Hoofdstuk 1: Een boot in de wilgen
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De mist lag zo dik op het Gat van de Zwaluw dat Joris Verhagen de punt van zijn eigen boot nauwelijks zag. Hij had de motor teruggezet tot een tikkend stationair en liet de Lepelaar op de stroom mee schuiven, één hand aan het roer, de andere om een beker koffie die al lang lauw was. Het water was zwart en glad. Waar het de oever raakte, hoorde hij het zachte klotsen tegen de wortels van de wilgen, en verder niets.
Dinsdagochtend, tien november. Half acht en nog nauwelijks licht. Hij voer deze ronde al zesentwintig jaar, en op dagen als vandaag voer hij hem op gehoor. Links het gemompel van een groep kolganzen die ergens op de Hardenhoek moest zitten. Rechts, hoog boven de mist, het schelle fluiten van een tureluur die zich vergist had in het seizoen. Hij kende de bochten van de kreek zoals hij de trap in zijn eigen huis kende: in het donker, op de tast, met de zekerheid dat de derde tree kraakte.
Het water stond laag. Ebbe, nog een uur of twee voor het keerde. Sinds de Haringvlietdam in 1970 dichtging, was het getij in de Biesbosch van bijna twee meter teruggezakt naar een paar decimeter, maar wie hier lang genoeg rondvoer, zag het nog steeds: de natte rand op de wilgenstammen, de modderbanken die bij eb als ruggen van vissen boven kwamen, het riet dat met de stroom mee boog en dan weer terug. De kreken ademden nog, alleen ondieper dan vroeger.
Hij zag de boot pas toen hij er bijna tegenaan voer.
Een fluisterboot. Wit polyester, een zonnekap van groen canvas, opgerold en vastgesjord. Hij lag schuin tussen de wilgen aan de binnenbocht, de neus diep in de takken geduwd, de achterkant half op een modderplaat. Op de zijkant stond in blauwe letters Kievit 4, en daaronder kleiner: Pals Bootverhuur Drimmelen.
Joris zette de motor in z'n achteruit en liet de Lepelaar stilvallen. Een huurboot hier, op dit uur, was op zich al vreemd. Huurboten moesten voor zonsondergang terug zijn; dat stond op een gelamineerd kaartje dat Henk Pals aan elk stuur had geplakt. En niemand ging uit vrije wil in deze mist varen met een boot die op een accu liep.
„Hallo?” riep hij. „Staatsbosbeheer. Is daar iemand?”
Zijn stem verdween in het grijs alsof hij in een kussen had geroepen. Er kwam geen antwoord. Ergens plonsde iets, een bever misschien, of een meerkoet die schrok.
Hij manoeuvreerde de Lepelaar langszij, legde een lijn om de kikker van de Kievit en stapte over. De boot deinde onder zijn gewicht en schuurde over de modder. Op de bank achterin stond een rugzak, open. Een thermosfles lag op de vlonders, de dop ernaast. Een opgevouwen kaart van de Biesbosch in een plastic hoes, met potloodkruisjes erop. Op het stuur zat een fietshouder geschroefd waar een telefoon in klemde, aangesloten met een spiraalsnoertje op de accu.
Het scherm lichtte op op het moment dat hij ernaar keek.
Hij schrok er zo van dat hij een stap achteruit deed en bijna over de thermosfles struikelde. De telefoon trilde in de houder, zoemend tegen het plastic. Op het scherm stond een naam: Ute. Daaronder een foto van een vrouw met kort grijs haar en een rode sjaal, lachend op een terras ergens met bergen op de achtergrond.
Hij twijfelde één tel. Toen schoof hij met zijn duim over het glas.
„Ja, hallo?”
Aan de andere kant bleef het even stil. Toen een stem, hoog en snel, Duits. „Matthias? Matthias, endlich! Wo bist du denn? Ich versuche seit gestern Abend …”
„Nee,” zei Joris. „Nee, sorry. Ik ben niet Matthias.” Hij zocht naar zijn schoolduits, dat ergens op de bodem van zijn geheugen lag tussen vervoegingen die hij nooit had beheerst. „Mein Name ist Joris Verhagen. Ich bin … Förster. Boswachter. Im Biesbosch.”
„Wo ist mein Mann?”
Het woord Mann kwam zo scherp door de lijn dat hij de telefoon iets van zijn oor hield.
„Ich weiß es nicht,” zei hij. „Ich habe das Boot gefunden. Leer. Kein Mensch.” Hij keek om zich heen, naar de muur van mist, de wilgen die erin opgingen als potloodstrepen op nat papier. „Wann haben Sie zuletzt mit ihm gesprochen?”
Ze praatte snel, en hij ving de helft. Gisteravond. Een bericht. Ze had teruggebeld, de hele nacht, steeds de voicemail. Ze had de pension gebeld in Drimmelen, maar daar nam niemand op voor zeven uur. Hij was hier elk jaar, twaalf jaar al, hij kende het gebied, hij was voorzichtig, hij was altijd voorzichtig.
„Mevrouw,” zei Joris, en toen, omdat het Nederlands er vanzelf uit kwam: „Frau Krüger. Ik bel nu de politie. Die Polizei. Bleiben Sie bitte erreichbar. Ich rufe zurück.”
Hij hoorde haar ademen. Toen een snik die ze inslikte.
„Er hat geschrieben,” zei ze, langzaam nu, alsof ze wist dat hij het anders niet zou begrijpen. „Er hat geschrieben, dass er etwas gesehen hat.”
„Wat? Was hat er gesehen?”
„Das hat er nicht gesagt.”
Toen hij had opgehangen, bleef hij een poos met de telefoon in zijn hand staan. Het toestel was vergrendeld; hij had het gesprek alleen kunnen aannemen omdat dat zonder code kon. Maar op het vergrendelscherm stonden de meldingen nog onder elkaar: zeventien gemiste oproepen van Ute, een paar WhatsApp-berichten van haar, steeds korter. Matthias? Ruf an. Bitte. En helemaal onderaan, als laatste uitgaande regel in een groen balkje dat hij met zijn duim omlaag kon trekken, het bericht dat Matthias zelf had gestuurd. Maandag 9 november, 22:14.
Ich habe heute Abend etwas gesehen, das niemand sehen sollte. Erzähle dir morgen. Kuss.
Joris las het drie keer. Hij was geen man die snel dingen dacht. Zijn ex-vrouw had dat altijd een deugd genoemd, de eerste jaren, en later iets heel anders. Maar hier, in deze stille boot, met het water dat langzaam langs de romp zoog, dacht hij het toch. Niemand ging om tien uur 's avonds in november de kreken in om naar vogels te kijken. Tenzij je naar uilen luisterde. Of naar de trek van lijsters, die in heldere nachten boven de rivier door trokken, zacht piepend, duizenden. Maar gisteravond was het niet helder geweest. Gisteravond was de mist al om vijf uur komen opzetten.
Hij belde 112 en vroeg om de politie. Hij gaf zijn naam, zijn functie, de plek in coördinaten van de gps op zijn eigen boot, en daarna, omdat de centralist dat vroeg, nog een keer op een manier die een mens kon begrijpen: het Gat van de Zwaluw, de zijkreek ten zuiden van de Hardenhoek, Brabantse Biesbosch, gemeente Drimmelen. Een vermiste Duitse man, eenenzestig jaar, vermoedelijk sinds gisteravond tien uur. Een lege huurboot.
„Er komt iemand naar u toe,” zei de centralist. „Kunt u ter plaatse blijven?”
„Ik blijf,” zei Joris. „Maar vanaf het water komen ze er niet makkelijk. Zeg maar dat ze naar het steigertje bij de Spieringsluis moeten rijden, dan haal ik ze daar op.”
Hij hing op en belde zijn eigen leidinggevende, Sandra, die nog in bed lag en dat niet onder stoelen of banken stak. Daarna belde hij Henk Pals. Henk nam op bij de tweede keer overgaan, met de stem van iemand die al uren wakker was.
„Kievit 4,” zei Joris. „Wie heeft die?”
Even stilte. „Matthias,” zei Henk toen. „De Duitser. Matthias Krüger. Die heeft hem de hele week, zoals altijd. Hij mag hem 's nachts aan mijn eigen steiger leggen. Wat is er met de Kievit?”
„Hij ligt hier. In het Gat van de Zwaluw. Leeg.”
Het bleef zo lang stil dat Joris dacht dat de verbinding was weggevallen.
„Leeg,” herhaalde Henk.
„Kwam hij gisteravond niet terug?”
„Ik weet het niet. Ik lig om half tien in bed, Joris, dat weet je. Ik heb niet gekeken of hij lag. Jezus.” Hij hoorde Henk iets omstoten, een stoel of een emmer. „Hij kent het hier beter dan de meeste Nederlanders. Twaalf jaar komt die man. Hij heeft een boekje waar hij alles in schrijft, elke ijsvogel, elke zeearend. Hij weet wanneer het water keert. Hij gaat niet zomaar overboord.”
„Ik zeg ook niet dat hij overboord is gegaan.”
„Wat dan?”
Joris keek naar het bericht op het scherm, dat nu weer donker was. „Ik weet het niet,” zei hij. „De politie komt eraan. Blijf bij de telefoon.”
Terwijl hij wachtte, deed hij wat hij altijd deed als hij niet wist wat hij moest doen: hij keek.
De rugzak. Een regenbroek, opgerold. Een plastic doos met twee boterhammen met kaas, één aangebroken. Een reep pure chocolade, Duitse, de wikkel nog dicht. Een notitieboekje met een elastiekje erom zat er niet in, en dat was het eerste wat hem opviel, omdat Henk er net over begonnen was. Hij voelde in de zijvakken. Een zaklamp, een rolletje tape, een opvouwbaar krukje. Geen camera. Geen verrekijker.
De thermosfles was halfvol geweest; er was thee over de vlonders gelopen, rooibos, hij rook het nog. Dat betekende dat de fles was omgevallen toen er nog thee in zat. Je dronk je thee niet half op en liet hem dan open liggen.
Hij liep naar het achterschip. De Kievit had een kleine elektromotor met een schroef die je kon opklappen. De motor was niet opgeklapt. Hij hing schuin in de modder, en toen Joris op zijn knieën ging en met zijn hand in het koude water tastte, voelde hij iets wat er niet hoorde. Touw. Nylon, gevlochten, een paar meter, strak om de as gewikkeld, met daaraan iets van net.
Hij trok. Het gaf niet mee. Hij haalde zijn mes uit de schede aan zijn riem, sneed een stuk los van het touw dat nog vrij in het water hing, en trok het boven.
Het was een stuk van een fuik. Hij herkende het meteen, zoals een timmerman een zwaluwstaart herkent. Fijnmazig groen net, de knopen strak, een kunststof hoepel van een centimeter of veertig doorsnee die half was afgebroken. Aan de hoepel zat een stukje oranje markeringstouw, en in het net, met de kop klem tussen twee mazen, zat een paling. Nog levend. Hij kronkelde traag in Joris' hand, glanzend, olijfgroen op de rug en zilverwit aan de buik, en sloeg met zijn staart tegen zijn pols.
Joris bleef er lang naar kijken.
In de Biesbosch mocht al jaren niet meer op paling worden gevist. Niet sinds de metingen van het dioxine en de pcb's, niet sinds de grote rivieren op de kaart rood waren gekleurd en de beroepsvissers met een regeling van de overheid hun fuiken aan de wilgen hadden gehangen. En in de herfst, als de schieralen naar zee trokken om te gaan paaien, mocht het nergens in het land. Een fuik met paling in november, in deze kreek, was niet zomaar een overtreding. Het was iemand die precies wist wat hij deed en wanneer niemand keek.
En hij wist, of dacht te weten, wie hier vroeger zijn fuiken zette.
Hij wrikte de paling voorzichtig los uit het net. Het dier gleed tussen zijn vingers door en liet een laag slijm achter dat niet van zijn huid af wilde. Hij hield hem even boven het water, voelde hoe het lijf zich spande, en liet hem gaan. Een glinstering, een kringetje, en de paling was weg, de diepte in, op weg naar een zee die hij misschien nooit zou halen.
Toen legde hij het stuk net op de vlonders van de Lepelaar, naast de thermosfles die hij met zijn mouw over zijn hand had opgepakt, en ging zitten.
Boven hem, ergens in het grijs, klonk het droge, harde roepen van een grote vogel. Hij keek op, maar zag niets. Een zeearend misschien. Sinds 2006 broedden ze weer in de Biesbosch, voor het eerst in meer dan een eeuw, en Matthias Krüger was, als hij Henk goed begreep, een van de mensen die elk jaar naar ze kwamen kijken.
Hij keek naar zijn handen. Het slijm van de paling was opgedroogd tot een dun glanzend vlies.
Ich habe heute Abend etwas gesehen, das niemand sehen sollte.
Ver weg, aan de kant van de Spieringsluis, hoorde hij het geluid van een auto die over het grind kwam. Een portier dat dichtsloeg. Toen nog een. Hij maakte de lijn van de Lepelaar los, liet de Kievit liggen waar hij lag, en draaide het roer om ze te gaan halen.
Pas halverwege bedacht hij dat hij de politie van de fuik zou moeten vertellen. En dat hij, als hij dat deed, ook de naam zou moeten noemen die al een kwartier in zijn hoofd zat.
Hij gaf gas, en de mist sloot zich achter hem.