Hoofdstuk 2: Gesloten tijd
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op het grindpad bij de Spieringsluis stonden twee politieauto's en een donkerblauwe Skoda zonder strepen. Een agent in een fluorescerend jack stond met zijn handen in zijn oksels te stampen. Naast de Skoda stond een vrouw met een telefoon aan haar oor, een lange grijze jas tot over haar knieën en schoenen die niet voor dit terrein gemaakt waren. Ze keek op toen de Lepelaar uit de mist kwam en beëindigde haar gesprek zonder gedag te zeggen.
„Verhagen?” vroeg ze, terwijl hij de boot tegen het steigertje legde.
„Joris.”
„Anouk Lambrechts. Recherche, Breda.” Ze gaf hem geen hand; ze had haar handen al in haar zakken gestoken. Ze was een jaar of veertig, misschien iets jonger, met donker haar dat strak naar achteren zat en een smal gezicht dat rood werd van de kou. „U heeft de boot gevonden.”
„Zeg maar je.”
„Je hebt de boot gevonden.” Ze keek langs hem heen naar het water, waar de mist zo dicht hing dat de overkant van de kreek niet bestond. „En je hebt de telefoon opgenomen.”
„Hij ging over.”
„Dat doen telefoons.” Ze zei het zonder glimlach, maar ook niet onvriendelijk, eerder alsof ze een feit vaststelde dat ze later nog nodig zou hebben. „Wat heb je nog meer aangeraakt?”
Hij vertelde het. De lijn om de kikker. De thermosfles, met zijn mouw. De rugzak, de zijvakken. Het touw om de schroef en het stuk net. Hij vertelde niet over de paling, omdat die niet meer bestond, en omdat hij zich ineens bewust werd van hoe het zou klinken: ik heb een bewijsstuk teruggezet in de rivier.
Ze schreef niets op. Ze luisterde met haar hoofd een beetje schuin, en toen hij klaar was, knikte ze naar de Lepelaar. „Breng me erheen.”
„In die schoenen?”
Ze keek omlaag naar haar laarsjes, zwart leer met een hakje, en toen naar hem. „Heb je een beter idee?”
Hij had een paar oude kaplaarzen achter in de boot liggen, maat vierenveertig, en een reservejas van Staatsbosbeheer die naar diesel en natte hond rook, ook al had hij nooit een hond gehad. Ze trok ze zonder commentaar aan. De agent in het fluorescerende jack bleef achter om de anderen op te vangen.
Op het water zei ze eerst niets. Ze zat op de bank voorin, haar kraag omhoog, en keek naar de oevers die als schimmen voorbijgleden. Joris voer langzaam. In de mist veranderde de Biesbosch in iets anders, iets ouders. De wilgen stonden er met hun voeten in het water, scheefgegroeid, met stammen die zich vertakten in vijf, zes armen tegelijk. Griendhout dat al zestig jaar niet meer was gekapt.
„Waarom groeien ze zo?” vroeg ze ineens.
„Wie?”
„Die bomen. Ze zien eruit als … ik weet niet. Handen.”
„Vroeger werden ze elke paar jaar gekapt, vlak boven de grond. Griend. Het hout ging naar de dijkenbouw, naar de hoepelmakers, naar de manden. Mijn vader deed dat werk nog, de laatste jaren dat het bestond.” Hij stuurde om een stuk drijfhout heen. „Toen het ophield, liet iedereen ze staan. Nu groeit uit elke stronk een heel bos.”
„Je vader was … hoe heet dat?”
„Griendwerker.”
Ze knikte, alsof ze het woord ergens opborg. „Jij komt hier vandaan.”
„Polderveer. Aan de overkant, bij Werkendam.” Hij wees in een richting waar alleen grijs was. „Een half uur met de boot, als je weet waar je moet zijn.”
„En wie weet dat nog meer? Waar je moet zijn?”
Hij gaf niet meteen antwoord. Ze draaide zich naar hem om.
„Iedereen die hier lang woont,” zei hij. „Vissers, recreanten, de mensen van de waterpolitie. En Matthias Krüger, kennelijk.”
Bij de Kievit nam ze de tijd. Ze stapte niet over. Ze stond in de Lepelaar en keek, een volle minuut, misschien twee, naar de boot in de wilgen. Toen pakte ze haar telefoon en begon foto's te maken, systematisch, van voor naar achter. De rugzak. De thermosfles. Het stuk net dat Joris op zijn eigen vlonders had gelegd.
„Dat is een fuik,” zei ze.
„Een stuk ervan.”
„Is dat verboden? Hier vissen?”
„Met een hengel niet, met een vergunning. Met een fuik op paling wel.” Hij legde het uit: het dioxine in de rivierbodem, de rode gebieden, de regeling van 2011, de gesloten tijd in het najaar. Ze luisterde zonder hem te onderbreken. „Er zit hier niks legaals in een fuik,” zei hij tot slot. „Niet in november.”
„Dus wie deze fuik heeft gezet …”
„Is een stroper.”
„En Krüger is ermee in aanraking gekomen.”
„Of zijn boot.”
Ze keek hem aan. „Wat is het verschil?”
„Het touw zit om de schroef,” zei hij. „Als je met een draaiende schroef over een fuiklijn vaart, wikkelt hij zich op, en dan scheurt de fuik los. Dan sleep je hem mee tot je motor vastloopt. Maar dan moet de boot wel gevaren hebben. Met iemand aan het stuur, of met een motor die nog aanstond.”
„En dan?”
„Dan drijft hij. Met de eb. Het water liep gisteravond af vanaf een uur of acht. Hij kan hier vanzelf zijn beland.”
„Vanaf waar?”
Hij keek naar de kaart in de plastic hoes die op de bank van de Kievit lag. Er stonden potloodkruisjes op, een stuk of tien, verspreid over het hele gebied. Bij elk kruisje een klein, priegelig getal. Bij de Ruigekreek, een smal water ten oosten van hier, stonden er twee.
„Dat moet ik uitrekenen,” zei hij.
Tegen tienen kwam de rest. Twee boten van de waterpolitie, grijs met een blauwe streep, die als stomende dieren uit de mist opdoemden. Een rubberboot van de brandweer met duikers in droogpakken die zwijgend op de rand zaten. Een technisch rechercheur in een witte overall, die de Kievit binnen tien minuten had afgezet met een lint dat in de wilgen bleef haken. Een helikopter was aangevraagd en afgewezen: met dit zicht vloog er niets.
Henk Pals kwam ook. Hij voer zelf, in zijn eigen sloep met de buitenboordmotor, en hij zag er ouder uit dan Joris hem ooit had gezien. Zesenzestig was hij, en hij had al veertig jaar boten verhuurd aan Duitsers, Belgen en gezinnen uit Breda die in een fluisterboot dachten dat ze op avontuur gingen. Hij stapte op de waterpolitieboot, gaf Anouk een hand en hield die te lang vast.
„Hij heeft een boekje,” zei hij. „Hij schrijft alles op.”
„Dat zei je al tegen Joris,” zei Anouk. „We hebben geen boekje gevonden.”
„Dan heeft hij het bij zich.” Henk keek naar het water, en daarna snel weer weg. „Dan heeft hij het in zijn jas.”
Anouk vroeg hem naar de afgelopen dagen. Henk vertelde. Matthias was zaterdag aangekomen, zoals altijd met de trein tot Breda en de bus naar Drimmelen, met een grote rugzak en een statief. Hij sliep op de kamer boven de werkplaats, ontbeet om zeven uur, ging om acht uur het water op en kwam terug als het donker werd. Zondag was hij bij de zeearenden geweest, aan de kant van de Noordwaard. Maandag had hij gezegd dat hij 's avonds nog weg wilde.
„'s Avonds?” vroeg Anouk.
„Voor de uilen. En hij had zo'n ding.” Henk maakte een gebaar met twee handen voor zijn gezicht, een kijker die hij niet kon benoemen. „Zo'n warmtebeeldkijker. Daarmee zie je in het donker alles wat warm is. Een ree achter een bosje, een vos in het riet. Hij had me eens laten kijken. Je zag de koeien in de polder liggen als witte vlekken.”
„En dat mocht hij? 's Avonds varen in jouw boot?”
Henk keek naar zijn schoenen. „Hij is twaalf jaar mijn gast. Hij heeft nooit iets kapotgemaakt. Ik zei: tot elf uur, en dan aan mijn steiger, en geen woord tegen anderen, want die willen dan ook.”
„Dus om elf uur lag hij er niet.”
„Ik weet niet of hij er lag. Ik sliep.”
Tegen de middag werd de mist iets dunner. Niet veel; het grijs werd geler, en ergens hoog daarboven hing een zon die je kon zien zonder je ogen dicht te knijpen, een bleke schijf als een munt. De duikers zochten in de kreek, in rechte banen, de lijnen strak naar de rubberboot. Joris voer met een van de waterpolitieboten de oevers af. Ze riepen. Ze keken in de wilgen, tussen de wortels, in de holtes waar bij eb het water uit was gezakt en de modder glom als gesmolten chocolade.
Er was niets. Geen jas, geen schoen, geen boekje.
Anouk had zich op de waterpolitieboot geïnstalleerd in het stuurhuis, met een kop thee en de verwarming op vol. Toen Joris aan het eind van de middag aanlegde, wenkte ze hem binnen.
„Ik heb met zijn vrouw gebeld,” zei ze. „Ute. Ze komt morgen. Ze zegt dat hij nooit zou zwemmen in november. Ze zegt ook dat hij vroeger heeft geroeid, wedstrijden, in Münster. Hij is fit. Hij kent het water.” Ze blies in haar thee. „Ze zegt dat hij het bericht van gisteravond nooit zou sturen als het niets was. Hij is geen man van drama.”
„Nee,” zei Joris.
„Jij kende hem niet?”
„Ik heb hem misschien weleens gezien. Er varen hier veel mensen met een verrekijker.”
Ze knikte en keek hem toen aan op een manier die hem deed denken aan de reigers op de slikken, die doodstil staan tot er iets beweegt.
„Die fuik,” zei ze. „Iemand heeft hem gezet. Iemand komt hem legen. Wie?”
„Dat kan iedereen zijn.”
„Kan het iedereen zijn?”
Hij keek naar het stuk net dat nu in een doorzichtige zak op de kaartentafel lag, met een sticker erop en een nummer. Het oranje markeringstouw. De knopen. Hij had die knopen eerder gezien, ooit, in een schuur aan de dijk van Polderveer, waar een jonge visser op een omgekeerde bierkrat zat te breien met een houten naald en een kluwen garen tussen zijn knieën. Hij was toen tien. Hij had gekeken hoe de handen van Kees van Wijk bewogen, sneller dan zijn ogen konden volgen.
„Ik weet het niet,” zei hij.
Anouk zei niets. Ze dronk haar thee. Buiten werd het donker, zo snel als het in november doet, het grijs dat in een paar minuten overging in zwart. Op het water gingen de zoeklampen aan.
„Morgen om zeven uur,” zei ze. „Hier. En Joris?”
Hij was al half de deur uit.
„Als je iets weet, wil ik het van jou horen. Niet van iemand anders.”
Hij knikte en stapte op de Lepelaar. Hij voer niet naar zijn huis in Drimmelen. Hij draaide het roer naar het noorden, naar de overkant, waar achter de dijk de lichten van Polderveer brandden, en hij wist terwijl hij het deed dat hij het verkeerde deed.