Hoofdstuk 1: De schenking
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Greet Valkema had achtendertig jaar lang de sleutel van de oude leeszaal aan haar bos gehad, en nu stond ze er als gast. Ze had er vrede mee, zei ze tegen iedereen die het vroeg. Toch merkte ze dat haar hand bij binnenkomst vanzelf naar de schakelaar naast de deur ging, de schakelaar die al sinds 1962 een tikje haperde. Iemand anders had de lampen al aangedaan.
De zaal zag er mooi uit. Dat moest ze Jeroen Lankhorst nageven. De eiken leestafel in het midden was in de was gezet, de groene glazen lampen erop glommen, en boven de boekenkasten liep de gietijzeren galerij uit 1891 als een kanten rand langs drie wanden. In de hoek draaide de smalle wenteltrap omhoog naar die galerij, zwart en sierlijk en levensgevaarlijk voor iedereen die geen goede knieën had. Hoog in het plafond zat de glazen lantaarn, waar het licht van de straat nu als een vage oranje vlek doorheen viel. Het was een droge, koude avond in november, en de mensen kwamen binnen met rode wangen en sjaals tot aan hun neus.
Er stonden rijen klapstoelen. Vooraan, onder een doek van grijs fluweel, stond de vitrine.
„Je kijkt alsof je het stof wilt gaan tellen,” zei een stem naast haar.
Sjoerd Wennekes had zijn goede pak aan, het bruine met de knopen die net niet meer dicht konden. Hij rook naar oud papier en scheerzeep, zoals altijd. Veertig jaar lang had Greet boeken bij hem gekocht voor de historische collectie, en veertig jaar lang had hij haar bij elke rekening een kop koffie gegeven en gezegd dat hij eraan verloor.
„Ik tel niks meer,” zei ze. „Ik ben met pensioen.”
„Jij gaat nooit met pensioen. Jij gaat hooguit dood, en dan nog laat je een lijstje achter.” Hij knikte naar de vitrine. „Heb je hem al gezien?”
„Lodewijk liet hem vroeger weleens zien. Bij hem thuis, met witte handschoenen aan en het gordijn dicht.”
„Het Getijdenboek van Oudeweer,” zei Sjoerd zacht, alsof hij een gebed opzegde. „En vanaf vanavond is het van de stad.”
Lodewijk ter Haar kwam als laatste binnen, zoals hij altijd overal als laatste binnenkwam. Hij was zesenzeventig, lang en mager, met een wandelstok van zwart hout met een zilveren knop. Zijn heup was al tien jaar slecht en hij weigerde er iets aan te laten doen. „Ze gaan niet in mij snijden,” had hij een keer tegen Greet gezegd. „Ik ben geen boek.” Hij liep langzaam, maar rechtop, en de mensen gingen vanzelf opzij.
Achter hem liep zijn nicht Femke, in een camelkleurige jas die te dun was voor november. Ze was eenenveertig, binnenhuisarchitect in Zwolle, en ze had het smalle gezicht van haar oom zonder zijn rust. Ze keek de zaal rond zoals je naar een woonkamer kijkt die je zou willen verbouwen.
Lodewijk zag Greet en bleef staan.
„Greet. Mooi dat je er bent.” Hij pakte haar hand met zijn droge, koele vingers. „Het is vreemd, hè? Al die boeken die ik bij jou kwam bekijken, en nu breng ik mijn eigen boeken naar jou toe.”
„Niet naar mij. Ik ben er niet meer.”
„Onzin. Jij bent deze zaal.” Hij keek omhoog, naar de galerij. „Weet je nog dat ik je altijd liet klimmen? Dat ene deel van de Oudeweerse kroniek, helemaal bovenin. Ik heb dat trapje nooit vertrouwd.”
„Je hebt het nooit geprobeerd.”
„Precies. Daarom leef ik nog.” Hij glimlachte, en heel even zag ze de jongen die hij geweest moest zijn, een rijkeluiszoon die liever las dan de drukkerij van zijn vader overnam en het uiteindelijk toch deed.
Toen draaide hij zich om, want er kwam iemand op hem af.
„Lodewijk.” Willem Stegeman had zijn stem verheven, zoals hij dat veertig jaar lang voor de klas had gedaan. Hij was zevenenzeventig, voorzitter van de Oudheidkundige Vereniging Oud-Oudeweer, en had een baard die hij elke ochtend kortknipte met een nagelschaartje. „Ik wil het nog één keer gezegd hebben. Die stukken horen in het Stadsmuseum. Niet hier tussen de kookboeken en de thrillers.”
„Willem, ouwe zeur,” zei Lodewijk. „We zaten samen in de zesde klas bij meester Brink. Je zei toen al dat alles in een museum hoorde. Ook je boterhammen.”
Een paar mensen lachten. Willem niet.
„Je weet best dat het museum er meer aan had gehad.”
„Het museum heeft een dak dat lekt. De bibliotheek heeft Greet gehad.” Lodewijk tikte met zijn stok op de vloer. „Ga zitten, Willem. Het wordt een mooie avond.”
Greet zag hoe Willem zich omdraaide en tussen de stoelen door naar achteren liep. Bij de deur stond Bennie Hofstede, de conciërge, met zijn handen op zijn rug en zijn sleutelbos aan een riem. Bennie knikte naar Willem, en Willem knikte terug, kort, als twee mannen die een afspraak hebben.
Om acht uur precies stapte Jeroen Lankhorst naar voren. De directeur van de bibliotheek was tweeënvijftig en had het afgelopen jaar zichtbaar grijze slapen gekregen. De gemeente had twee keer bezuinigd, de vestiging in Wijkerbroek was dicht, en er werd in de raad hardop gevraagd of de stad zich een historische leeszaal nog wel kon permitteren. Iedereen in Oudeweer wist dat. Iedereen wist ook dat Lodewijk ter Haar niet alleen zijn boeken schonk, maar ook een fonds van twee miljoen euro om de leeszaal open te houden.
„Dames en heren,” begon Jeroen, en zijn stem trilde een beetje. Hij bedankte de wethouder, die er niet was, en de pers, die bestond uit één jongen van de Oudeweerse Courant met een fototoestel. Hij sprak over het Broederhuis, over de leeszaal die er al stond toen de Hanzeschepen nog over de IJssel voeren, over de verantwoordelijkheid van een stad tegenover haar geheugen. Greet vond het een goede toespraak. Ze vond hem een beetje te lang.
Toen was het de beurt aan Lodewijk.
Hij bleef zitten. Iedereen wist dat hij dat zou doen. Hij legde zijn stok over zijn knieën en keek de zaal in.
„Ik heb mijn hele leven boeken gekocht,” zei hij. „Ik heb er een paar gelezen.”
Gelach.
„Ik heb ze gekocht omdat ik vond dat ze niet mochten verdwijnen. Een boek dat vijfhonderd jaar oud is, heeft vijfhonderd jaar lang mensen gehad die erop pasten. Ik ben er een van. Nu moet iemand anders het doen.” Hij keek even opzij, naar de vitrine onder het fluweel. „De meeste stukken die ik vanavond schenk, zijn eerlijk. Ze zijn wat ze zeggen dat ze zijn. Daar ben ik trots op. Een verzameling is namelijk net een stad. Er woont altijd wel ergens een leugenaar.”
Het bleef even stil. Greet zag Femke haar armen over elkaar slaan. Ze zag Jeroen naar zijn schoenen kijken. Achter in de zaal schraapte iemand zijn keel.
„Maar daarover een andere keer,” zei Lodewijk, en hij glimlachte weer. „Jeroen, haal dat lap eraf. Ik word oud.”
Het grijze fluweel gleed weg. In de vitrine lag het Getijdenboek van Oudeweer open, op een schuin standaardje van plexiglas. Greet had het eerder gezien, maar nooit zo, onder goed licht, met de bladzijden wijd. Links een tekst in donkerbruine inkt, regelmatig als borduurwerk. Rechts een miniatuur: een vrouw in blauw bij een raam, een engel met vleugels van bladgoud, en op de achtergrond, piepklein, een stad aan een rivier met een kerktoren die je met een beetje goede wil als die van Oudeweer kon herkennen. Rond de afbeelding liep een rand van ranken, aardbeien en een slak met een huisje van goud.
De zaal ademde hoorbaar in. Zelfs de jongen van de krant vergat even te fotograferen.
Naast Greet zat een jonge vrouw met kort donker haar en een vest met te lange mouwen. Anouk Brinkman, de restauratrice uit Amsterdam die sinds september de collectie catalogiseerde. Greet had haar twee keer in het magazijn gesproken en haar serieus en aardig gevonden, iemand die praatte over papier zoals anderen over hun kinderen. Nu zat Anouk zo stil dat het opviel. Ze keek niet naar de miniatuur. Ze keek naar haar handen.
Na afloop was er wijn en waren er bitterballen, en er werd te hard gepraat, zoals altijd als mensen opgelucht zijn dat het officiële deel voorbij is. Greet hield een glas witte wijn vast waar ze niet van dronk en luisterde.
Bij de boekenkast met de stadsrekeningen hoorde ze Femke. Ze praatte zacht, maar Greet had achtendertig jaar in een stille zaal gewerkt en hoorde alles wat zachter was dan een stofzuiger.
„Je geeft het allemaal weg,” zei Femke. „Aan een gebouw.”
„Ik geef het aan een stad.”
„Je weet hoe het met de zaak staat. Je weet dat ik...” Ze maakte de zin niet af.
„Ik weet het, Femke. Ik heb je gezegd wat ik je wil geven en wat niet. Daar blijft het bij.”
„Dan hoop ik dat je boeken je komen bezoeken als je oud bent.”
„Ik bén oud,” zei Lodewijk, en hij klonk eerder moe dan boos.
Femke liep weg met haar jas al half aan. Greet zag haar langs Bennie bij de deur gaan, zag hem de deur voor haar openhouden. Ze keek op de grote klok boven de deur. Vijf over tien.
Even later stond Lodewijk bij de vitrine, met om zich heen een groepje: Jeroen, Willem Stegeman met een glas jenever dat hij snel achter zijn rug hield toen hij Greet zag kijken, en Sjoerd Wennekes, die met zijn neus bijna tegen het glas stond. Greet liep naar hen toe om afscheid te nemen. Ze hoorde Lodewijk iets zeggen wat eindigde op „... om half elf, dan is het hier rustig.” Ze wist niet tegen wie. Toen ze bij hen kwam, zweeg iedereen, zoals mensen zwijgen als ze net over iets anders hebben gepraat dan het weer.
„Ik ga, Lodewijk,” zei ze. „Dank je. Het was een mooie avond.”
„Ik blijf nog even,” zei hij. „Bij mijn boeken. Hofstede sluit om elf uur af, ik ga wel via de zijdeur. Mijn taxi staat om kwart over elf in de Kerkhofsteeg.” Hij keek naar de vitrine. „Ik moet nog iets nakijken.”
„Wat dan?”
„Iets wat ik dertig jaar geleden al had moeten nakijken.” Hij gaf haar een klopje op haar hand. „Ga naar huis, Greet. Je kat wacht.”
Buiten was het droog en koud, en de kinderkopjes van de Kerkstraat glansden van de vochtige lucht. Greet liep met haar fiets aan de hand naar huis, de Bergstraat op. Het was kwart over tien. Bij De Waag op de Markt brandde nog licht en hoorde ze biljartballen tikken.
Thuis gaf ze Kaatje haar brokjes, zette water op voor thee en ging met haar voeten op het krukje zitten. Ze dacht aan Anouk, die naar haar handen had gekeken. Ze dacht aan Lodewijk, die had gezegd dat er in elke verzameling een leugenaar woonde.
Rond twintig voor elf begon het te regenen. Ze hoorde het op het dakraam boven de trap, eerst een paar losse tikken, toen een gestaag geroffel. Ze dacht nog: gelukkig ben ik binnen. Daarna viel ze in slaap in haar stoel, met de thee koud naast zich.
De telefoon ging om tien over acht de volgende ochtend. Het was Bennie Hofstede, en zijn stem klonk alsof hij hard had gelopen.
„Greet,” zei hij. „Greet, je moet komen. Het is meneer Ter Haar. Hij ligt in de leeszaal.”