zei hij in haar haar. „Van de bakker. Ik geloofde het niet. Ik ben naar het Broederhuis gelopen en daar stonden de auto's.”
„Ik weet het.”
„Kom. Ik heb koffie.”
Achter de winkel had Sjoerd een kamertje met een gaskachel, een tafel vol papier en twee leunstoelen die niet bij elkaar pasten. Dirk de poes lag op de dikste stapel en tilde zijn kop niet op. Greet ging in de stoel met het gebloemde kussen zitten, haar vaste stoel, al veertig jaar. In de hoek, op het zeil bij de achterdeur, stond een grote groene paraplu opengeklapt te drogen. Een herenparaplu, met een houten haak en een koperen punt.
Sjoerd zag haar kijken. „Vanmiddag naar de bank geweest,” zei hij. „Kreeg ik een bui op mijn kop bij de brug. Typisch november.” Hij schonk koffie in twee bekers met een Hanzekogge erop. „Melk?”
„Graag.”
Ze dronken. Het was zulke slechte koffie dat het troostend was. Op de tafel lagen een stuk of tien boeken naast elkaar, kleine, oude boeken in leer en perkament. Ernaast een stapel vellen pergamijn, dat doorschijnende, gladde papier dat knispert als je het vouwt. Sjoerd pakte een boek, legde het midden op een vel en vouwde het pergamijn eromheen met snelle, precieze bewegingen, alsof hij een cadeautje inpakte voor iemand die hij heel lief vond. Toen nam hij het potlood achter zijn oor vandaan en schreef op de achterkant, rechtsonder in de hoek, een nummer. 4417. En ernaast tekende hij, in vier streepjes en twee rondjes, een klein uiltje.
„Doe je dat nog steeds,” zei Greet.
„Sinds 1983. Elk boek dat bij mij de deur uit gaat, krijgt een uiltje. Zo weet ik altijd waar iets vandaan komt. Laatst kreeg ik een boek terug uit een nalatenschap in Amersfoort, met mijn uiltje van 1986 er nog op.” Hij glimlachte. „Het is mijn kleine eeuwigheid.”
„De bibliotheek heeft er honderden. Ik heb ze er nooit af gehaald.”
„Dat weet ik. Daar hou ik van jou om.”
Hij pakte het volgende boek. Greet keek naar zijn handen, die zeker waren en niet trilden. Ze dacht aan Lodewijks handen, gisteravond, droog en koel.
„Sjoerd. Heb jij het Getijdenboek voor hem gevonden?”
„In 1998.” Hij hield op met vouwen. „Een nalatenschap in België. Een oude notaris in Gent, de familie wilde het stil houden. Ik had een tip van een collega in Brugge. Ik ben er met de trein heen gegaan, met witte handschoenen in mijn binnenzak, en ik heb twee uur in een koude voorkamer gezeten met dat boek op mijn knieën.” Hij keek ergens naar wat Greet niet kon zien. „Ik wist meteen dat Lodewijk het moest hebben. Het stadje op de achtergrond van de Annunciatie. Die toren. Ik belde hem vanuit een telefooncel op het station. Hij zei: wat het ook kost.”
„Wat kostte het?”
„Honderdvijfentachtigduizend gulden. Destijds een vermogen. Nu zou het misschien het dubbele waard zijn, in euro's.” Hij vouwde verder. „En nu is het van de stad. Hij heeft het goed gedaan, Greet. Op het laatst heeft hij het goed gedaan.”
Ze praatten over Lodewijk. Over de keer dat hij op een veiling in Amsterdam tegen een Amerikaanse universiteit had opgeboden voor een stadsplattegrond van Oudeweer uit 1652 en had gewonnen omdat hij als enige in de zaal wist dat de plattegrond verkeerd was ingekleurd. Over zijn donderdagmiddagen in de leeszaal. Over Hidde, Greets man, die vijf jaar geleden was gestorven en die Lodewijk altijd een 'aangename barbaar' had genoemd, omdat hij nooit een boek las maar wel alle kasten in huis zelf had gemaakt.
Sjoerd stond op en haalde een fotootje van de schoorsteenmantel, in een lijstje van verweerd zilver. Het was een kleurenfoto die geel was geworden: twee mannen van middelbare leeftijd op een veiling ergens in een zaal met kroonluchters, de een lang en mager met een catalogus onder zijn arm, de ander kleiner en breder, met een te grote stropdas en een grijns van oor tot oor.
„Amsterdam, 1991,” zei hij. „Die plattegrond. Kijk hoe trots hij is. Hij deed alsof het hem niks kon schelen, maar in de trein terug heeft hij de hele weg naar de koker op zijn schoot gekeken.” Hij zette het lijstje voorzichtig terug, precies op de plek waar het stof een rechthoekje had vrijgelaten. „Ik heb hem nooit zo gezien bij een mens. Alleen bij papier.”
„Ik ben er de laatste weken niet veel geweest,” zei Sjoerd. „Bij hem. Hij had het druk met die restauratrice. Met de catalogus.” Hij zweeg even. „En hij was anders. Stiller.”
„Willem zei dat ook.”
„Willem.” Sjoerd snoof. „Willem is een goed mens die het liefst alles in een kast wil zetten met een slot erop. Ook de mensen.”
„Was jij gisteravond nog lang?”
„Ik? Nee. Ik ben vlak na jou weggegaan. Om tien uur, misschien vijf over. Ik was moe. Ik ben recht naar huis gelopen en naar bed gegaan. Dirk lag al op mijn kussen.” Hij keek naar de poes. „Hij is een slechte echtgenoot, maar hij is er tenminste.”
Greet knikte. Ze dacht aan het groepje bij de vitrine, om tien over tien, waar Sjoerd nog stond met zijn neus tegen het glas. Maar zij was zelf moe, en tien uur of tien over tien, wie hield dat bij op zo'n avond.
„Heeft de politie al gezegd wat er gebeurd is?” vroeg hij.
„Ze denken dat hij gevallen is.”
„Van de wenteltrap.”
„Ja.”
Sjoerd schudde zijn hoofd. „Zonder stok een trap op. Lodewijk. Wat zou hij daar boven gezocht hebben? Ik snap het niet.” Hij wreef in zijn ogen. „Misschien wilde hij nog één keer naar boven. Zien hoe het eruitzag. Weet je, als je weet dat je iets weggeeft, wil je er nog één keer goed naar kijken.”
„Misschien,” zei Greet.
Toen ze haar jas aantrok, zei Sjoerd: „Greet. Ik weet niet of ik het moet zeggen.”
„Zeg het dan maar.”
„Femke kwam hier. Een maand geleden, half oktober. Ze stond ineens in de winkel en vroeg of ik kon vertellen wat de collectie van haar oom waard was. Ongeveer. Ze had een lijst bij zich, uit zijn huis, geloof ik. Ze zei dat het voor haar gemoedsrust was.” Hij keek ongelukkig. „Ik heb gezegd dat ik dat niet ging doen. Dat het niet aan mij was. Ze werd boos. Ze zei dat iedereen in deze stad aan haar oom verdiende behalve zij.”
„Wat zei je toen?”
„Dat ze moest gaan.” Hij haalde zijn schouders op. „Ik wil niks over haar zeggen. Het is een ongelukkig mens. Maar als de politie het vraagt...”
„Dan vertel ik het ze.”
„Dank je.” Hij gaf haar een kus op haar wang. „Ga slapen. Je ziet eruit als een boek dat te lang in de zon heeft gestaan.”
Buiten was het nog kouder geworden. Op de ruiten van de geparkeerde auto's begon de rijp zich alweer te vormen, in dunne varenpatronen. Greet liep de Kerkhofsteeg in, langs de zijdeur van het Broederhuis, waar nu een politielint over de klink hing. Ze bleef even staan. De steeg was smal en donker. Er was één lantaarn, halverwege, en die brandde oranje. Van de zijdeur naar de hoek van de Walstraat waren het nog geen dertig passen. Ze telde ze, zonder te weten waarom. Achtentwintig.
Thuis lag Kaatje op de trap te wachten. Greet at een beschuit met kaas, staande bij het aanrecht, en ging toen aan de keukentafel zitten met het opschrijfboekje dat Ruben daar had laten liggen. Zijn kleine rechte letters. Zes namen. Achter Femke had hij geschreven: ruzie – erft – 3 kwartier? Achter Willem: W – liegt over thuis. Achter Bennie: liegt over glazen. Achter Jeroen: appte Femke 8.00 – waarom? Achter Anouk: keek naar handen. Achter Sjoerd stond niets.
Ze pakte een pen en schreef erachter: Femke kwam half oktober vragen naar waarde collectie.
Toen keek ze er een tijdje naar. Het voelde als verraad aan Femke, en tegelijk als iets wat moest. Ze klapte het boekje dicht.
Haar telefoon trilde op tafel. Ruben.
„Sorry dat ik zo laat bel,” zei hij. „Ik heb nog wat rondgevraagd in de Kerkhofsteeg. Op nummer drie woont een mevrouw Jansen, tweeëntachtig, die elke avond om kwart over tien haar hond uitlaat.”
„Mevrouw Jansen met de teckel. Ze leest alleen maar streekromans.”
„Dat zou kunnen. Ze zegt dat ze gisteravond om kwart over tien de conciërge van het Broederhuis zag. Hij kwam de zijdeur uit, trok hem achter zich dicht zonder hem op slot te doen, en liep met grote passen richting de Markt.” Ruben zweeg even. „Hij had zijn jas aan, zegt ze. En hij floot.”
Greet keek naar de klok. Elf uur. Precies vierentwintig uur geleden had Bennie volgens zijn eigen verhaal zijn ronde gelopen door een donkere leeszaal.
„Hij was er niet,” zei ze. „Bennie was er helemaal niet.”
„Nee. En morgen ga ik vragen waar hij wel was.”