Hoofdstuk 11: De nacht van het hoge water

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Om twintig over tien meldde Joris zich niet.

Anouk stond in het stuurhuis van de waterpolitieboot, met haar ogen op de klok boven de radar, en ze telde de minuten. Om half elf riep ze hem op, drie keer, op kanaal tien. Ruis. Om vijf over half elf vroeg ze Bram om te keren.

„We hebben hem bijna,” zei Bram. Voor hen, door de regen, zag je de achterkant van een grijze werkboot met een kajuit, die zich door de golven van de Nieuwe Merwede werkte.

„Dat is hem niet,” zei Anouk.

Ze had gelijk. Tien minuten later lagen ze langszij, en een verbaasde man van een jaar of zestig in een oranje overall stak zijn handen in de lucht. Een baggeraar uit Hardinxveld, op weg naar huis met een kapotte navigatielamp. Hij had nog nooit van Bart Hoogendoorn gehoord.

Toen ze terugvoeren naar de Biesbosch, was de wind gedraaid naar het westen en aangewakkerd tot een storm die de regen horizontaal over het water joeg. Bram keek met samengeknepen ogen door de ruit.

„Ik kom die zijtak niet in met deze boot,” zei hij. „Niet met dit water. Alles staat onder. Je ziet niet meer waar de kreek ophoudt en het bos begint. Ik loop vast op een stronk en dan liggen we er zelf.”

Hij probeerde het toch. Om half twaalf, bij de monding van de Ruigekreek, voelde Anouk de boot schokken onder haar voeten, een droog, schurend geluid, en daarna een trilling die door de hele romp ging. Bram vloekte en zette de motor in z'n achteruit. De schroef had iets geraakt onder water. Hij trilde nu bij elk toerental.

„Terug,” zei Bram. „Sorry. We moeten terug.”


Om twee uur 's middags vonden twee mannen van de brandweer de Lepelaar. Hij lag tegen de wilgen in het Gat van de Zwaluw, een paar honderd meter van de plek waar de Kievit 4 vijf dagen eerder had gelegen. Leeg. De lijn doorgesneden. De brandstofleiding doorgesneden. Een laagje benzine op het regenwater in de bilge.

Anouk stond in de werkschuur in Drimmelen toen ze het hoorde. Ze zei niets. Ute zat op een stoel bij de koffieautomaat, in haar groene parka, met haar handen in haar schoot, en keek naar haar.

„Hij heeft hem gevonden,” zei Ute zacht. „Ja? Joris heeft Matthias gevonden. En toen is iemand gekomen.”

Anouk keek haar aan. Ze kon niet liegen tegen die vrouw.

„Ik denk het,” zei ze.

Ute knikte, heel langzaam, alsof ze iets in zichzelf vastzette.

„Dan moet u ze gaan halen.”


Anouk reed naar Breda met de zwaailichten aan. Om drie uur zat Ruud van Wijk tegenover haar, met zijn advocaat naast zich, in een verhoorkamer met geen ramen en een tafel die aan de vloer vastzat. Ze legde drie dingen voor hem neer, zonder iets te zeggen.

De foto van Bart, met zijn mond open, in het felle licht van de flits.

De verbrande riem met het plaatje: M. Krüger – Münster.

En een foto van de Lepelaar, leeg, tegen de wilgen.

Ruud keek er lang naar. Zijn advocaat boog zich naar hem toe en begon iets te fluisteren, en Ruud stak zonder op te kijken zijn hand op, en de advocaat zweeg.

„Verhagen?” vroeg hij.

„Hij is vanochtend naar de Kleine Zuiderplaat gevaren. Naar de keet. Hij zag rook.” Anouk boog zich naar voren. „Bart is hem gevolgd. Nu is Joris' boot leeg en Joris is weg. En misschien zit Matthias Krüger op dat eiland, levend, al vijf dagen. En het water stijgt.”

Ruud sloot zijn ogen.

„Ik heb hem niet aangeraakt,” zei hij. „Dat is waar. Ik zweer het op mijn moeder. Bart heeft hem geduwd. Ik wilde erachteraan, het water in. Bart hield me vast. Hij zei: als je springt, verzuip je zelf ook, en dan heeft Lotte niemand meer.” Hij opende zijn ogen. Ze stonden vol water. „We hebben gezocht. Twintig minuten. Met de lamp. We hebben geroepen. Toen zei Bart dat we weg moesten. Hij nam de camera mee. Ik heb niks gezegd. Vijf dagen heb ik niks gezegd.”

„Vertel me waar die keet is.”

„U komt er niet.”

„Dat weet ik. Bram de schipper zegt het ook. Hoe komt iemand er wel?”

Ruud keek naar de foto van de Lepelaar.

„Via het Wimsgat,” zei hij. „Een oude geul, aan de noordkant. Mijn vader noemt hem zo, naar zijn broer. Hij staat op geen enkele kaart. Je kunt er alleen in met een platte boot, bij hoog water, en je moet weten waar de stronken zitten.”

„Weet jij dat?”

„Ik weet het.” Hij keek haar aan. „Maar mijn vader weet het beter.”


Op het eiland had Joris het dak afgebroken.

Niet alles. Alleen het deel boven de deur, waar het riet het droogst was gebleven, omdat de oude griendwerkers daar een extra laag hadden aangebracht tegen de wind. Hij trok het er in bossen uit, met zijn handen, en stopte het in de binnenkant van zijn jas en in een plastic zak die hij in de keet had gevonden. Droog riet. Het enige wat op dit eiland nog zou branden als alles nat was.

Het water was aan het eind van de middag over de drempel gekomen. Eerst een dun laagje, glanzend op de lemen vloer, en toen sneller. Om vijf uur stond het tot zijn enkels. Om zes uur, toen het donker werd, tot zijn knieën. De kachel siste toen het water bij de onderkant kwam, en ging uit.

Hij had Matthias naar buiten gedragen. Niet ver. Achter de keet, op het hoogste punt van de zandrug, stond een wilg die al lang niet meer als griend te herkennen was: een stronk zo dik als een regenton, waaruit zeven stammen omhoog waaierden, elk zo dik als een man. Waar ze uit de stronk kwamen, op anderhalve meter hoogte, vormden ze een kom. Een nest. Daar had hij Matthias in gehesen, met een touw dat hij om zijn borst had geknoopt en over een tak had gegooid, centimeter voor centimeter, terwijl de Duitser zijn lippen op elkaar beet om niet te schreeuwen als zijn enkel ergens tegenaan stootte.

Nu zaten ze er samen. Joris met zijn rug tegen een van de stammen, Matthias half op zijn schoot, half tussen zijn benen, met het riet dat ze nog over hadden om hen heen gepropt. Onder hen ruiste het water door het bos. Het geluid was overal, in alle richtingen, een gestaag, zuigend stromen dat niet ophield. Boven hen tekeerde de wind in de kruinen. Takken kraakten, vielen, plonsden.

„Erzählen Sie mir was,” zei Matthias. Zijn tanden klapperden. „Bitte. Irgendwas.”

Dus vertelde Joris. Over zijn vader, die in deze bossen had gekapt met een kort, gebogen mes dat hij een hakmes noemde, en die 's avonds in de keet hutspot kookte op de kachel. Over Kees, die als jonge man elke kreek in de Biesbosch kon benoemen en die voor elke kreek een verhaal had. Over het jaar dat de kreek dichtvroor en ze met z'n vieren twee weken op dit eiland hadden gezeten, met jenever en beschuit. Over de zeearenden, die terugkwamen toen niemand het meer verwachtte, en over de bevers, die hier in 1988 waren uitgezet en die nu overal hun dammen bouwden.

Matthias luisterde. Soms viel hij in slaap, en dan schudde Joris hem wakker, want slapen was het ergste wat hij nu kon doen.

„Ihre Frau?” vroeg Matthias een keer. „Haben Sie eine Frau?”

„Gehad.”

„Kinder?”

„Een dochter. Femke. Ze studeert in Wageningen. Bosbouw.” Hij voelde iets in zijn borst. „Ze belt elke zondag. Morgen is het zondag.”

„Dann müssen Sie morgen ans Telefon gehen.”

„Ja,” zei Joris. „Dat moet ik.”


Om half negen keek Joris op het lichtgevende horloge om zijn pols, en zag dat het water de eerste vertakking van de wilg had bereikt. Nog een halve meter onder de kom waarin ze zaten. De storm was niet minder geworden. Als het tij nog een paar uur doorzette en de wind bleef staan, zou het water bij hen zijn voor de ochtend.

Hij dacht aan Bart. Een meter hoger. Misschien anderhalf.

Hij dacht aan Anouk. Elk half uur, had ze gezegd. Hij had zich om tien voor tien voor het laatst gemeld. Ze wist waar hij was. Ze zou komen. Maar hij wist ook wat het water vanavond deed met de kreken, hoe het de randen wegpoetste en de geulen onzichtbaar maakte, en hoe de stronken net onder het oppervlak wachtten.

Om tien over negen hoorde hij het.

Eerst dacht hij dat het de wind was. Toen zweeg de wind een ogenblik, zoals de wind soms zweeg tussen twee vlagen, en hoorde hij het duidelijk. Een motor. Aan de noordkant van het eiland, waar geen kreek was, alleen bos. Langzaam. Stotterend. Een motor die werd teruggezet, en weer gas kreeg, en weer werd teruggezet.

Hij wist niet wie het was. Het kon Bart zijn, teruggekomen om te zien of het water zijn werk had gedaan.

Het kon iemand anders zijn.

Hij maakte zich los van Matthias en schoof naar de rand van de kom. Hij haalde de plastic zak met droog riet uit zijn jas en de vuurstaaf van Matthias uit zijn eigen binnenzak. Hij liet zich zakken, tot zijn middel het water in, de kou als een klap, en waadde naar de keet. Het dak stak nog boven het water uit, een donkere, puntige vorm. Hij propte het droge riet in een holte waar het dak aansloot op de nok, waar het oude riet onder de natte buitenlaag nog dor en bros was. Hij sloeg met zijn mes langs de vuurstaaf. Een vonk. Niets. Nog een. Zijn handen beefden zo dat hij het mes bijna liet vallen.

De derde vonk ving.

Het riet smeulde, rookte, en vatte vlam. Een klein geel vlammetje, dan een groter, dat in het droge riet onder de nok kroop en zich daar vastbeet. De wind greep het. Binnen een minuut stond de nok van de keet in brand, een fel oranje vuur dat sissend en knetterend tegen de regen in vrat.

Joris stond tot zijn borst in het water en keek ernaar. De keet van zijn vader. De keet van Kees. Vijftig jaar had hij hier gestaan.

Ergens in het donker, aan de noordkant, hield de motor op.

Toen hoorde hij een stem, rauw en oud, boven de storm uit. Een stem die hij kende sinds hij kon lopen.

„Verhagen! Joris! Godverdomme, jongen, waar zit je?”