Hoofdstuk 12: Als de mist optrekt
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De boot die uit het donker kwam, was een vlet. Een oude, platte, open schuit van gelast staal, laag op het water, met een buitenboordmotor achterop en op de voorplecht een man met een zaklamp. De lichtbundel zwaaide door het bos, gleed over het water, de stammen, de brandende keet, en bleef hangen op Joris.
„Daar,” riep Kees. „Daar staat hij. Tot zijn nek in de rivier, die idioot.”
Achter hem, aan het roer, zat Ruud, ineengedoken in een oranje reddingsvest, met zijn gezicht strak van concentratie. En in het midden van de vlet, met beide handen om het dolboord en een helm van de brandweer op haar hoofd die haar drie maten te groot was, zat Anouk Lambrechts.
„Hij leeft,” riep Joris. Zijn stem was hees, en hij wist niet of ze het verstonden. „Matthias. Hij leeft. Hij zit in de boom.”
Hij zag Anouk opstaan in de vlet, zag hoe ze bijna haar evenwicht verloor, zag hoe Kees haar zonder om te kijken bij haar jas greep en terugtrok. Hij zag haar mond iets zeggen. Hij verstond het niet. Hij hoefde het niet te verstaan.
Het kostte ze bijna een uur. Ruud bracht de vlet zo dicht bij de wilg als hij kon, centimeter voor centimeter, terwijl Kees met de lamp op het water scheen en riep: „Links. Stronk. Rechts. Nog een. Stop.” Toen het niet verder ging, stapte Ruud uit. Hij liet zich over de rand zakken in het water, dat hem tot zijn borst kwam, en waadde naar de boom. Joris stond er al. Samen tilden ze Matthias uit de kom van de wilg, met het touw dat Joris om zijn borst had geknoopt, langzaam, terwijl de Duitser zijn hoofd in Ruuds schouder drukte en zijn tanden op elkaar zette.
Ruud zei niets. Hij droeg de man door het water naar de vlet alsof hij een kind droeg. Toen ze hem over de rand hadden getild en Anouk een reddingsdeken om hem heen had geslagen, bleef Ruud nog even in het water staan, met zijn handen op het dolboord.
Matthias keek naar hem. In het licht van het vuur zag Joris het gezicht van de Duitser veranderen. Hij herkende hem.
„Sie,” zei Matthias.
„Ja,” zei Ruud. „Ik.”
Het bleef stil. De keet brandde, knetterend, het vuur nu laag en rood, het riet bijna op. Toen stak Matthias een hand uit de deken, langzaam, en legde die op die van Ruud. Hij zei niets meer. Hij liet hem alleen liggen, een paar tellen, voordat Ruud zich omdraaide en zich met een zware zwaai de boot in trok.
Kees zat op de voorplecht en keek naar de keet.
„Je hebt hem in de fik gestoken,” zei hij.
„Ik moest wel.”
„Dat weet ik.” Kees bleef kijken naar de laatste vlammen, die nu sissend uitgingen in de regen. „Je vader zou het ook hebben gedaan. Die zou het eerder hebben gedaan. Die zou niet eerst hebben gewacht tot hij een motor hoorde.” Hij draaide zich om naar Joris en er was iets in zijn gezicht wat Joris nooit eerder had gezien. „Ga zitten, jongen. Je bent blauw.”
Ze voeren terug door het Wimsgat, met Kees op de voorplecht die de stronken aanwees in een geul die op geen enkele kaart stond. Op het brede water wachtte de waterpolitieboot, met de trillende schroef, en met een ambulancebroeder aan boord die Matthias een infuus gaf terwijl ze over de Amer naar Drimmelen voeren. Op de kade bij de werkschuur stonden zwaailichten, blauw in de regen, en een ambulance met openstaande deuren.
En Ute.
Ze rende niet. Ze liep naar de brancard, heel recht, met haar rode sjaal nat tegen haar hals, en ze boog zich over haar man heen en zei iets in zijn oor wat niemand anders kon horen. Matthias huilde. Ute niet. Ze hield zijn hand vast tot de deuren van de ambulance dichtgingen, en toen stapte ze in aan de voorkant, naast de chauffeur, en reden ze weg naar Dordrecht.
Joris zat op de betonnen helling van de werkschuur, met een deken om zijn schouders en een beker thee die Henk Pals in zijn handen had gedrukt, en hij keek de lichten na tot ze achter de dijk verdwenen.
Anouk kwam naast hem zitten. Ze had de helm afgezet. Haar haar zat plat tegen haar hoofd en ze rilde.
„Bart,” zei ze.
Hij keek haar aan.
„Hij is naar huis gegaan. Vanmiddag, met de boot. Hij heeft hem bij de haven van Polderveer gelegd, alsof er niets was gebeurd, en hij is naar de boerderij gelopen.” Ze trok de deken die iemand haar had gegeven strakker om zich heen. „Zijn vader zat op hem te wachten. In de keuken. Met de deur op slot en de sleutel in zijn zak. Hij heeft om half zes zelf 112 gebeld. Toen de collega's kwamen, zaten ze tegenover elkaar aan tafel, zonder iets te zeggen. Bart heeft zich laten meenemen zonder één woord.”
„Gerrit,” zei Joris.
„Hij zei tegen de collega's: Deze keer laat ik niet los.” Anouk keek naar het water. „Ik weet niet wat hij daarmee bedoelde.”
„Ik wel,” zei Joris. Hij legde het niet uit. Ze vroeg er niet naar.
Op zondagochtend om tien uur ging zijn telefoon. Een nieuwe telefoon, een oud reservetoestel van Staatsbosbeheer dat Sandra hem 's nachts nog had gebracht. Hij lag in bed. Hij had twaalf uur geslapen en zijn hele lichaam deed pijn.
„Pap?” zei Femke. „Wat is dit voor nummer? En waarom staat de Biesbosch in het nieuws? En waarom sta jij erin?”
Hij lachte. Het deed pijn aan zijn ribben, en hij lachte toch.
Een week later, op een zondag, scheen de zon.
Het was zo'n novemberdag die in het rivierengebied een paar keer per jaar voorkomt, als na dagen van storm en regen de lucht ineens leeg en blauw is en de kou helder. De mist hing nog in de laagten, 's ochtends vroeg, maar tegen tienen trok hij op, in slierten die van het water omhoog dreven en verdwenen. De Biesbosch lag erbij als na een grote schoonmaak. Overal lagen takken. In de wilgen hingen nieuwe baarden van aangespoeld riet, op een hoogte waar Joris ze nog nooit had gezien.
Hij had Matthias de dag ervoor bezocht in het Albert Schweitzer in Dordrecht. De enkel was op twee plekken gebroken en er zat nu een plaat in met zes schroeven. Hij had longontsteking gehad en die was over. Hij had vijf kilo verloren en die zou hij terugkrijgen, zei Ute, als zij er iets over te zeggen had. Ze had een doos Westfaalse koekjes meegenomen en die stond open op het nachtkastje.
Matthias had zijn notitieboekje laten zien. Het kleine zwarte boekje met het elastiekje, dat de hele tijd in zijn linkerbinnenzak had gezeten. De bladzijden waren gegolfd en vlekkerig, de inkt op sommige plekken uitgelopen tot blauwe wolken. Maar het meeste was nog te lezen. Elke dag op het eiland had hij iets opgeschreven. Een winterkoning in het riet voor de deur. Een bever die 's nachts langs de keet zwom. De grijze boot, twee keer, dinsdag, met de tijden erbij. Op zaterdag had hij geschreven, in een handschrift dat nauwelijks nog een handschrift was: 14.11. Hochwasser. 1 Förster (Joris). Sehr selten.
Joris had het gelezen, en had het boekje teruggegeven, en had een tijdje uit het raam gekeken.
Kees en Gerrit zaten op de bank op de dijk bij de kerk toen Joris die zondagochtend door Polderveer reed. Hij zag ze van ver. Twee oude mannen in donkere jassen, met hun petten op, met een halve meter tussen hen in. Ze praatten niet. Ze keken naar het water van de Zuiderwaard, waar de ganzen in grote zwermen op de natte weilanden zaten, en waar het water in de greppels nog hoog stond na de storm.
Hij stopte niet. Hij wist niet wat ze tegen elkaar hadden gezegd, of hoe lang het had geduurd voordat ze het zeiden, of dat ze het misschien helemaal niet hadden gezegd en daar alleen maar zaten. Hij dacht aan Gerrit in de keuken, met de sleutel in zijn zak. Aan Kees op de voorplecht van de vlet. Aan Wim, die nooit ouder was geworden dan negentien.
Lotte stond achter de toonbank van de bakker in Werkendam toen hij zijn brood kwam halen. Daan zat aan een tafeltje bij het raam met een kop koffie. Ze keken elkaar aan toen Joris binnenkwam, en Lotte glimlachte, voor het eerst sinds hij haar kende, en gaf hem een krentenbol extra. Ruud zou terecht moeten staan, zei ze. Voor de paling, en voor het weglopen. Het zou niet licht zijn. Maar hij at weer.
Er kwam een tweede informatieavond, in januari. Marieke Dekkers had Joris gebeld om te zeggen dat het plan doorging, maar anders. De griend van de Van Wijken zou het hart worden van het nieuwe gebied, zoals ze had gezegd, maar Kees had laten weten dat hij erover wilde meepraten. En de grond van de Hoogendoorns lag stil, tot de rechter er iets over had gezegd. Het optiecontract dat Bart had getekend, zonder zijn vader, met een handtekening die niet de zijne was op de plek waar die van Gerrit had moeten staan, was het eerste wat de recherche had gevonden in zijn bureaula.
Anouk stond om elf uur bij de werkschuur in Drimmelen. Ze had twee thermosbekers bij zich, haar eigen met het verbleekte logo van de voetbalclub, en een nieuwe, groen, met het logo van Staatsbosbeheer.
„Voor jou,” zei ze. „Die van jullie automaat geeft alleen heet water. Dat had je me nooit verteld.”
„Je hebt het nooit gevraagd.”
Ze gingen op de betonnen helling zitten, waar ze die vrijdag ook hadden gezeten. De Amer lag glad en blauw in de zon. Een groep kuifeenden dreef voorbij, de mannetjes zwart en wit, de kuiven nat tegen hun achterhoofd.
„Bart blijft vast,” zei Anouk. „Poging tot doodslag. Het achterlaten van iemand die hulp nodig had. Twee keer, als je het eiland meetelt. Hij zegt nog steeds dat hij niemand heeft aangeraakt. Hij gelooft het zelf, denk ik. Dat het water de schuld heeft.”
„Het water heeft nergens schuld aan,” zei Joris. „Het water gaat waar het heen moet.”
Ze keek opzij. „Is dat ook iets wat je gewoon weet?”
„Dat wist mijn vader.”
Ze dronken hun thee. Thijs had een spreekbeurt over bevers, vertelde ze. Hij wilde weten of hij een keer mee mocht met de boot. Joris zei dat dat kon, in het voorjaar, als de wilgen uitliepen en de jongen van de zeearenden in het nest zaten. Hij zei dat hij een plek wist.
Boven de Hardenhoek kwam een grote vogel uit het restje mist omhoog. Brede, rechte vleugels, de uiteinden gespreid als vingers. Een witte staart die oplichtte toen hij keerde in de zon.
Anouk zag hem eerst.
„Is dat er een?” vroeg ze. „Een van die oude mannen?”
Joris keek omhoog. De zeearend cirkelde, één keer, twee keer, boven het water waar Matthias Krüger twaalf jaar lang naar hem was komen kijken. Toen gleed hij weg naar het oosten, laag over de wilgen, naar de Ruigekreek, en verdween.
„Ja,” zei Joris. „Dat is er een.”
Hij bleef kijken, ook toen er niets meer te zien was dan blauw en de laatste sliert mist die van het water omhoog dreef.