Hoofdstuk 2: Rijp op de ruiten
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het was een ochtend om op een ansichtkaart te zetten. De regen van de nacht was weggetrokken, de lucht was strak en lichtblauw, en op de autoruiten in de Bergstraat zat een laagje rijp dat glinsterde in de lage zon. Greet krabde het zadel van haar Gazelle droog met haar mouw en fietste veel te hard door de Kerkstraat, langs de bakker waar de eerste krentenbollen al in de etalage lagen, langs de kerk met de toren die nog half in de schaduw stond.
Voor het Broederhuis stonden twee politieauto's en een witte bus. Een agente met een muts tot over haar oren hield de stoep vrij met een rood-wit lint. Bennie Hofstede stond ernaast in zijn blauwe jas, met een sigaret die hij niet aanstak.
„Ik heb hem gevonden,” zei hij toen Greet afstapte. „Kwart voor acht. Ik kwam de verwarming aanzetten.” Hij keek haar niet aan. „Hij lag onder aan het trapje. Dat ijzeren trapje naar boven.”
„De wenteltrap?”
„Ja.”
Greet bleef staan met haar handen aan het stuur.
„Bennie, Lodewijk ging nooit die trap op.”
„Dat weet ik.” Hij draaide de sigaret rond tussen zijn vingers. „Dat weet ik, Greet.”
Binnen rook het naar koude radiatoren en naar iets chemisch, iets van de mensen in witte pakken die met koffertjes door de gang liepen. Greet mocht niet verder dan de drempel van de leeszaal. Daar stond een jongeman die ze in eerste instantie niet herkende: lang, smal, met een donkere jas, krullen die te lang waren voor een politieman en een opschrijfboekje in zijn hand.
„Mevrouw Valkema?” Hij stak zijn hand uit. „Ruben Dijkhuis. Recherche. De conciërge zei dat u hier vroeger werkte.”
Ze keek naar zijn gezicht en zag ineens een jongetje van negen met een plastic tas vol dinosaurusboeken, dat elke zaterdag aan haar balie vroeg of er iets nieuws was over de diplodocus.
„Ruben Dijkhuis. Van de Molenweg. Jij hebt ooit een boek over de brontosaurus in bad laten vallen.”
Hij bloosde tot aan zijn oren. „U weet het nog.”
„Je moeder heeft het netjes betaald. Negen euro vijfennegentig.” Ze keek langs hem heen de zaal in. „Ik wist niet dat je terug was.”
„Sinds de zomer. Na zes jaar Rotterdam.” Hij aarzelde. „Kende u meneer Ter Haar goed?”
„Al vijfendertig jaar. Hij kwam hier elke donderdagmiddag. Hij wilde altijd dezelfde plek, aan het eind van de tafel, onder de lamp met het barstje.”
Ze keek. De zaal was dezelfde zaal als gisteravond, maar dan in daglicht, en daglicht is meedogenloos. De klapstoelen stonden nog in rijen. Op de leestafel stonden lege wijnglazen, een schaal met verdroogde bitterballen. Bij de wenteltrap in de hoek lag een wit laken over iets wat Greet niet wilde zien en toch zag: de vorm van een lang, mager lichaam, een hand die er net onder vandaan kwam, een manchet met een gouden knoop.
Ze keek een tijdje naar de manchetknoop. Toen keek ze weg.
„Hij is gevallen,” zei Ruben zacht. „Dat is wat het er in elk geval op lijkt. De forensisch arts denkt dat hij met zijn achterhoofd ergens tegenaan is geslagen. Waarschijnlijk tegen de onderste trede of de rand van de tafel. Ergens tussen half elf en half een.”
„Gevallen van de trap.”
„Zo lijkt het.”
„Waarom zou hij die trap op gaan?”
Ruben keek haar aan. Hij had grijze ogen, oplettende ogen. „Dat vroeg ik me ook af. Kijkt u eens naar de leuning.”
Ze keek. Aan de krul van de leuning, ter hoogte van de derde trede, hing de zwarte wandelstok met de zilveren knop. Netjes, aan het handvat opgehangen, zoals je een paraplu aan een kapstok hangt.
„Dat is fout,” zei Greet.
„Waarom?”
„Omdat Lodewijk die stok nooit losliet. Niet bij een stoeprand, niet bij de deur van de kerk, niet als hij zat. Hij had hem tussen zijn knieën als hij koffie dronk. En hij ging geen trappen op. Hij had een heup die hem al tien jaar dwarszat en een hekel aan alles wat smaller was dan een meter. Als hij iets van de galerij wilde, vroeg hij het mij.” Ze slikte. „Hij heeft het gisteravond nog gezegd. 'Daarom leef ik nog.'”
Ruben schreef iets op. Hij schreef langzaam en duidelijk, zag ze, met kleine, rechte letters.
„En als u er niet was?”
„Dan liet hij het. Of hij vroeg Bennie. Of hij wachtte een week.”
Een vrouw in een donkerblauwe parka kwam de gang in. Ze was een jaar of vijftig, met kort grijs haar en een telefoon tegen haar oor. Ze beëindigde het gesprek, keek naar Greet, en toen naar Ruben.
„Dijkhuis. Wie is dit?”
„Mevrouw Valkema, voormalig beheerder van de leeszaal. Ze kende het slachtoffer.”
„Het overledene,” zei de vrouw. „We weten nog niet of er een slachtoffer is.” Ze knikte naar Greet. „Marga Bosch, teamleider. Gecondoleerd, mevrouw. Dijkhuis, de forensisch arts zegt: letsel past bij een val. Een oude man met een slechte heup, een steile trap, een glas wijn op. Ik wil het rapport vanmiddag. Daarna zien we verder.”
„Hij had zijn stok aan de leuning gehangen,” zei Ruben.
„Dan had hij twee handen nodig.” Marga Bosch keek op haar horloge. „Ik moet naar Deventer. Hou het netjes.”
Ze verdween weer de gang in. Ruben bleef staan en keek naar zijn opschrijfboekje alsof daar iets in stond wat hij nog niet had gelezen.
„Ze heeft het druk,” zei hij.
„Dat zie ik.”
„Ze heeft ook gelijk dat het een val kan zijn.” Hij keek Greet aan. „Maar ze weet niet wat u net vertelde. Wilt u even met me rondlopen? Niets aanraken. Gewoon kijken. U kent deze zaal beter dan wie ook.”
Ze liep met hem langs de wand, op de plastic tegeltjes die de mensen in witte pakken op de vloer hadden gelegd. Het eiken parket kraakte onder haar voeten op de plekken waar het altijd had gekraakt.
De vitrine stond open. Het glazen deksel was omhoog geklapt, en in het slotje stak een klein messing sleuteltje met een rood labeltje eraan.
„Is dat zijn sleutel?” vroeg Greet.
„Die zat aan zijn sleutelbos. De directeur zegt dat er twee waren. Eentje voor meneer Ter Haar, eentje voor hemzelf.”
Het Getijdenboek lag niet meer in de vitrine. Het lag op de leestafel, aan het eind, op de plek onder de lamp met het barstje. Iemand had het voorzichtig op twee foamblokken gelegd, zoals het hoort. Het lag open bij een andere bladzijde dan gisteravond: een miniatuur van een man met een baard die een kerk in zijn handen hield, een klein model met een torentje, alsof hij het als cadeau kwam brengen.
„Sint-Lebuïnus,” zei Greet. „Of iemand die daarvoor door moet gaan.”
Naast het boek lag een ronde loep met een hoornen rand. Een leesbril, keurig dichtgevouwen. De groene lamp was uit.
„Was die lamp uit toen Bennie binnenkwam?”
„Alle lampen waren uit. De conciërge zegt dat hij ze om elf uur bij zijn ronde zelf niet heeft aangeraakt. Het was al donker toen hij langs de deur liep, zei hij. Hij nam aan dat meneer Ter Haar al weg was.”
Greet keek naar de bril. Naar de loep. Naar het boek op zijn blokken.
„Hij zat hier,” zei ze. „Met zijn bril op en zijn loep in zijn hand. Hij was iets aan het bekijken. Toen heeft hij zijn bril afgezet, netjes opgevouwen, en is opgestaan, zonder stok, en is die trap op gegaan waar hij zijn hele leven bang voor was.”
„En toen heeft hij boven op de trap het licht uitgedaan,” zei Ruben.
Ze keken elkaar aan.
„De schakelaar zit bij de deur,” zei Greet.
„Ik weet het.”
Bij de radiator naast de deur, op het parket, zat een vlek. Greet zag hem omdat ze die radiator kende; hij lekte al sinds 1994 een beetje bij het ventiel, en ze had er altijd een oud koekblik onder gezet. Het koekblik stond er niet meer. Jeroen had het vast weggehaald voor de ceremonie. Maar de vlek kwam niet van het ventiel. Het was een kringetje, ter grootte van een rijksdaalder, een matte, lichtere ring in het donkere eikenhout. In het midden een klein putje, alsof er iets met een scherpe punt had gestaan.
„Ruben.”
Hij kwam naast haar staan en hurkte.
„Water,” zei hij. „Opgedroogd.”
„Gisteravond om tien uur was het droog. De hele dag was het droog. Iedereen die hier kwam, kwam binnen met een droge jas. Ik ook.” Ze wees. „Dit is van een paraplu. Een natte paraplu, die hier tegen de radiator heeft gestaan, met de punt op de vloer.”
„Om twintig voor elf begon het te regenen,” zei Ruben langzaam. „Dat stond vanochtend in de weerberichten. Een bui die tot in de nacht doorging.”
„Dan is hier na twintig voor elf iemand binnengekomen.”
Hij schreef het op. Toen riep hij een van de mannen in witte pakken en wees naar de vlek. De man knikte, haalde een fototoestel tevoorschijn en legde er een geel bordje met een nummer naast.
Ze liepen terug naar de gang. Door de hoge ramen aan de Kerkstraat viel het zonlicht in lange banen over de stoelen. Buiten fietsten scholieren voorbij met hun capuchon op, en iemand riep iets over een proefwerk.
„Mist er iets?” vroeg Greet. „Uit zijn zakken?”
Ruben bladerde in zijn boekje. „Portemonnee, met tweehonderd euro. Sleutels. Telefoon. Een zakdoek. Een agenda, zo'n klein leren ding.”
„Een notitieboekje? Zwart, met een elastiekje eromheen?”
Hij keek op. „Nee.”
„Dat had hij altijd bij zich. Altijd. Hij schreef er alles in. Wat hij kocht, wat hij las, wat iemand tegen hem zei wat hij wilde onthouden. Hij heeft er zeker veertig volgeschreven.” Ze hoorde haar eigen stem scherper worden. „Gisteravond had hij het in zijn binnenzak. Ik heb het gezien toen hij zijn bril pakte.”
Ruben zei een tijdje niets. Toen haalde hij een doorzichtig zakje uit zijn jaszak. Er zat een klein leren agendaatje in, opengeslagen bij de week van de ceremonie.
„Dit wel,” zei hij. „Kijkt u eens naar woensdag.”
Ze boog zich over het zakje. Lodewijks handschrift was schuin en spits, met lange lussen. Bij woensdag stond: 19.30 Broederhuis. Schenking. En daaronder, met een andere pen, later toegevoegd, kleiner:
W. 22.30
Greet las het twee keer. Ze dacht aan het groepje bij de vitrine. Aan de woorden die ze had opgevangen: om half elf, dan is het hier rustig.
„Weet u wie W. is?” vroeg Ruben.
Ze dacht aan Willem Stegeman met zijn jenever achter zijn rug. Ze dacht aan Sjoerd Wennekes met zijn neus tegen het glas.
„Nee,” zei ze. „Nog niet.”