Hoofdstuk 10: Kleine Zuiderplaat

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Joris zette de motor uit. In de stilte die volgde, hoorde hij de andere motor ook stilvallen, ergens achter hem in het grijs, misschien tweehonderd meter, misschien minder. Daarna alleen nog de wind in de wilgen en het water dat tegen de romp klotste.

Hij pakte de marifoon van de haak.

„Lambrechts, Lambrechts, hier Lepelaar. Kanaal tien.”

Ruis. Een flard van een stem, onverstaanbaar. Toen niets.

„Lambrechts, hier Lepelaar. Rook op de Kleine Zuiderplaat. Ik herhaal: rook uit de keet op de Kleine Zuiderplaat. Er ligt een boot achter me, ik zie hem niet. Over.”

Hij wachtte. De ruis kraakte en zwol aan en zakte weer weg. Hij wist niet of ze hem hoorde. Op de Merwede, tussen de dijken, in deze wind, kon het zijn dat er niets doorkwam. Hij probeerde zijn telefoon. Eén streepje bereik, dat verdween zodra hij het nummer koos.

Hij keek naar de rook boven de wilgen. Hij keek achterom, naar de mist.

Hij had beloofd niet aan land te gaan.

Hij legde de Lepelaar met de neus in de wilgen, sloeg de lijn om een stam, stapte over de rand in water dat tot boven zijn knieën kwam en zo koud was dat zijn adem stokte. Toen waadde hij het bos in.


Het eiland was één groot moeras geworden. Het water stond tussen de stammen, bruin en roerloos, en hij voelde de grond onder zijn laarzen wegzakken en weer houvast vinden, wortels, takken, een omgevallen stam waar hij overheen moest klimmen. De wilgen stonden hier zo dicht en zo oud dat het donker was onder hun kronen, ook al was het tien uur 's ochtends. Overal hingen baarden van droog gras en riet in de takken, aangespoeld bij eerdere hoogwaters, op ooghoogte, op hoofdhoogte. Een herinnering aan hoe hoog het water hier kon komen.

Na een minuut of vijf ging de grond omhoog. Een rug van zand en klei, een oude rivierduin waarop de griendwerkers honderd jaar geleden hun keten hadden gezet omdat het daar droog bleef. Of bijna droog. Het water likte nu aan de rand ervan.

De keet stond waar hij hem zich herinnerde. Scheef, half ingezakt aan één kant, met gaten in het rieten dak waardoor je de lucht zag. De deur hing scheef in zijn hengsels. Uit de kachelpijp kwam rook, dun en grijs. En voor de deur, in de modder, lag een laars.

Een groene rubberlaars, maat vierenveertig, met een kapotte schacht. Opengesneden, besefte Joris toen hij dichterbij kwam. In de lengte, met iets scherps.

„Matthias?” riep hij. „Herr Krüger?”

Binnen bewoog iets.

Hij trok de deur open.


Het eerste wat hij zag, was het vuur. De kleine gietijzeren kachel, roestig en gebarsten, met het deurtje open, en daarin een handvol gloeiende takken. Ernaast lag een stapel hout, nat en dampend: wilgentakken, stukken van de brits, een plank met nog een spijker erin. Het tweede wat hij zag, waren de ogen.

Hij zat in de hoek, tegen de wand, half onder een stapel droog riet die hij over zich heen had getrokken als een deken. Een man met een gezicht dat grauw was, ingevallen, met stoppels van vijf dagen en lippen die gebarsten waren tot bloedens toe. Een dikke groene jas, donker van het vocht. Zijn rechterbeen lag gestrekt voor hem uit, zonder laars, de enkel gezwollen tot het dubbele van zijn dikte en paarszwart verkleurd onder de sok. Hij had er een spalk omheen gebonden, van twee stukken wilg en de veter van zijn andere laars.

Hij keek naar Joris, en hij knipperde niet.

„Sie sind nicht Bart,” zei hij. Zijn stem was een hees gefluister.

„Nee.” Joris ging op zijn knieën zitten, in de modder op de vloer van de keet. „Nee. Ik ben Joris. Boswachter. Förster. Ich bin hier, um Sie zu holen.”

Matthias Krüger sloot zijn ogen. Zijn schouders begonnen te schokken, eerst zacht, toen harder. Hij maakte geen geluid. Joris legde een hand op zijn arm, en voelde door de natte stof hoe mager die was, en hoe koud.

„Ute,” zei Matthias, met zijn ogen nog dicht.

„Ute is hier. In Drimmelen. Ze wacht op u.”

„Sie ist hier?”

„Ze is donderdag gekomen. Ze zei dat u het water kent. Ze zei dat u niet zou verdrinken.”

Matthias lachte. Het was een vreselijk geluid, een gekraak diep uit zijn borst, dat overging in een hoest die niet meer ophield. Joris trok hem overeind, hield hem vast tot het voorbij was. Toen pakte hij de thermosfles uit de binnenzak van zijn eigen jas, draaide de dop eraf en hield hem aan zijn mond. Koffie, met suiker. Lauw, maar warmer dan alles wat de man in vijf dagen had gehad.

Matthias dronk. Kleine slokken, zijn handen om die van Joris heen.


Hij praatte terwijl Joris de kachel opstookte met wat er nog droog was. In een mengeling van Duits en Engels en losse Nederlandse woorden, langzaam, met pauzes waarin hij zijn adem terugzocht.

Hij had in het water gelegen, die maandagnacht. Hij wist niet hoe lang. Het was zo koud geweest dat hij eerst niets had gevoeld, en daarna alleen nog pijn. De stroom had hem meegenomen, weg van de steiger, en hij had geschreeuwd tot hij water binnenkreeg. Ergens in het donker had hij een tak te pakken gekregen, een overhangende wilg, en daar had hij zich aan opgetrokken tot zijn voeten de bodem raakten. Toen had hij zijn enkel gevoeld. Hij moest ergens tegenaan zijn geslagen, een paal, een steen. Hij had niet kunnen staan.

„Ik bin gekrochen,” zei hij. „Auf Händen und Knien. Ins Wasser, aus dem Wasser. Stunden.”

Hij had de keet gevonden omdat hij wist dat hij er was. Hij had hem gezien, jaren geleden, vanaf het water, en hij had hem op zijn kaart gezet met een kruisje. In zijn binnenzak, links, in een plastic hoesje, had hij een vuurstaaf gehad, zo'n ding van magnesium dat je met een mes bewerkte tot er vonken af sprongen. Altijd bij zich. Voor als het misging. Ute lachte hem erom uit.

„Sie hat recht gehabt,” zei hij. „Es ist schiefgegangen.”

Hij had het droge riet van de wanden gebruikt om het vuur aan te krijgen. De eerste nacht had het een uur geduurd, met handen die niet meer wilden. Daarna had hij het brandend gehouden met alles wat hij kon vinden: takken, de planken van de brits, het hout van een kist. Hij had regenwater opgevangen in zijn eigen laars, onder een gat in het dak. Hij had een zak studentenhaver gehad in zijn jaszak en een appel. Die waren op woensdag op geweest.

„Und dann,” zei hij, „habe ich gewartet.”

„Waarom bent u niet naar de oever gegaan? Hebt u geen boten gehoord?”

Matthias keek hem aan.

„Doch,” zei hij. „Ich habe eins gehört. Am Dienstag. Und ich habe es erkannt.” Hij slikte. „Das graue Boot. Mit der Kabine. Es ist hier vorbeigefahren, langsam. Zweimal. Jemand hat mit einer Lampe ins Gebüsch geleuchtet.” Hij sloot even zijn ogen. „Ich habe das Feuer ausgemacht. Ich habe mich nicht bewegt. Ich dachte: er sucht mich nicht, um mich zu retten.”

Joris zei niets. Buiten huilde de wind door de wilgen. Het water klotste nu hoorbaar, ergens dichtbij, tegen de onderkant van de keet.

„Was ist da passiert?” vroeg hij. „In der Ruigekreek?”

„Ich habe sie gesehen. Mit der Wärmebildkamera.” Matthias maakte een vaag gebaar met zijn hand. „Zwei Männer. Sie haben Kisten von einem Boot ins andere getragen. Ich wusste, was es war. Ich hatte im September darüber geschrieben, an die Provinz. Niemand hat geantwortet.” Hij keek Joris aan, en Joris keek niet weg. „Also habe ich fotografiert. Mit Blitz. Dumm. Sehr dumm. Sie kamen sofort.”

„Wie?”

„Der Große mit dem roten Bart. Er hat geschrien. Er wollte, dass ich wegfahre. Aber der andere …” Matthias zweeg even. „Der andere war ruhig. Ganz ruhig. Er ist in mein Boot gestiegen. Er hat nach der Kamera gegriffen. Ich habe sie festgehalten. Und dann hat er mich gestoßen. Mit beiden Händen. Hier.” Hij legde zijn hand op zijn borst. „Ich bin rückwärts gefallen. Über den Rand.”

„En de man met de rode baard?”

„Er hat geschrien. Er wollte ins Wasser springen, glaube ich. Der andere hat ihn festgehalten.” Matthias' stem brak. „Ich habe sie noch gehört, lange. Ihre Stimmen. Sie haben gestritten. Und dann ist der Motor angegangen.”


Joris stond op. Zijn knieën waren stijf van de kou en de modder. Hij keek door de open deur naar buiten. Het water was gestegen sinds hij binnen was gekomen; het stond nu tot aan de eerste paal van de keet, een vlakte van bruin tussen de stammen.

„Ik ga u hier weghalen,” zei hij. „Mijn boot ligt aan de oever. Vijf minuten. Ik draag u.”

Hij had het nog niet gezegd of hij hoorde het. De motor. Dichtbij nu, heel dichtbij, langzaam, het doffe geronk van een buitenboordmotor die stationair draaide. Toen hield het op.

Matthias keek naar hem. Hij zei niets. Zijn ogen zeiden genoeg.

Joris liep naar buiten.

Bart Hoogendoorn stond op de rand van de zandrug, op een meter of twintig, tot zijn knieën in het water. Hij droeg dezelfde donkerblauwe werkjas als op de foto, met de kraag omhoog tegen de regen, en hij had iets over zijn schouder hangen dat Joris eerst voor een hengelfoedraal aanzag. Toen hij dichterbij kwam, zag Joris dat het een jachtgeweer was, een dubbelloops, de lopen naar beneden. Hij hield het niet vast alsof hij het ging gebruiken. Hij hield het vast zoals je een schop vasthoudt.

„Ik dacht al dat jij het zou zijn,” zei Bart.

„Je bent hem voorbijgevaren. Dinsdag. Twee keer.”

Bart haalde zijn schouders op. „Ik zag niks. Ik dacht dat hij dood was. Ik heb dat tegen jou gezegd en ik meende het.” Hij keek langs Joris heen naar de keet, naar de rook die nog steeds uit de pijp kwam. „Toen zag ik vanochtend die rook vanaf de Lange Plaat. Ik geloofde mijn ogen niet.”

„Het is voorbij, Bart. De politie heeft de foto's. Van zijn telefoon. Je gezicht staat erop.”

Even zag hij iets in het gezicht van Bart. Een trilling om de mond. Toen was het weg.

„Foto's,” zei Bart. „Van een man die stropers betrapt. Daar sta ik op. Dat weet ik nu. Paling, Joris. Daar krijg je een boete voor.” Hij kwam een stap dichterbij. Het water kolkte om zijn knieën. „Maar wat hij vertelt over wat er daarna gebeurde, dat staat er niet op.”

„Hij vertelt het mij.”

„Ja,” zei Bart. „Dat is jammer.”

Hij liep langs Joris heen, niet naar de keet, maar naar de oever, naar de plek waar de Lepelaar met zijn neus in de wilgen lag. Joris ging hem achterna, het water in, maar hij was te langzaam in zijn natte kleren en zijn volgelopen laarzen. Toen hij bij de oever kwam, stond Bart al in de boot. Hij had de marifoon van de haak getrokken en hield hem omhoog, liet hem zien, en gooide hem toen in het water, met een boog, achteloos. Joris' telefoon lag op de bank, waar hij hem had neergelegd toen hij uitstapte. Die ging er ook in. Toen boog Bart zich over de motor, en Joris zag het lemmet van een zakmes. Eén haal door de brandstofleiding. De benzine liep glinsterend over de vlonders.

„Bart!”

Bart keek hem aan, vanaf de boot, met het geweer nog steeds over zijn schouder.

„Ik raak je niet aan,” zei hij. „Ik raak hem niet aan. Ik heb nooit iemand aangeraakt.” Hij sneed de lijn door waarmee de Lepelaar aan de wilg lag, stapte over de rand het water in en gaf de boot met zijn volle gewicht een duw. De Lepelaar schoof achteruit uit de wilgen, het open water op, waar de wind hem greep en langzaam ronddraaide. „Het water staat vannacht een meter hoger dan nu. Misschien anderhalf. Dat eiland staat er dan niet meer. Niemand vindt jullie in deze storm, niet vandaag en niet morgen.”

Joris waadde naar de boot, tot zijn middel, tot zijn borst. De kou sloeg de adem uit zijn longen. De Lepelaar dreef verder, een meter, twee, vijf, met de stroom mee de zijtak in, en verdween in de mist voordat hij hem had kunnen raken.

Toen hij zich omdraaide, was Bart weg. Ergens achter de wilgen, om de punt van het eiland, waar hij zijn eigen boot moest hebben gelaten, sloeg een buitenboordmotor aan. Het geluid zwol aan en nam af, naar het noorden, naar het open water.

Het laatste wat Joris van hem hoorde, boven het geluid van de motor uit, was zijn stem, kalm, alsof hij het weerbericht voorlas.

„Het water doet de rest.”