Hoofdstuk 3: Polderveer
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Het haventje van Polderveer was niet meer dan een rechthoek water achter de dijk, met een betonnen kade, een paar meerpalen en een lantaarn die al sinds de zomer flikkerde. Er lagen vijf boten. Een plezierjacht onder een blauw zeil, twee sloepen, een oude platbodem waar iemand ooit een stuurhuis op had gelast, en een grijze aluminium werkboot met een kleine kajuit en op de spiegel de naam Vrouw Jannigje. Joris legde de Lepelaar aan het eind van de kade en bleef even zitten met de motor uit.
Het dorp rook naar wat het altijd had geroken in november. Natte klei, rook van houtkachels, de zoetige lucht van suikerbieten die op een wagen bij de weegbrug lagen te wachten. Boven de dijk zag hij het silhouet van de kerktoren, stomp en vierkant, en de verlichte ramen van dorpshuis De Waard, waar iemand bezig was stoelen neer te zetten. Op een spandoek aan het hek stond in grote letters: INFORMATIEAVOND ONTPOLDERING ZUIDERWAARD – WOENSDAG 20.00 UUR. Iemand had er met een spuitbus onder gezet: NIET MET ONS.
Hij klom het trapje op naar de dijk en liep over de kruin naar het laatste huis voor de bocht. Een dijkwoning, laag en breed, met de voorkant aan de weg en de achterkant tegen het talud, zodat je vanuit de keuken over het riet tot aan de eerste kreek kon kijken. Achter het huis stond een schuur met een golfplaten dak. Er brandde licht.
Hij klopte niet op de voordeur. Niemand in Polderveer gebruikte de voordeur.
Kees van Wijk zat aan de keukentafel met een bord stamppot boerenkool en een rookworst die hij met zijn zakmes in plakken sneed. Hij was vierenzeventig en hij zag er niet anders uit dan toen hij zestig was, of vijftig: een smal hoofd met wit stoppelhaar, ogen die bijna verdwenen in rimpels, handen als takken van een knotwilg. Hij keek op toen Joris binnenkwam en wees met zijn mes naar de stoel tegenover hem.
„Verhagen,” zei hij. „Er is nog.”
„Ik heb gegeten.”
„Lieg niet tegen me in mijn eigen keuken.”
Joris ging zitten. Kees stond op, schepte een tweede bord vol uit de pan op het fornuis en zette het voor hem neer. Mosterd erbij, een plak rookworst bovenop. Het was zo lang geleden dat iemand eten voor hem had neergezet zonder dat hij erom had gevraagd, dat hij het een ogenblik alleen maar aankeek.
„Ik heb gehoord van die Duitser,” zei Kees. Hij was weer gaan zitten. „Iedereen heeft het gehoord. Henk Pals heeft zijn zus gebeld en zijn zus heeft het tegen de halve Coop verteld.”
„Ze hebben hem nog niet gevonden.”
„In deze mist vind je niks.” Kees at een tijdje. „En als het water hem heeft, geeft het water hem terug wanneer het zelf wil. Dat weet jij ook.”
Joris prikte in zijn stamppot. In de vensterbank stond een radio die zacht op Omroep Brabant stond, een verslaggever die het over files bij Breda had. Aan de muur hing een ingelijste foto die hij kende: een platte schuit vol griendhout, hoog opgetast, en daarvoor drie jongens met ontbloot bovenlijf en petten op, lachend in de zon. Kees in het midden. Zijn broer Wim links. Rechts een jongen met donker krulhaar die Joris pas na jaren had herkend als Gerrit Hoogendoorn.
„Ik heb vandaag een fuik gevonden,” zei hij. „Een stuk ervan. In de schroef van zijn boot.”
Kees kauwde. Slikte. Legde zijn mes neer.
„Zo,” zei hij.
„Met paling erin. Levend.”
„Dan heeft iemand pech gehad.”
„Kees.”
De oude man keek hem aan. Even was het stil in de keuken, op de radio na, die nu een reclame voor een tuincentrum in Oosterhout speelde.
„Ik vis niet meer, jongen,” zei Kees. „Al vijftien jaar niet. Ze hebben me betaald om op te houden en ik ben opgehouden. Mijn fuiken hangen in de schuur. Ga maar kijken. Tel ze maar.”
„Ik heb het net gezien. De knopen.”
„Iedereen in dit dorp heeft knopen leren leggen van iemand.” Kees pakte zijn mes weer op. „De helft van mij. De andere helft van mijn vader. Dat zegt niks.”
„Waar is Ruud?”
Het mes bleef in de lucht hangen. Toen legde Kees het neer, heel precies, parallel aan de rand van het bord.
„Die komt zo,” zei hij. „Die is bij de schuur.”
Hij hoefde niet naar de schuur. Ruud kwam binnen terwijl Joris nog zat, met de koude lucht mee en een geur van diesel en natte kleren. Hij was zevenenveertig, een kop groter dan zijn vader en twee keer zo breed, met een rode baard waar het grijs in kwam en een fleecetrui met het logo van een loonbedrijf. Hij bleef in de deuropening staan toen hij Joris zag.
„Wat moet die hier?”
„Eten,” zei Kees.
Ruud trok zijn laarzen uit op de mat, zonder zijn ogen van Joris af te halen. Hij liep naar het aanrecht, draaide de kraan open en hield zijn handen onder het water. Joris zag het pas toen hij ze afdroogde aan een theedoek: twee lange schrammen over de rug van zijn rechterhand, van de knokkels tot aan zijn pols, rood en vers, met korstjes die net waren gaan zitten. Op de linkerhand een snee in de muis van zijn duim.
„Wat heb je gedaan?” vroeg Joris.
Ruud keek naar zijn handen alsof ze van iemand anders waren. „Prikkeldraad. Achter bij de wei van Van Dongen. Die palen staan scheef sinds de storm van vorig jaar.”
„Gisteren?”
„Wat gaat jou dat aan?”
„Er wordt een man vermist.”
„Dat heb ik gehoord.” Ruud gooide de theedoek op het aanrecht. „En dan kom jij hier. Natuurlijk kom jij hier. Waar zou je anders heen gaan? Er gebeurt iets in de Biesbosch en de eerste deur waar Staatsbosbeheer aanklopt, is de deur van de Van Wijken.”
„Ik klop bij niemand aan. Ik zit te eten.”
„Bij mijn vader. Met je groene jas.”
„Ruud,” zei Kees.
Ruud ging niet zitten. Hij pakte een blikje bier uit de koelkast, trok het open en dronk staand, met zijn rug tegen het aanrecht.
„Weet je wat ze woensdag gaan vertellen in De Waard?” vroeg hij. „Dat ze de Zuiderwaard gaan onderzetten. De dijk erachter weg, de kreek erdoor, en dan laten ze het water erover. Natuur. Voor de vogels en de bevers en de Duitsers met hun verrekijkers. Weet je wat er achter de Zuiderwaard ligt? De griend van mijn opa. Het land van de Hoogendoorns. En drie huizen, waaronder dat van mijn zus.”
„De huizen blijven,” zei Joris. „Er komt een nieuwe kade.”
„Dat zeggen ze.”
„Dat staat in het plan.”
„Jouw plan.”
Joris legde zijn vork neer. „Het is niet mijn plan. Ik ben boswachter. Ik doe wat de provincie en het waterschap afspreken.”
„Precies,” zei Ruud. Hij dronk zijn blikje leeg en kneep het fijn. „Precies.”
Toen Ruud naar boven was gegaan, bleef het lang stil. Kees veegde zijn bord schoon met een stuk brood en zette het in de gootsteen. Hij bleef er met zijn rug naar Joris toe staan.
„Je vader zou niet hebben gevraagd wat je vroeg,” zei hij ten slotte.
„Mijn vader is dood.”
„Daarom zeg ik het.”
Joris stond op en zette zijn eigen bord bij dat van Kees. Hij keek naar de foto aan de muur. De drie jongens. De schuit vol hout. Hij wist het verhaal zoals iedereen in Polderveer het wist, ook al vertelde niemand het hardop. November 1979, een storm die niemand had voorspeld. Gerrit Hoogendoorn had een vracht griendhout naar Werkendam willen brengen omdat de koper anders naar een ander ging. Wim van Wijk, negentien, was meegegaan omdat Gerrit het vroeg. Op het Gat van Van Kampen was de schuit gekapseisd. Gerrit had zich vastgehouden aan het hout. Wim niet.
Sindsdien had Kees van Wijk geen woord meer met Gerrit Hoogendoorn gewisseld. Zevenenveertig jaar. Ze woonden vierhonderd meter van elkaar, ze kochten hun brood bij dezelfde bakker in Werkendam en ze zaten in dezelfde kerk, aan weerszijden van het middenpad.
„Lotte,” zei Kees. „Ze werkt bij de bakker. Ze ziet Gerrits kleinzoon. Dat denken ze dat ik niet weet.” Hij draaide zich om. Zijn gezicht was moe. „Zo gaat dat hier, jongen. Alles wat je niet wilt weten, weet je toch.”
„Wat weet je over gisteravond?”
Kees keek hem lang aan. „Ga naar huis, Joris.”
„Kees, als Ruud ergens bij was …”
„Ga naar huis.”
Bij de achterdeur bleef Joris staan met zijn laars half aan. Op de trap hoorde hij iemand stilstaan. Hij keek omhoog. Halverwege, in het licht dat uit de overloop viel, zat een meisje met lang blond haar in een vlecht en een grote trui tot over haar handen. Lotte. Negentien. De laatste keer dat hij haar had gezien, ging ze op de fiets naar de basisschool. Ze keek hem aan met grote ogen en zei niets. Toen stond ze op en verdween naar boven.
Het was droog buiten, maar het voelde nat. De mist was teruggekomen nu de zon weg was, laag over de polder, en de straatlantaarns op de dijk stonden er als gele bollen in. Joris liep langs de schuur. Door een kier in de deur zag hij licht. Fuiken aan haken tegen de achterwand, opgerold, droog, met stof op de hoepels. Kees had niet gelogen. Die hingen er al jaren.
Maar op de betonvloer stonden laarzen. Waadlaarzen tot aan de borst, nog nat, met modder tot boven de knie. En ernaast, keurig op elkaar gestapeld, een stuk of tien lege kunststof kratten. Blauw. Het soort dat je bij visafslagen ziet.
Hij liep door. Hij nam het trapje af naar de haven, stapte op de Lepelaar en wilde de motor starten, toen hij op de kade een sigaret zag gloeien.
Naast de lantaarn die flikkerde stond een donkerblauwe Skoda. De bestuurdersdeur stond open. Anouk Lambrechts leunde ertegen, in haar lange jas, met haar armen over elkaar. Ze rookte niet zelf; de sigaret was van de agent die achter het stuur zat.
„De waterpolitie houdt boekjes bij,” zei ze. „Processen-verbaal, waarschuwingen, inbeslagnames. De naam Van Wijk staat er vier keer in sinds 2015. Dat had een van de jongens binnen een kwartier opgezocht.”
Joris zei niets.
„Ik vroeg je vanmiddag of je het wist.” Haar stem was kalm, en dat was erger dan als ze had geschreeuwd. „Je zei nee. En toen ben je hiernaartoe gevaren om ze te waarschuwen.”
„Ik heb niemand gewaarschuwd.”
„Wat heb je dan gedaan?”
Hij keek naar het huis op de dijk, waar boven één raam brandde. „Stamppot gegeten,” zei hij.
Anouk lachte niet. Ze gooide het portier dicht, liep naar de rand van de kade en keek op hem neer, op de Lepelaar, op zijn handen aan het roer.
„Morgen om zeven uur,” zei ze. „Niet bij de Spieringsluis. Bij jullie werkschuur in Drimmelen. En dan vertel je me alles, Verhagen. Ook wat je denkt dat je beter voor je kunt houden.”