Hoofdstuk 4: De nicht uit Zwolle

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Hotel De Gouden Leeuw zat al driehonderd jaar aan de Markt en deed alsof het er nog driehonderd zou zitten. De lobby had donkere lambrisering, een kapstok van hertengewei en een vloerkleed waar je in wegzakte. Achter de balie stond een meisje met een pony dat Greet herkende van de bibliotheek: Sanne, de dochter van de slager, die tot haar twaalfde alleen maar paardenboeken had gelezen.

„Mevrouw Ter Haar zit in de serre,” zei Sanne. „Ze heeft een fles rode wijn besteld. Om vier uur.” Ze zei het niet als roddel, maar als waarschuwing.

De serre keek uit op een binnenplaatsje met kale lindebomen en een fontein die voor de winter was afgezet. Femke zat bij het raam met haar camelkleurige jas nog aan. De fles stond voor haar, een derde leeg. Ze keek op toen Ruben zijn legitimatie liet zien, en toen naar Greet.

„U was gisteravond ook in de zaal,” zei ze.

„Greet Valkema. Ik heb jarenlang de leeszaal beheerd. Ik kende je oom.”

„Iedereen kende mijn oom.” Femke schonk haar glas bij. „Gaat u zitten. Wilt u wijn? Hij is van de oom die ik niet meer heb, dus eigenlijk is hij van mij.”

Ze gingen zitten. Ruben sloeg zijn opschrijfboekje open. Greet vouwde haar handen in haar schoot en keek. Femke had een kleine pleister op de knokkel van haar rechterwijsvinger. Haar ogen waren rood, maar niet van huilen, dacht Greet. Van niet slapen.

„Gecondoleerd,” zei Ruben.

„Dank u.”

„Ik moet u een paar vragen stellen over gisteravond.”

„Natuurlijk moet u dat.” Ze glimlachte zonder plezier. „Ik had ruzie met hem. Daar heeft u vast al van gehoord. Het spijt me. Ik had geen ruzie met hem moeten maken. Hij was zesenzeventig en hij gaf alles weg wat hij had aan een stad die nooit iets voor hem heeft gedaan, en ik was jaloers. Op boeken.” Ze nam een slok. „Zet dat maar op.”

„Hoe laat bent u weggegaan?”

„Vijf over tien. Ik heb mijn auto uit de parkeergarage bij de Vispoort gehaald en ben naar huis gereden. Naar Zwolle. Ik was thuis om kwart voor elf, ik heb een douche genomen en ben gaan slapen.”

„Alleen?”

„Mijn kat telt waarschijnlijk niet.”

Ruben schreef. Greet keek naar de pleister.

„U werd vanochtend om acht uur geappt,” zei hij. „Door iemand uit Oudeweer. Nog voor de politie u had gebeld. Wie was dat?”

Femke zette haar glas neer.

„Jeroen Lankhorst.” Ze zei het met tegenzin. „De directeur. Hij schreef: bel me meteen, het gaat over je oom. Ik heb hem gebeld. Hij vertelde dat oom Lodewijk was gevonden. Hij huilde bijna. Ik niet. Ik zat in mijn ochtendjas op de bank en ik dacht: nu is het te laat om sorry te zeggen.”

„Hoe kwam meneer Lankhorst aan uw nummer?”

„Hij had het van de voorbereidingen. Er was een etentje geweest, twee weken terug. Hij wilde dat ik me betrokken voelde.” Ze lachte kort. „Hij wilde dat ik geen bezwaar zou maken.”

„Bezwaar waartegen?”

„Tegen de schenking. Ik had een advocaat gebeld. Om te kijken of je zoiets kunt aanvechten, als je de enige familie bent.” Ze keek Ruben recht aan. „Je kunt het niet. Ik heb het gecontroleerd. Mijn oom was helder van geest en het was zijn eigen geld. Dat heeft mijn advocaat me vorige week verteld, en het kostte me vierhonderd euro.”


„Mag ik iets vragen?” zei Greet.

Femke haalde haar schouders op.

„Je oom zei gisteren in zijn toespraak dat er in elke verzameling een leugenaar woont. Weet jij wat hij bedoelde?”

Het was even stil. Achter het glas van de serre streek een merel neer op de rand van de fontein.

„Nee,” zei Femke. Ze zei het te snel, en dat wist ze, want ze ging er meteen overheen praten. „Hij zei wel vaker van die dingen. Hij hield van raadsels. Toen ik klein was, verstopte hij sinterklaascadeautjes in de boekenkast en moest ik ze vinden aan de hand van rijmpjes over de titels.” Ze keek naar haar handen. „Hij was een goede oom. Ik was alleen geen goede nicht.”

„Wat is er met je vinger gebeurd?” vroeg Greet.

Femke keek naar de pleister alsof ze hem nu pas zag.

„Autodeur,” zei ze. „Vanochtend. Ik was in de war.”


Buiten was de Markt blauw van de schemering. De lampen van De Waag brandden al, en voor de deur stonden twee mannen te roken met hun kraag omhoog. Ruben bleef staan bij de waterpomp in het midden van het plein.

„Wat denkt u?”

„Dat ze over de leugenaar iets weet. En dat ze schrok toen ik het vroeg.”

„En die vinger?”

„Een autodeur kan.” Greet trok haar handschoenen aan. „Een raamkozijn ook. Of een deurpost. Ik weet het niet, Ruben. Ik ben geen politie.”

„Ik ook nog maar net.” Hij pakte zijn telefoon en typte iets. „Ik laat de parkeergarage bij de Vispoort nakijken. En ik vraag bij de gemeente Zwolle of ze in haar straat camera's hebben. Als ze om kwart voor elf thuis was, is het simpel.”

„En anders?”

„Dan is het niet simpel.”


De Oudheidkundige Vereniging Oud-Oudeweer had twee kamers op de zolder van het Stadsmuseum, aan de achterkant, waar je kwam via een trap die naar boenwas en muizen rook. Het museum zelf was dicht, maar Willem Stegeman had een eigen sleutel, en het licht op zolder brandde. Ze vonden hem achter een bureau vol mappen, met een leesbril op het puntje van zijn neus en een thermoskan koffie naast zich.

„Greet,” zei hij. Hij stond niet op. „En dit is de politie. Ik dacht al dat jullie zouden komen. Ga zitten, als je een stoel vindt.”

Er stonden drie stoelen, alle drie vol met dozen. Ruben bleef staan. Greet ook.

„Ik heb gehoord dat Lodewijk van de trap is gevallen,” zei Willem. „In de stad wordt verteld dat hij gedronken had. Dat geloof ik niet. Lodewijk dronk nooit meer dan één glas. Hij zei dat wijn slecht was voor het geheugen en goed voor de verkeerde herinneringen.”

„Wie vertelt dat in de stad?” vroeg Ruben.

„Iedereen. Het is Oudeweer. Om negen uur wist de bakker het, om tien uur de kapper.” Willem zette zijn bril af. „Wat wilt u weten?”

„Waar u gisteravond was. Na tien uur.”

„Thuis. Ik ben om kwart over tien weggegaan, net na Greet. Truus lag al in bed, zij gaat om half tien slapen sinds haar operatie. Ik heb nog een uur gelezen en ben toen naast haar gaan liggen.”

„Wat las u?”

Willem keek hem aan. „Een monografie over de stadsrekeningen van Oudeweer tussen 1420 en 1480. Wilt u een samenvatting?”

„Nee, dank u.”

Greet had naar de thermoskan gekeken. Naast de thermoskan stond een glas met een bodempje water, en op de rand van het glas zat een klein, gelig randje dat ze kende van haar vader. Jonge jenever laat geen randje na. Oude wel.

„Willem,” zei ze, „had jij gisteravond een afspraak met Lodewijk? Om half elf?”

„Nee.” Hij keek verbaasd. Het leek echt. „Waarom zou ik?”

„Hij had het in zijn agenda staan. W., half elf.”

Willem lachte, kort en schor. „Dan was het niet voor mij. Als Lodewijk mij wilde spreken, belde hij op. Om zeven uur 's ochtends, meestal, om te zeggen dat ik me ergens in vergist had. Hij heeft me in zestig jaar nooit in een agenda gezet. Ik ben geen tandarts.” Hij schudde zijn hoofd. „W. Mijn god. Hij kende honderd W's.”

„Noem er eens een paar,” zei Ruben.

Willem keek naar het plafond. „Wennekes. De Wit, van de makelaardij. Wolters, zijn oude boekhouder, maar die is dood. De wethouder heet Wessels. Willemsen van de bank.” Hij spreidde zijn handen. „En ik. Dus ja, zet mij maar op uw lijstje.”

„Hij zei gisteravond dat er in elke verzameling een leugenaar woont,” zei Greet. „Wat bedoelde hij?”

Willems gezicht veranderde. Er kwam iets scherps in, iets wat ze kende van vergaderingen van de Vereniging als iemand een jaartal verkeerd had.

„Ik weet het niet. Maar ik weet wel dat hij de laatste weken anders was. Ik zag hem twee weken geleden op de Brink. Hij liep langs me heen. Lodewijk liep nooit langs me heen, hij bleef altijd staan om me iets te verwijten. Ik riep hem na. Hij draaide zich om en zei: 'Willem, heb jij ooit iets gekocht waarvan je later wist dat het niet klopte?' Ik zei: mijn huis. Hij lachte niet.”

„Wat zei hij nog meer?”

„Niets. Hij liep door.” Willem zette zijn bril weer op. „Als u mij nu wilt excuseren. Ik moet een stuk schrijven voor het kwartaalblad. Over Lodewijk. Iemand moet het doen, en ik ken hem het langst.”


Op de trap naar beneden bleef Greet halverwege staan, met haar hand op de leuning.

„Hij was gisteravond niet thuis,” zei ze.

„Hoe weet u dat?”

„Ik weet het niet. Maar hij noemt een monografie over stadsrekeningen. Dat is het boek van Jan Keppel. Ik heb het hem zelf uitgeleend, drie weken geleden, en hij heeft het vorige week teruggebracht omdat hij het te droog vond. Dat stond op de inleverbon, ik zag het toen ik vorige week vrijwilligerswerk deed bij de balie.” Ze keek naar beneden, naar de gang met de vitrines vol potscherven. „En er stond een jeneverglas op zijn bureau. Willem heeft Truus beloofd dat hij gestopt is. Al een jaar. Dat weet de hele kerk.”

„Dus hij liegt over waar hij was.”

„Hij liegt over iets. Of het hetzelfde is als wat wij zoeken, weet ik niet.”

Ze liepen naar buiten. Het was helemaal donker nu, en koud, met een heldere hemel vol sterren boven de daken. Rubens telefoon trilde. Hij las het bericht en bleef staan onder een lantaarnpaal.

„De parkeergarage bij de Vispoort,” zei hij. „Ze registreren kentekens. Femke ter Haars auto is om zeventien over zeven 's avonds de garage in gereden.”

„Dat klopt.”

„En om eenentwintig over tien weer uit.” Hij keek op. „Niet om vijf over tien. Om eenentwintig over tien. En in Zwolle is ze volgens de garage onder haar appartement pas om twintig over elf binnengekomen. Dat is een rit van veertig minuten.”

Greet rekende. Het hoefde niet lang.

„Dan heeft ze ergens bijna drie kwartier gezeten,” zei ze. „In Oudeweer. Op de avond dat haar oom stierf.”