Hoofdstuk 8: De koelcel
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Anouk nam op voordat de telefoon één keer was overgegaan.
Hij vertelde het haar in de auto, met het boterhamzakje op de passagiersstoel naast zich en de ruitenwissers op de hoogste stand. Ze onderbrak hem twee keer, met korte vragen: hoe laat, wie had het aangeraakt, waar was het meisje nu. Toen was ze stil. Hij hoorde haar ademen, en daarna het geluid van sleutels en een deur.
„Breng het naar Werkendam,” zei ze. „De parkeerplaats bij de sporthal. Over een uur. Ik regel de rest.”
„De rest?”
„Een officier die wakker wordt, een huiszoekingsbevel, vier collega's en een hondengeleider.” Ze zweeg even. „En Joris. Je hebt het goed gedaan. Dat je me belde.”
Hij wist niet wat hij daarop moest zeggen, dus hij zei niets.
Het erf van de Hoogendoorns lag aan het eind van een lange kaarsrechte weg door de Zuiderwaard, tussen weilanden die in het donker niet bestonden. Een boerderij met een rieten kap en een voorhuis met groene luiken, en daarachter de stallen van golfplaat, een sleufsilo onder zwart plastic en autobanden, een mestkelder, een rij landbouwmachines onder een afdak. In de stal brandde een nachtlampje en hoorde je de koeien, het zware schuiven van lijven en het gekletter van een kettinghalsband.
Het was kwart over elf toen ze aankwamen, met drie auto's en zonder sirenes. De grijze Toyota stond op het erf, met de motorkap koud. Het licht in het voorhuis ging aan nog voordat Anouk had aangebeld.
Gerrit Hoogendoorn deed open in een lange jas over een pyjama, met blote voeten in klompen. Hij keek naar Anouk, naar de agenten achter haar, naar Joris, die bij de auto bleef staan. Zijn gezicht verraadde niets.
„Hij is er niet,” zei hij.
„Wie niet, meneer Hoogendoorn?”
„U komt voor Bart.” Hij deed een stap opzij. „Komt u maar binnen. Doe uw schoenen niet uit, het maakt niet uit. De vloer is toch vies.”
Ze vonden de koelcel binnen tien minuten. Hij stond achter de werktuigenschuur, een witte container van een meter of zes, half weggestopt achter een stapel pallets, met een aggregaat dat zacht bromde. Er zat een hangslot op. Een van de agenten knipte het door.
Binnen was het vier graden en het rook naar rivier. Langs de wanden stonden blauwe kunststof bakken, dezelfde als in de schuur van Kees, gestapeld tot schouderhoogte. Er zat water in, en ijs, en paling. Honderden. Ze krioelden traag over elkaar heen in het licht van de zaklampen, een glanzende, kronkelende massa die bij elke beweging in de bakken weer tot rust kwam. Op de grond lag een weegschaal, een rol vuilniszakken, een kladblok met kolommen cijfers. Data, kilo's, bedragen.
Anouk stond er lang naar te kijken. Toen draaide ze zich om naar Joris, die in de deuropening stond.
„Hoeveel is dit waard?”
„Geen idee. Veel.” Hij keek naar de bakken. „Schieraal. Die wilden naar zee. Ze zijn gevangen op hun weg naar de Sargassozee, en ze gaan nu naar een restaurant ergens, of naar een rokerij in België, en niemand vraagt waar ze vandaan komen.”
Een van de agenten fotografeerde het kladblok, bladzijde voor bladzijde. Joris liep naar buiten. De kou was een opluchting na de lucht in de cel.
Bij de deur van de werktuigenschuur stond de allesbrander, een gietijzeren ketel op pootjes met een zwarte pijp die door het dak ging. Het deurtje stond open. Er lag nog as in. Een technisch rechercheur zat ervoor op zijn knieën met een pincet en een zaklamp, en legde dingen in zakjes: een stuk gesmolten plastic, een metalen oogje, iets dat eruitzag als het restant van een SD-kaartje.
„Dat is een geheugenkaart,” zei de man, zonder op te kijken. „Was. Ik weet niet of daar nog iets van te redden valt.”
Daan Hoogendoorn kwam om middernacht, met Lotte. Een lange, magere jongen van eenentwintig met dezelfde krullen als zijn opa op de oude foto. Hij praatte met Anouk in de keuken, met de deur dicht. Lotte zat op de bank in de voorkamer en hield haar telefoon vast, en Joris zat naast haar en zei niets, omdat er niets te zeggen was.
Gerrit zat aan de andere kant van de kamer, in een leunstoel bij de kachel. Hij had nog steeds zijn klompen aan. Hij keek naar het vuur.
„Haal jij eens koffie, meisje,” zei hij na een tijd tegen Lotte. „In de keuken. Het staat klaar.”
Lotte keek naar Joris. Hij knikte. Ze ging.
Toen ze weg was, bleef het een poos stil. De kachel tikte. Ergens boven liep een agent door een kamer, en de balken kraakten.
„Je bent de zoon van Arie,” zei Gerrit.
„Ja.”
„Arie was een goeie vent. Hij was de enige die nog met me praatte, na '79.” Gerrit wreef in zijn handen. „Iedereen in dit dorp denkt dat ze het verhaal kennen. Dat ik in de storm wilde varen om geld. Dat ik Wim heb meegenomen terwijl ik wist dat het te gevaarlijk was. Dat klopt allemaal.”
Joris wachtte.
„Wat ze niet weten,” zei Gerrit, „is dat ik hem vast had.”
Hij keek op, voor het eerst. Zijn ogen waren lichtblauw, waterig van de ouderdom.
„Toen de schuit omging, lagen we allebei in het water. Het was donker. Het hout dreef overal om ons heen, grote bossen griend, met touw erom. Ik had een bos te pakken en ik had Wim te pakken, aan zijn kraag. Hij kon niet goed zwemmen. Hij schreeuwde. Ik hield hem vast en ik hield het hout vast, en het water trok aan ons allebei.” Hij zweeg. Zijn kaak bewoog. „En op een gegeven moment moest ik kiezen. Wim of het hout. Ik kon ze niet allebei houden.”
„Je koos het hout,” zei Joris zacht.
„Ik koos mezelf.” Gerrit keek weer naar de kachel. „Het hout was het enige dat bleef drijven. Als ik dat had losgelaten, waren we allebei verdronken. Dat zeg ik tegen mezelf. Al zevenenveertig jaar zeg ik dat tegen mezelf. Soms geloof ik het.”
„Weet Kees dat?”
„Ik heb het nooit tegen iemand gezegd. Ook niet tegen de politie, toen. Ik zei dat ik hem kwijtraakte in het donker. Dat was ook waar. Daarna.” Hij haalde een zakdoek uit de zak van zijn jas en snoot zijn neus, lang en grondig. „En nu heeft mijn zoon, die alles weet van rente en hypotheken en subsidies, en niks van het water, een man in de rivier laten liggen. Net als zijn vader.”
Joris zei niets. In de keuken hoorde hij Lotte kopjes pakken, het geklingel van een lepeltje.
„Wist je het?” vroeg hij toen. „Van de paling?”
„Ik wist dat er iets was.” Gerrit vouwde zijn zakdoek op. „Ik wist dat hij schulden had, sinds de nieuwe stal. Ik wist dat hij 's nachts wegging met de boot. Ik wist dat hij met de provincie praatte over het land, achter mijn rug. Ik dacht: dat is het. Hij verkoopt de grond en hij durft het me niet te zeggen.” Hij lachte, een kort, droog geluid. „Ik dacht dat dat het ergste was wat hij kon doen.”
„En met Ruud?”
Nu keek Gerrit hem scherp aan. „Ruud van Wijk?”
„Ze werkten samen. Ruud vangt, Bart verkoopt.”
De oude man staarde hem aan. Toen begon hij te lachen. Geen vrolijk lachen; het kwam ergens diep vandaan, schokkend, en ging over in iets wat bijna huilen was.
„Mijn zoon,” zei hij, „en de zoon van Kees. In één boot.” Hij schudde zijn hoofd. „Zevenenveertig jaar heeft dat dorp gewacht tot de Van Wijken en de Hoogendoorns iets samen zouden doen. En dan doen ze dit.”
Om half twee stond Joris bij de haven van Polderveer. Anouk had gevraagd of hij wilde kijken, en hij wist al wat hij zou zien voordat hij de dijk afliep.
Vier boten. Het jacht onder het blauwe zeil, de twee sloepen, de platbodem. De ligplaats van de Vrouw Jannigje was leeg. Twee lege lussen touw aan de meerpalen, en het water dat er zwart en stil tussen lag.
Hij belde Anouk.
„Hij is weg,” zei hij. „Met de boot.”
„Wanneer?”
„Weet ik niet. Vanavond. Na het donker.” Hij keek over het water, naar waar de haven uitkwam op de rivier, en verder, naar de Biesbosch, die er in het donker lag als een zwart gat. „Hij kan overal zitten, Anouk. Er zijn honderden kreken. Hij kent ze allemaal.”
„We zetten de waterpolitie in. Morgen, zodra het licht is. Een helikopter, als het weer het toelaat.”
„Het weer laat het niet toe. Morgen komt de storm.”
Ze zweeg. „Ga naar huis, Joris. Slaap een paar uur. Ik heb je morgen nodig.”
Hij liep terug over de dijk naar zijn auto. Het was gaan waaien. Het riet langs de kreek ruiste en boog, en de eerste druppels sloegen schuin tegen zijn gezicht. Hij was bijna bij de kerk toen zijn telefoon ging.
Een nummer dat hij niet kende. Hij nam op.
„Joris.” De stem was kalm. Zakelijk bijna. De stem van een man die in De Waard aan de bar had gestaan met een glas bier en een glimmend horloge. „Met Bart.”
Joris bleef staan.
„Ik weet dat ze bij mijn vader zijn,” zei Bart. „Ik weet dat ze de cel hebben gevonden. Dat geeft niet. Het is paling. Daar krijg je een boete voor, misschien een paar maanden. Dat overleef ik.”
„Waar ben je?”
„Dat doet er niet toe.” Een pauze. „Ik wil je iets zeggen, omdat ik weet dat jij het zult begrijpen, en die rechercheur niet. Je bent van hier. Je weet hoe het water is.”
„Zeg het.”
„Die Duitser is dood, Joris.” Bart zei het zacht, bijna vriendelijk. „Die is maandagnacht verdronken in de Ruigekreek, in negen graden water, met zijn laarzen aan. Hoe eerder iedereen dat accepteert, hoe beter. Voor zijn vrouw. Voor het dorp. Voor jou.”
„Je hebt zijn camera verbrand.”
„Ik heb niemand iets gedaan. Hij viel.” Bart ademde uit. „Laat het rusten.”
En toen hoorde Joris het. Op de achtergrond, achter de stem van Bart, achter het geruis van de wind in de telefoon. Een geluid dat hij in geen veertig jaar had gehoord, maar dat hij herkende zoals je de stem van je moeder herkent. Een droog, hol klapperen. Rietmatten die tegen een houten frame sloegen. De wand van een griendkeet in de wind.
De verbinding werd verbroken.
Joris stond op de dijk, met de telefoon in zijn hand en de regen die nu harder werd, en hij keek naar het zuiden, naar de eilanden die hij niet kon zien, en hij dacht aan wat Kees had gezegd. Daar kom ik niet meer. Het is niet meer mijn keet.