Hoofdstuk 3: Zes namen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Greets keuken was zo klein dat Ruben met zijn knieën tegen de tafelpoot zat. Hij leek het niet erg te vinden. Hij had zijn jas over de stoel gehangen, zijn opschrijfboekje opengeslagen naast een bord met twee boterhammen met oude kaas, en hij keek naar Kaatje, die op de vensterbank zat en terugkeek alsof hij een verdachte was.
„Ze doet niks,” zei Greet.
„Dat zeggen ze altijd.”
Het was half een. Buiten scheen nog steeds de zon, maar in de schaduw van de Bergstraat lag de rijp nog op de stoeprand. Greet had koffie gezet in de oude filterkan, zoals Hidde het altijd had gedaan, en ze merkte dat ze blij was dat er iemand aan tafel zat. Dat schaamde ze zich een beetje voor. Lodewijk was dood, en zij was blij met gezelschap.
„Bosch geeft me tot maandag,” zei Ruben. „Ze zegt: als er dan niets concreets is, wordt het een ongeval. Ze heeft drie andere zaken en een inbraakgolf in Olst.” Hij draaide zijn kopje rond. „Ze is niet dom. Ze is gewoon druk.”
„En jij?”
„Ik ben niet druk.” Hij glimlachte scheef. „Ik ben net terug, ik ken hier niemand meer, en de helft van het bureau denkt dat ik in Rotterdam iets verkeerd heb gedaan, omdat niemand vrijwillig teruggaat naar Oudeweer.”
„Heb je iets verkeerd gedaan?”
„Mijn vader is ziek. Ik wilde in de buurt zijn.” Hij zei het snel, zonder haar aan te kijken, en schoof toen het opschrijfboekje naar het midden van de tafel. „Wie was er gisteravond?”
Greet pakte een potlood uit de pot op het aanrecht. Ze had altijd beter gedacht met een potlood in haar hand.
„Een man of zestig. Maar om tien uur ging bijna iedereen weg. De wethouder was er niet, de pers wel, één jongen. Die ging om half tien al.” Ze tikte met het potlood op het papier. „Wie stond er bij Lodewijk toen hij zei dat hij bleef?”
„Dat moet u mij vertellen.”
„Jeroen Lankhorst. Willem Stegeman. Sjoerd Wennekes, de antiquaar. Femke was al weg, die vertrok om vijf over tien na een ruzie met haar oom. Bennie stond bij de deur. En dan was Anouk Brinkman er nog, de restauratrice. Die stond bij de garderobe toen ik ging.”
Ruben schreef de namen onder elkaar. Zes namen.
„Vertel me iets over ze. Wat u weet. Niet wat u denkt.”
„Dat is in Oudeweer hetzelfde,” zei Greet, maar ze begon.
Femke ter Haar, eenenveertig, de dochter van Lodewijks broer, die jong was gestorven. Enige familie. Een eigen bedrijf in Zwolle, interieurontwerp voor kantoren, met een showroom aan de Thorbeckegracht die er al twee jaar uitzag alsof hij elk moment kon sluiten. Greet wist niet hoeveel schuld ze had. Ze wist wel dat Femke vorig voorjaar bij de bank in de Kerkstraat had gestaan en huilend naar buiten was gekomen, want de vrouw van de bakker had het gezien.
„En ze erft?”
„Wat er over is na de schenking. Het huis aan de IJsseldijk, en wat geld. Niet de boeken. Niet het fonds.” Greet aarzelde. „Ze zei gisteravond dat ze hoopte dat zijn boeken hem kwamen opzoeken als hij oud was.”
Ruben schreef het op.
Jeroen Lankhorst, tweeënvijftig, directeur. Getrouwd met Ilse, die op het gemeentehuis werkte. Twee kinderen die studeerden. Een man die het goed bedoelde en daar te veel zijn best voor deed. Voor hem was de schenking een reddingsboei. Zonder het fonds van Lodewijk zou de leeszaal over twee jaar dichtgaan. Misschien de hele bibliotheek.
„Dan heeft hij juist geen reden om Ter Haar iets aan te doen.”
„Niet als de schenking rond was.” Greet keek naar het potlood. „Gisteravond is de akte getekend, bij de notaris. Om vijf uur. Jeroen vertelde het me bij de wijn, hij was er zo opgelucht over dat hij er bijna van ging zingen.”
Willem Stegeman, zevenenzeventig. Oud-leraar geschiedenis aan het Hanzecollege. Iedereen in Oudeweer had les van hem gehad of had een kind dat les van hem had gehad. Voorzitter van de Oudheidkundige Vereniging, schrijver van vier boekjes over de stadsmuur, en al zestig jaar bevriend met Lodewijk op die manier waarop sommige mannen bevriend zijn: door elkaar elke week tegen te spreken.
„Hij wilde de collectie voor het museum,” zei Ruben.
„Hij wilde de collectie voor zichzelf. Het museum is het enige wat hij heeft.” Greet zuchtte. „Hij is geen kwade man. Hij is een teleurgestelde man.”
„Zijn naam begint met een W.”
„Dat weet ik.”
Bennie Hofstede, drieënzestig. Conciërge van het Broederhuis sinds zijn dertigste. Hij woonde met zijn vrouw Gerda achter de Vispoort, kweekte dahlia's en kon een kapotte radiator repareren met een paperclip. Greet had achtendertig jaar met hem gewerkt.
„Hij heeft het lichaam gevonden,” zei Ruben. „En hij zou om elf uur afsluiten.”
„Ja.”
„Vertrouwt u hem?”
Greet legde het potlood neer. „Vanochtend keek hij me niet aan.”
Anouk Brinkman, vierendertig. Freelance restauratrice uit Amsterdam, ingehuurd door de bibliotheek om de collectie-Ter Haar te beschrijven en te controleren voor ze officieel werd overgedragen. Ze werkte sinds september in het magazijn achter de leeszaal en logeerde bij mevrouw Ploeger, de bed and breakfast bij de Vispoort.
„Wat weet u van haar?”
„Bijna niks. Ze is precies. Ze draagt katoenen handschoenen als ze een envelop openmaakt. Gisteravond zat ze naast me tijdens de toespraak.” Greet fronste. „Iedereen keek naar het Getijdenboek toen het doek eraf ging. Iedereen. Zij niet. Zij keek naar haar handen.”
„Waarom?”
„Dat zou ik ook graag willen weten.”
En als laatste: Sjoerd Wennekes, zesenzestig. Antiquaar in de Walstraat, op de hoek van de Kerkhofsteeg, al sinds 1983. Weduwnaar sinds vier jaar. Hij woonde boven de winkel, had een poes die Dirk heette en at elke vrijdag een gehaktbal bij De Waag.
„Hij heeft het grootste deel van de collectie aan Ter Haar verkocht,” zei Greet. „Of geholpen te kopen. Op veilingen, uit nalatenschappen. Ze kenden elkaar al een eeuwigheid. Sjoerd was er bijna ontroerder over dan Lodewijk zelf, gisteravond.”
„Ook een W.”
„Halve stad heeft een W. Wijkerbroek. Wethouder. Weet ik veel.” Ze hoorde zelf hoe onwillig het klonk.
Ruben keek haar een tijdje aan.
„U wilt niet dat het een van hen is.”
„Ik wil niet dat het iemand is,” zei Greet. „Maar Lodewijk is die trap niet op gegaan.”
Om twee uur reed ze met hem mee terug naar het Broederhuis. De witte bus was weg. De leeszaal was afgesloten met een zegel op de deur, en de bibliotheek zelf bleef de hele dag dicht. Op de deur hing een briefje in Jeroens handschrift: Wegens omstandigheden gesloten. Er lagen al twee bosjes bloemen op de stoep, en een kaartje dat de wind steeds probeerde mee te nemen.
Bennie zat in de personeelskamer achter de uitleenbalie, met een mok thee die al koud moest zijn. Hij stond op toen ze binnenkwamen, en ging toen weer zitten, alsof hij niet wist wat de bedoeling was.
„Meneer Hofstede,” zei Ruben, „ik wil het nog één keer van u horen. Gisteravond. Van tien uur tot elf uur.”
Bennie keek naar zijn thee.
„Om tien uur gingen de mensen weg. Ik heb de garderobe gedaan, de stoelen bij de deur rechtgezet. Meneer Ter Haar bleef nog. Hij zei: Hofstede, ik ga wel via de zijdeur, laat hem maar op de klink. Dat heb ik gedaan. Om kwart over tien was iedereen weg.”
„En toen?”
„Toen heb ik de kantine gedaan. De glazen in de vaatwasser. Het afval. Om elf uur heb ik mijn ronde gelopen. De leeszaal was donker. Ik dacht dat hij weg was, dat zijn taxi eerder was gekomen. Ik heb de zijdeur op slot gedaan en ben naar huis gegaan.”
„U bent de leeszaal niet in gegaan.”
„Het was donker.” Zijn stem werd hoger. „Als ik het licht had aangedaan...”
„Dat had niets uitgemaakt, Bennie,” zei Greet zacht. „Hij was toen al dood.”
Bennie keek haar aan, en voor het eerst die dag zag ze iets anders in zijn gezicht dan schrik. Het was schaamte. Het duurde maar een seconde. Toen keek hij weer naar zijn thee.
„Heeft u iemand gezien?” vroeg Ruben. „Buiten, in de steeg? Iemand die terugkwam?”
„Nee.”
„Hoorde u iets? In de kantine?”
„De vaatwasser maakt veel herrie.”
Greet keek naar de vaatwasser in de hoek van de personeelskamer. De deur stond op een kier. Binnenin stonden de wijnglazen van gisteravond, in rijen, met paarse randjes van de rode wijn. Ongewassen. Ze zei niets.
Buiten op de stoep stak Ruben zijn handen diep in zijn zakken.
„Hij liegt,” zei Greet. „Over de glazen in elk geval. Die vaatwasser is gisteravond niet aangeweest.”
„Dat zag ik ook.” Hij keek naar de bloemen op de stoep. „Waar was hij dan?”
„Geen idee. Bennie is geen man die liegt. Daarom doet hij het zo slecht.”
Ruben wilde iets zeggen, maar zijn telefoon ging. Hij luisterde, zei twee keer „ja” en één keer „nu?”, en hing op.
„Femke ter Haar is in Oudeweer,” zei hij. „Ze heeft een kamer genomen in De Gouden Leeuw op de Markt. Ze heeft net het bureau gebeld en wil weten wanneer ze het testament mag inzien, en waarom niemand haar heeft verteld dat haar oom vanochtend al om acht uur gevonden is.”
„Niemand heeft het haar verteld?”
„Om negen uur is ze gebeld. Door een collega.” Hij keek op zijn telefoon. „Ze zegt dat ze om acht uur al een appje kreeg van iemand uit Oudeweer. Ze wil niet zeggen van wie.”
Greet trok haar sjaal strakker. De zon stond al laag boven de daken van de Kerkstraat, en het werd snel kouder.
„Dan gaan we haar maar vragen waarom iemand in Oudeweer haar om acht uur 's ochtends iets laat weten wat de politie nog niet eens zeker wist,” zei ze.
„We?”
„Jij hebt me erbij gehaald, Ruben Dijkhuis. Negen euro vijfennegentig. Dat moet je nog terugverdienen.”