Hoofdstuk 9: Hoog water op komst

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Om vijf uur 's ochtends stond Anouk in de werkschuur met natte haren en een jas van de waterpolitie die haar twee maten te groot was. Buiten was het nog volkomen donker. De wind kwam in vlagen over de Amer en rukte aan de damwandplaten van de loods, zodat het hele gebouw kreunde als een schip.

„Een keet,” zei ze.

„Op de Lange Plaat. Ik weet het zeker.”

„Je hoorde een geluid door de telefoon. In de wind.”

„Ik heb tot mijn twaalfde elke zomer in zo'n keet geslapen,” zei Joris. „Mijn vader nam me mee als hij ging kappen. Ik weet hoe dat klinkt. Het is geen tentdoek, geen zeil, geen schuurdeur. Het is riet tegen hout. Daar is maar één geluid voor.”

Ze keek hem aan. Hij zag dat ze niet had geslapen. Haar ogen waren rood, haar huid grauw onder het tl-licht.

„Oké,” zei ze. „De waterpolitie heeft één boot vrij. De andere ligt bij Gorinchem, die moeten op de Boven-Merwede schepen helpen. Rijkswaterstaat heeft vannacht de spuisluizen in het Haringvliet dichtgezet. De wind duwt het zeewater naar binnen en de rivieren voeren af wat ze kunnen. Het water hier stijgt vandaag een meter, zeggen ze. Misschien meer.” Ze ritste de jas dicht. „Jij brengt ons naar die keet. Je blijft in de boot. Als Bart Hoogendoorn daar is, wil ik hem niet in het water zien, en jou ook niet.”

„En de Kleine Zuiderplaat?”

„Eerst Bart.”

„Anouk, als Matthias ergens is …”

„Dan is hij er al vijf dagen,” zei ze. „Ik weet het, Joris. Eerst Bart. Dan het eiland. Ik beloof het.”


De boot van de waterpolitie was groot en grijs en had een radar die in deze mist niets anders liet zien dan een groene waas. Joris stond naast de schipper in het stuurhuis, een zwijgzame man uit Moerdijk die Bram heette, en wees. Links. Nu rechtdoor. Hier langzaam, er ligt een ondiepte. Achter hen zaten Anouk en twee agenten met kogelwerende vesten onder hun regenjassen.

Het water was al gestegen. Joris zag het aan de oevers. De modderbanken waar hij woensdag met Anouk over had gelopen, waren verdwenen. Het water stond tot in de wilgen, tot halverwege de stammen, en het was niet meer zwart en glad maar bruin en onrustig, vol schuim en drijvend riet. De stroom had zich omgedraaid. Het water liep niet meer af naar de Amer; het kwam naar binnen, en het bleef komen.

De ingang naar de Lange Plaat was een smalle geul tussen twee rijen wilgen. Bram moest de boot er bijna met de hand doorheen duwen. Takken schuurden langs de romp en zwiepten in het stuurhuis. Toen werd het iets breder, en daar, op een verhoging in het bos, nauwelijks te zien in het grijs, stond de keet.

Hij was kleiner dan Joris zich herinnerde. Een laag, puntig gebouwtje, als een tent van riet over een geraamte van palen, met een deur van planken en een kachelpijp die schuin door het dak stak. Er kwam geen rook uit. Aan een paal in het water hing een eind touw, slap.

Anouk en de agenten gingen aan land. Joris bleef in de boot, zoals afgesproken, en keek. Hij zag Anouk naar de deur lopen, haar hand op haar heup. Hij zag haar iets roepen. Hij zag haar de deur openduwen met haar voet.

Ze bleef lang binnen. Toen kwam ze naar buiten en wenkte.


De keet rook naar petroleum en paling. Langs de achterwand stonden blauwe kratten, leeg, en een stuk of zes jerrycans met benzine. Op de brits lag een slaapzak, opengeslagen, nog niet koud. Op de kachel, een klein gietijzeren ding met een rond deurtje, stond een pannetje met een laagje koffie erin. Ernaast, op een kist, een lege fles cola, een zak broodjes uit een supermarkt in Werkendam en een opgevouwen kaart van de Biesbosch.

„Hij is net weg,” zei Anouk. „Een uur, hooguit.”

Joris pakte de kaart niet op. Hij keek ernaar, zoals hij naar de kaart van Matthias had gekeken, vijf dagen eerder. Er stonden geen kruisjes op. Er was één lijn, met een balpen, van de Lange Plaat naar het noorden, naar het brede water van de Nieuwe Merwede, en daar langs de kant naar het oosten. Naar Gorinchem. Naar de A15, de auto die daar ergens stond, de grens.

„Hij vlucht,” zei een van de agenten.

„Of hij wil dat we denken dat hij vlucht,” zei Anouk.

Haar telefoon ging. Ze keek op het scherm, en Joris zag haar gezicht veranderen. Ze liep naar buiten, de regen in, en nam op. Hij hoorde haar stem door de rieten wand: kort, dringend, één keer heel scherp. Stuur ze. Nu. Alle drie.

Toen ze weer binnenkwam, had ze haar telefoon nog in haar hand.

„De telefoon van Matthias,” zei ze. „Ze hebben hem open. De digitale recherche heeft de hele nacht doorgewerkt, vanwege die riem.” Ze draaide het scherm naar hem toe. „Kijk.”

Het waren drie foto's. Klein, korrelig, de miniatuurversies die de camera automatisch naar de telefoon had gestuurd. De eerste was bijna helemaal grijs, met witte vlekken. Een opname door de warmtebeeldkijker, besefte Joris, of een foto ván het schermpje van de warmtebeeldkijker, met de camera erop gericht. Twee figuren, wit tegen het donkergrijs van het water. Een boot, met een opbouw. Een van de figuren tilde iets op dat ook wit was, een vierkant, warm. Een krat met levende paling.

De tweede foto was met flits genomen. Te fel, overbelicht, maar scherp genoeg. Een gezicht, half afgewend, met de mond open. Een man in een donkerblauwe werkjas, met een koplamp op zijn voorhoofd. Achter hem, onscherp, de rode baard van Ruud.

Het gezicht was van Bart Hoogendoorn.

De derde foto was niets. Een veeg. Een hand, onscherp, dichtbij, die naar de lens greep. En aan de rand, net zichtbaar, een stuk van een boeg. Grijs aluminium.

„Tijd van de opnames?” vroeg Joris.

„Tweeëntwintig uur twaalf, dertien en veertien. Het bericht aan Ute ging om tweeëntwintig uur veertien.” Anouk stopte de telefoon in haar jas. „Hij heeft die foto's genomen, het bericht gestuurd, en toen was Bart bij hem.”


Buiten op de boot kraakte de radio. Bram stak zijn hoofd uit het stuurhuis.

„Een melding van een binnenvaartschipper,” riep hij. „Een grijze werkboot met een kajuit op de Nieuwe Merwede, ter hoogte van de Steurgat. Richting oost. Hij voer zonder licht.”

Anouk keek naar Joris. Joris keek naar de kaart op de kist.

„Ga,” zei hij.

„Jij gaat mee.”

„Ik heb mijn eigen boot. Die ligt bij de Spieringsluis. Zet me daar af, het is op de route.” Hij keek haar aan. „De Kleine Zuiderplaat ligt een kwartier hiervandaan. Ik kijk alleen. Ik ga niet naar binnen, ik kijk vanaf het water. Als ik iets zie, bel ik je.”

„Joris …”

„Je beloofde het,” zei hij. „Eerst Bart, dan het eiland. Bart is daar. Het eiland is hier.”

Ze aarzelde. Achter haar riep Bram iets, ongeduldig. De wind trok aan de rietmatten van de keet en het hele bouwsel kraakte.

„Elk half uur,” zei ze. „Via de marifoon, kanaal tien. Als ik niks hoor, stuur ik iedereen. En je gaat niet aan land.”

„Ik ga niet aan land.”

Ze keek hem nog een tel aan, zoals ze hem die eerste dag had aangekeken, als een reiger. Toen draaide ze zich om en liep naar de boot.


De Lepelaar lag nog bij de Spieringsluis, half volgelopen met regenwater. Joris hoosde hem leeg met een emmer terwijl de waterpolitieboot wegdraaide en in de mist verdween. Zijn handen waren stijf van de kou. De wind stond nu pal op de kreek, zo hard dat de regen niet meer viel maar vloog, en het water klotste over de rand van het steigertje.

Om half tien voer hij weg.

Op het open water van de Bakkerskil sloegen de golven over de boeg. Hij zette zich schrap, één hand aan het roer, de andere aan de rand, en voelde het koude water langs zijn nek naar binnen lopen. Een groep knobbelzwanen kwam laag over hem heen, tegen de wind in, met dat zingende geluid van hun vleugels dat je alleen hoort als ze dichtbij zijn. Ze zochten beschutting. Alles wat hier leefde, zocht vandaag beschutting: de ganzen in de luwte van de dijken, de reigers diep in het riet, de bevers in hun burchten onder de oevers. Alleen de mensen voeren de storm in.

Hij kende de route naar de Kleine Zuiderplaat niet zoals hij de grote kreken kende. Hij was er twintig jaar niet geweest, misschien langer. Maar hij had de stafkaart van zijn vader in zijn hoofd, en hij had iets wat hij niet kon uitleggen: een gevoel in zijn handen aan het roer, voor waar het water dieper werd en waar het zich ophoopte tegen een ondiepte.

Hij nam de zijtak van de Ruigekreek. Langs de oude steiger met de drie rotte palen, die nu bijna onder water stonden. Langs de plek waar Matthias had gezeten met zijn warmtebeeldkijker en zijn thee en zijn notitieboekje in zijn linkerbinnenzak. De zijtak werd smaller. De wilgen kwamen dichterbij. Het water stond hier stil, bijna, een donkere spiegel tussen de stammen, terwijl boven hem de wind door de toppen raasde.

Om tien voor tien meldde hij zich op kanaal tien. Anouk antwoordde meteen, met ruis en wind. Ze zaten achter de grijze boot aan, op de Merwede. Ze hadden hem nog niet.

Om tien uur zag hij het eiland.

Een lage, lange vorm in het grijs, begroeid met oude griend, de stammen zo dik als vaten. Het water stond er al tot ver in het bos. Hij zette de motor op stationair en liet de Lepelaar langzaam langs de oever drijven, zoals hij had beloofd. Kijken. Niet aan land.

Toen rook hij het.

Eerst dacht hij dat hij het zich verbeeldde. In deze wind, in deze regen. Maar het was er, zwak, scherp, onmiskenbaar. Houtrook. Natte wilg die smeult.

Hij keek op. Boven de wilgen, op het hoogste punt van het eiland, waar de keet van zijn vader en Kees moest staan, hing een dunne grijze sliert die de wind meteen uiteen trok. En meteen weer. En weer. Iemand stookte een kachel.

En ergens achter hem, in de mist, op het water dat hij net was overgestoken, hoorde hij een buitenboordmotor die precies op hetzelfde moment werd teruggezet als de zijne.