Hoofdstuk 6: Ute
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Ute Krüger kwam donderdagochtend met de trein van tien over negen in Breda aan, en ze wilde niet naar het politiebureau. Ze wilde naar het water.
Anouk haalde haar op. Joris wachtte bij de steiger van Henk Pals in Drimmelen, waar de Kievit 4 weer lag, losgemaakt uit de wilgen, schoongespoten door de technische recherche en met een geel lint om het stuur. Henk had koffie gezet in zijn werkplaats, op een elektrisch plaatje tussen de blikken antifouling, en hij liep al een half uur heen en weer tussen de koffiepot en de deur.
Ze was kleiner dan Joris had gedacht. Een vrouw van een jaar of zestig in een groene parka en wandelschoenen, met het korte grijze haar van de foto op de telefoon en een rode sjaal, misschien wel dezelfde. Ze stapte uit de Skoda, keek om zich heen, naar de jachthaven, de rij masten, het brede grijze water van de Amer dat in de verte overging in lucht. Toen liep ze recht op Henk af en sloeg haar armen om hem heen.
„Henk,” zei ze. „Ach, Henk.”
Henk stond stijf als een paal en klopte haar onhandig op haar rug. Joris zag dat zijn ogen nat waren.
Ze dronken koffie in de werkplaats, op omgekeerde emmers en een krukje. Ute sprak Duits met een beetje Nederlands ertussen, woorden die ze in twaalf jaar had opgepikt: steiger, kreek, gezellig. Anouk sprak beter Duits dan Joris. Ze had een jaar in Aken gewoond, zei ze, als au pair, toen ze negentien was. Ze vertaalde wat Joris niet begreep, zonder dat het opviel.
„Hij is geen man die verdwaalt,” zei Ute. „Hij heeft vierendertig jaar biologie gegeven aan pubers. Hij weet hoe hij moet blijven waar hij is.” Ze draaide de beker rond in haar handen. „En hij is sterk. Hij heeft geroeid tot zijn vijftigste. Hij zwemt elke ochtend in het openluchtbad, van mei tot september. Elke ochtend, ook als het regent.”
„Het water is nu negen graden,” zei Joris zacht.
Ute keek hem aan. „Dat weet ik.”
Ze vertelde over het notitieboekje. Een klein zwart boekje met een elastiekje, waar Matthias elk jaar een nieuwe van kocht in dezelfde papierwinkel in Münster. Hij schreef alles op: soort, aantal, tijd, plek, weer. Hij zat 's avonds in de B&B zijn aantekeningen uit te werken op zijn laptop, en die stuurde hij dan naar een waarnemingensite, en naar vrienden in Duitsland die het allemaal in tabellen zetten.
„Hij droeg het in zijn binnenzak,” zei ze. „Altijd. Links. Bij zijn hart, zei hij altijd, als grap.”
„En de camera?” vroeg Anouk.
„Een Nikon. Met een lange lens. Hij had hem aan een riem over zijn schouder. Hij was er heel trots op; hij had hem gekocht van zijn pensioengeld.” Ute haalde haar eigen telefoon uit haar jas en scrolde. „Kijk. Hij stuurt me elke avond foto's. De camera zet ze vanzelf op zijn telefoon, en dan stuurt hij me de mooiste.”
Ze liet ze zien. Een zeearend op een dode boom, scherp tot in de veren. Een groep smienten in het tegenlicht. Een bever, alleen de kop boven water, met een tak in zijn bek. En de laatste, van maandagmiddag, kwart over vier: de Ruigekreek, de rotte palen van de oude steiger, in het lage licht.
„Vanzelf?” vroeg Anouk. „De camera zet de foto's vanzelf op zijn telefoon?”
„Ja. Met … wie heißt das … Bluetooth. Elke foto die hij maakt, een kleine versie. Hij vond dat heel praktisch.”
Anouk keek Joris aan. Ze zei niets. Ze stond op, liep naar buiten, en door het raam van de werkplaats zag Joris haar bellen, met één hand tegen haar oor tegen de wind.
Later voeren ze met Ute naar het Gat van de Zwaluw. Ze had erom gevraagd, en Anouk had gezegd dat het niet nodig was en dat het niet goed voor haar zou zijn, en Ute had gezegd dat ze zelf wel wist wat goed voor haar was. Joris voer. Het was een rustige dag, windstil, grijs. Op het water van de Amer lagen eenden in lange rijen, kuifeenden en tafeleenden, die zich niet stoorden aan de boot.
In de kreek zette hij de motor uit en liet de boot drijven. Ute keek naar de wilgen, naar de plek waar de Kievit had gelegen, naar het water. Ze huilde niet. Ze zat heel rechtop op de bank, met haar handen in haar schoot, en ze keek.
„Hier was hij niet,” zei ze toen.
„Hoe weet u dat?”
„Hier is niets te zien. Hier zit hij nooit.” Ze wees om zich heen. „Te veel bomen. Je ziet geen lucht. Hij wil altijd lucht zien, voor de roofvogels.” Ze keek Joris aan. „Waar is hij in het water gegaan?”
Joris aarzelde. Anouk, voorin, knikte nauwelijks merkbaar.
„Waarschijnlijk in de Ruigekreek,” zei hij. „Twee kilometer die kant op. Bij laagwater lag die maandagnacht deels droog. Er zijn plekken waar je kunt staan. Er zijn plekken waar je de oever kunt halen.”
„En dan?”
„Dan zit je in het wilgenbos. In het donker, in november, nat.” Hij koos zijn woorden. „Dat overleeft bijna niemand lang. Maar het kan.”
„Bijna niemand,” herhaalde Ute.
„Ja.”
Ze knikte langzaam. „Dan zoeken we verder,” zei ze, en het was geen vraag.
Op de terugweg, op het open water, wees ze ineens omhoog. Hoog boven de Amer cirkelde een grote, donkere vogel met brede, rechte vleugels die aan de uiteinden uitwaaierden als vingers. Een witte staart, kort en wigvormig, die oplichtte toen hij keerde.
„Seeadler,” zei ze.
„Zeearend,” zei Joris. „Een volwassen. Dat zie je aan de staart.”
„Matthias noemt ze de oude mannen van de Biesbosch.” Ze volgde de vogel met haar ogen tot hij achter de bomen van de Hardenhoek verdween. „De eerste keer dat we hier waren, zaten we een hele dag in de regen op een plek waar er een zou moeten zitten. Ik had het koud, ik had honger, ik wilde naar het hotel. Om vier uur kwam hij. Hij ging op een tak zitten, twintig meter van ons, en hij keek ons aan. Matthias heeft niet eens een foto gemaakt. Hij zat daar maar en hij huilde.” Ze glimlachte, voor het eerst. „Hij is een sentimentele man. Dat weten zijn leerlingen niet. Die denken dat hij streng is.”
Anouk draaide zich om naar het water, en Joris zag dat ze haar kaken op elkaar zette.
Ruud van Wijk werd om drie uur 's middags opgehaald, thuis, in de keuken, waar hij met zijn vader zat te eten. Twee agenten in uniform en Anouk in haar lange jas. Joris was er niet bij; Anouk had het zo gewild. Hij hoorde het van Henk, die het weer van zijn zus had gehoord, die het van de buurvrouw had gehoord die het had zien gebeuren vanaf de dijk.
„Zonder handboeien,” zei Henk. „Hij liep zelf naar de auto. Kees stond in de deur.”
Joris zat in zijn werkschuur en deed niets. Hij had zijn laptop open en zocht in zijn mail. Hij vond het na tien minuten: een bericht van 14 september, doorgestuurd door het secretariaat van de provincie, met als onderwerp Observations Ruigekreek – illegal fishing? Het was lang. Het was netjes. Het had een bijlage met een kaartje en drie data waarop Matthias Krüger 's avonds boten had gezien zonder navigatieverlichting, met daarbij de tijden en de richting waarin ze voeren. I have also observed a grey aluminium boat with a small cabin, twice, stond er. I do not know whether this is relevant.
Joris had het bericht geopend. Dat zag hij aan het icoontje. Op 16 september. Hij herinnerde zich er niets van.
Hij las het nog een keer. A grey aluminium boat with a small cabin. Hij dacht aan de haven van Polderveer. Vijf boten. Het jacht onder het blauwe zeil, de twee sloepen, de platbodem. En de Vrouw Jannigje.
Hij stuurde de mail door naar Anouk, zonder tekst erbij. Daarna klapte hij de laptop dicht en bleef zitten met zijn handen op het deksel.
Anouk belde om half zeven. Ze klonk moe.
„Hij heeft een advocaat,” zei ze. „Een jongen uit Gorinchem, die zijn eerste moord nog moet meemaken en dat ook niet van plan is. Hij zegt geen woord over fuiken, geen woord over paling. Hij zegt dat hij maandagavond in de wei van Van Dongen was om palen recht te zetten. In het donker. In de mist.”
„Dat gelooft niemand.”
„Nee.” Ze zweeg even. „Ik heb je mail gekregen.”
„Ik had hem gelezen,” zei Joris. „In september. Ik heb er niets mee gedaan.”
Het bleef een poos stil aan de lijn. Hij hoorde op de achtergrond iemand lachen, een deur die dichtging, een koffieapparaat.
„Ik weet het,” zei ze ten slotte. „Ik zag dat je hem had geopend. Dat staat in de doorgestuurde kop.” Ze zei het zonder verwijt, en dat maakte het erger. „Joris, iedereen heeft weleens een mail niet goed gelezen. Ga daar vannacht niet over liggen piekeren. Ik heb je morgen nodig met een helder hoofd.”
„Wat heeft Ruud nog meer gezegd?”
„Dat is het rare.” Hij hoorde papier ritselen. „Aan het eind. De advocaat was al aan het opstaan. Ik vroeg hem nog één keer of hij Matthias Krüger kende, of hij hem ooit had gezien. En hij keek me aan, en hij zei: Ik heb hem niet aangeraakt.”
Joris wachtte.
„Ik zei: Wie niet? En hij zei: Die Duitser. Ik heb hem niet aangeraakt.” Ze haalde adem. „En toen zei hij: Hij viel.”
„Hij viel,” herhaalde Joris.
„Daarna heeft de advocaat hem de kamer uit gekregen. Hij heeft niets meer gezegd. Maar hij heeft het gezegd, Joris. Op de band.” Haar stem werd zachter. „Hij was erbij. Hij heeft hem zien vallen.”
Buiten op het water van de Amer gleed een vrachtschip voorbij, zwaar beladen, met alleen een groen en een wit licht in de schemering. Joris keek ernaar tot het in de verte verdween.
„En wie stond er nog meer bij?” vroeg hij.
„Dat,” zei Anouk, „is precies wat hij niet wil zeggen.”