Hoofdstuk 7: Wat het water meeneemt

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Vrijdagochtend kwam de officier van justitie naar Drimmelen. Een lange man met een bril zonder montuur die Van Rossum heette en die in de werkschuur van Staatsbosbeheer stond alsof hij bang was dat er iets op zijn jas zou vallen. Hij sprak met Anouk in het kantoortje, met de deur dicht. Joris zat buiten op de betonnen helling en hoorde alleen stemmen, de hare hoger dan de zijne.

Toen Van Rossum vertrok, gaf hij Joris een knikje. Anouk kwam pas vijf minuten later naar buiten. Ze ging naast hem zitten op het koude beton en keek naar het water.

„Ze schalen af,” zei ze. „De duikers stoppen vanavond. Drie dagen, niks gevonden. Volgens de statistiek van de waterpolitie komt een lichaam in dit water na een week of twee vanzelf boven. Dan vinden we hem wel. Of een visser vindt hem. Of een hondenuitlater.”

„En Ruud?”

„Die blijft tot morgen vast. Daarna moeten we hem laten gaan of de rechter-commissaris overtuigen, en met ‚hij viel' overtuig ik niemand. Hij praat niet meer. Zijn advocaat heeft hem verteld dat hij niets hoeft te zeggen, en dat doet hij heel goed.” Ze trok haar knieën op. „Van Rossum denkt aan een ongeluk. Een man die 's nachts stropers betrapt, ruzie, een duw, hij valt in het water, ze raken in paniek en gaan ervandoor. Dood door schuld. Hooguit.”

„Denk jij dat ook?”

„Ik denk dat er een tweede man was. En dat die tweede man een camera heeft die hij niet hoort te hebben.” Ze keek opzij. „De telefoon van Matthias is nog steeds dicht. Ze zijn ermee bezig in Breda, maar het is een nieuw toestel, met een lange code, en de digitale recherche heeft een stapel zaken die net zo dringend zijn. Ze zeggen: maandag. Misschien.”

„Maandag is hij een week weg.”

„Ik weet het.”

Ze zaten een tijdje zonder te praten. Een aalscholver landde op de meerpaal voor hen, spreidde zijn vleugels om ze te drogen en bleef zo staan, zwart tegen het grijs, als een lap die iemand had opgehangen.

„Je zei laatst iets,” zei Anouk. „Over de oever halen.”

„Dat het kan.”

„Hoe groot is de kans?”

Joris dacht na. „Hij viel om een uur of tien. In de Ruigekreek, bij de oude steiger. Het water liep af. Hij had kleren aan, laarzen, een dikke jas. Dat trekt je naar beneden, maar een jas houdt ook lucht vast, de eerste minuten. Hij was een sterke zwemmer.” Hij zweeg even. „Als hij niet buiten westen was, dan heeft hij geprobeerd de kant te halen. Welke kant, dat hangt af van waar de stroom hem heen duwde.”

„En waar duwde de stroom hem heen?”

Joris stond op.

„Kom mee,” zei hij.


In het kantoortje spreidde hij de grote kaart uit op het bureau van Sandra. Niet de toeristenkaart met fietsroutes, maar een oude stafkaart uit de jaren tachtig, met de griendpercelen er nog op, elk met een nummer en een naam. Hij had hem van zijn vader geërfd, met potloodstrepen erop die zijn vader zelf had gezet.

„Dit is de Ruigekreek,” zei hij. Hij volgde met zijn vinger een smalle, kronkelende lijn. „Hier lag de steiger. Bij eb loopt het water naar het westen, hierheen. Maar vlak na de steiger splitst de kreek. Het grootste deel gaat rechtdoor, naar het Gat van de Zwaluw. Daar ging de Kievit heen. Een klein deel gaat naar het noorden, langs deze twee eilanden.” Hij tikte op twee langgerekte vlekken, gearceerd als wilgenbos. „De Lange Plaat. En de Kleine Zuiderplaat.”

„Dus als hij in het water lag, kan hij die kant op zijn gegaan.”

„Een boot gaat met de hoofdstroom mee, omdat hij groter is en dieper ligt. Een mens die zwemt, die zich ergens aan vastgrijpt, een tak, een stuk riet, die kan in de zijtak terechtkomen.” Hij keek haar aan. „En op die eilanden staan keten.”

„Keten?”

„Griendketen. Hutten. Van de griendwerkers.” Hij legde zijn hand plat op de kaart. „Vroeger bleven die mannen hier de hele week, van maandag tot zaterdag, als ze aan het kappen waren. Ze sliepen in keten van riet en hout, met een kachel erin, een brits, een paar kisten. Mijn vader heeft er nog in geslapen. De meeste zijn weg, ingestort of weggerot. Er zijn er nog een paar. Staatsbosbeheer heeft er twee opgeknapt voor excursies. Maar in deze hoek staan er nog twee die niemand onderhoudt. Een op de Lange Plaat, een op de Kleine Zuiderplaat. Ik ben er in jaren niet geweest.”

„En je denkt …”

„Ik denk niks. Ik zeg dat het kan.”

Anouk keek naar de kaart. Naar de twee eilanden, de dunne blauwe lijn ertussen, het nummer van een perceel dat iemand ooit met de hand had geschreven.

„Waarom hebben de duikers daar niet gezocht?”

„Omdat ze in het water zochten,” zei Joris. „Niet op het land.”

„Kun je erheen?”

Hij keek uit het raam. De mist was teruggekomen in de loop van de ochtend, dikker dan ooit, en hij zag de overkant van de haven niet meer. Op de radio in de werkplaats had hij een weerbericht gehoord: vannacht en morgen een depressie vanuit het zuidwesten, harde wind, regen. De rivieren stonden al hoog na een natte oktober in de Ardennen en het Rijnland. Als de wind doorzette, zouden de spuisluizen in het Haringvliet dichtgaan en zou het water in de Biesbosch nergens meer heen kunnen.

„Vandaag niet,” zei hij. „Niet in deze mist. Je vindt die eilanden alleen als je de oever ziet. Morgenochtend, voor de wind komt.”

„Morgen om zeven uur,” zei Anouk.

„Morgen om zes.”


Hij reed die middag naar Polderveer, met de auto, om de lange weg over Werkendam, omdat hij het water niet vertrouwde. Hij had het Anouk niet verteld. Ze had gezegd dat hij met niemand mocht praten zonder dat zij erbij was, en hij hield zich eraan: hij praatte niet. Hij parkeerde bij de kerk en liep over de dijk naar het huis van Kees.

Kees zat niet in de keuken. Hij zat in de schuur, op dezelfde omgekeerde bierkrat waar Joris hem had zien zitten toen hij tien was. Hij had geen naald in zijn handen. Hij zat alleen maar.

„Ze hebben hem nog,” zei hij, zonder op te kijken.

„Tot morgen.”

„Hij heeft niks gedaan.”

„Dat zegt Lotte ook.”

Kees keek op. Zijn ogen waren rood. „Lotte zegt veel.”

Joris ging op een kist tegenover hem zitten. Tussen hen stonden de blauwe kratten, nog steeds gestapeld. De natte waadlaarzen waren weg.

„Kees,” zei hij. „De keet op de Kleine Zuiderplaat. Staat die nog?”

De oude man keek hem lang aan.

„Van je vader en mij,” zei hij. „Daar hebben we in de winter van '76 met z'n vieren gezeten toen de kreek dichtvroor. Twee weken. Je vader had een fles jenever meegenomen en een doos beschuit, en meer hadden we niet nodig.” Hij wreef met zijn duim over zijn knie. „Hij staat er nog. Half. Het dak is slecht. Maar de kachel doet het nog, als je er iets in stopt dat brandt.”

„En die op de Lange Plaat?”

Kees' gezicht veranderde. Het was een kleine verandering. Een samentrekken om de mond, zoals iemand die op iets hards bijt.

„Daar kom ik niet meer,” zei hij.

„Waarom niet?”

„Omdat het niet meer mijn keet is.” Kees stond op, met moeite, zijn hand op Joris' schouder om zich af te zetten. „Ga maar naar huis, jongen. Je weet genoeg.”


Om acht uur die avond, toen hij in zijn keuken in Drimmelen een blik soep stond op te warmen, ging zijn telefoon. Een onbekend nummer.

„Met Lotte.” Ze fluisterde. Op de achtergrond hoorde hij wind, en het tikken van een richtingaanwijzer. „Ik moet u iets geven. Nu. Ik sta bij de jachthaven in Drimmelen.”

Van Polderveer naar Drimmelen was het over de weg bijna drie kwartier, om de hele Biesbosch heen, over de brug bij Keizersveer. In deze mist nog langer. Hij zette het gas uit en trok zijn jas aan.

Ze stond onder het afdak van het havenkantoor, natgeregend, naast een oude grijze Opel die hij herkende als die van Kees. Ze gaf hem geen hand. Ze haalde iets uit de binnenzak van haar jas, in een plastic boterhamzakje, en duwde het in zijn hand.

„Van Daan,” zei ze. „Daan Hoogendoorn. Hij heeft het gevonden. In de schuur bij hen. Zijn vader heeft dinsdagochtend vroeg iets verbrand in de allesbrander, achter de koelcel. Daan zag de rook en dacht dat het afval was. Vanmiddag moest hij de as eruit halen en toen zat dit ertussen. Het was niet helemaal verbrand.”

Joris hield het zakje onder de lamp van het afdak.

Het was een stuk van een riem. Zwart, van stevig nylon, aan één kant verschroeid en gesmolten. Aan de andere kant zat een gesp, en op de gesp zat een klein metalen plaatje, het soort dat je bij een graveur laat maken. Er stonden letters op, half zwart van het roet maar nog leesbaar als je het licht erop liet vallen.

M. Krüger – Münster

„Daan weet niet wat hij moet doen,” zei Lotte. Haar tanden klapperden. „Het is zijn vader. Hij durft niet naar de politie. Hij durft niet naar huis. Hij zit nu bij ons, in de schuur van opa. Ik heb gezegd dat ik het aan u zou geven.”

Joris keek naar het plaatje, naar de gegraveerde naam van een man die hij nooit had gesproken.

„Lotte,” zei hij. „Wat bedoelde je vader? Toen hij zei dat hij hem nooit mee had moeten nemen?”

Ze keek naar de grond.

„Ik denk dat hij Bart bedoelde,” zei ze. „Ik denk dat hij en Bart samen gingen. Al een hele tijd. Mijn vader vangt de paling en Bart verkoopt hem. Daan zegt dat er 's nachts een busje komt met een Belgisch kenteken. Daan zegt dat zijn vader schulden heeft, zoveel dat ze de boerderij bijna kwijt waren, vorig jaar.” Ze slikte. „En opa en Gerrit weten van niks. Die zouden elkaar vermoorden. Echt. Als ze wisten dat hun zoons samen …”

Ze maakte de zin niet af.

Joris stopte het zakje in zijn jas, aan de binnenkant, links. Hij voelde het tegen zijn borst, een klein, hard ding.

„Ga naar huis,” zei hij. „Neem Daan mee. Doe de deur op slot. Ik bel de politie.”

„Hij weet het,” zei Lotte.

„Wie?”

„Bart. Hij weet dat Daan het heeft gevonden. Daan heeft de allesbrander niet goed dichtgedaan. Toen hij wegfietste, stond zijn vader in de deur van de schuur. Hij keek naar hem. Hij zei niks.” Ze trok het portier van de Opel open. „Hij zei helemaal niks.”