Hoofdstuk 4: Laagwater

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De werkschuur van Staatsbosbeheer in Drimmelen was een loods van donkergroene damwandplaten aan het eind van een doodlopend weggetje, met een betonnen helling naar het water en een kantoortje achterin waar de koffieautomaat al sinds 2019 alleen nog heet water gaf. Anouk zat er om tien voor zeven al. Ze had haar eigen thee meegenomen, in een thermosbeker met het logo van een voetbalclub uit Bergen op Zoom, en ze had de stoel van Sandra genomen, de enige met armleuningen.

„Je bent te vroeg,” zei Joris.

„Ik slaap slecht in hotels.” Ze schoof een stoel voor hem bij. „Ga zitten.”

Hij vertelde het haar. Alles, zoals ze had gevraagd. De paling die hij had teruggezet. De knopen in het net. Kees en zijn fuiken in de schuur, het stof op de hoepels. Ruud met zijn schrammen. De natte waadlaarzen en de blauwe kratten. Lotte op de trap. Hij vertelde ook over Wim van Wijk en de schuit en de storm van 1979, omdat hij zag dat ze het anders niet zou begrijpen, en omdat hij gisternacht wakker had gelegen en had bedacht dat ze het toch zou horen, van iemand anders, met een draai eraan.

Ze schreef nu wel. Snel, in een klein notitieboek met een harde kaft, in een handschrift dat hij ondersteboven niet kon lezen.

„Waarom heb je het me gisteren niet verteld?” vroeg ze, toen hij klaar was.

Hij dacht erover na. „Omdat ik Kees ken sinds ik kan lopen. Omdat mijn vader met hem in de griend werkte. Omdat iedereen in Polderveer de Van Wijken al dertig jaar aanwijst als er iets is, en omdat het meestal niet klopt.”

„Meestal.”

„Soms klopt het.”

„Dit keer?”

„Ik weet het niet.” Hij wreef over zijn gezicht. „Ruud zet fuiken. Dat weet ik bijna zeker. Ruud is kwaad, op mij, op de provincie, op alles. Maar Ruud doet geen mensen kwaad. Hij schreeuwt. Hij smijt met blikjes. Hij duwt misschien iemand opzij in de kroeg. Maar hij laat geen man verdrinken.”

Anouk sloeg haar notitieboek dicht.

„Ik heb een probleem, Joris,” zei ze. „Ik kom uit Bergen op Zoom. Ik heb vijf jaar in Rotterdam gewerkt, op straat, en twee jaar in Breda. Ik weet hoe ik een telefoon laat uitlezen en hoe ik iemand verhoor die liegt. Ik weet niet hoe het water hier loopt. Ik weet niet welke kreek bij laagwater droogvalt en wie er in dit gebied welke knopen legt. De waterpolitie weet een deel, maar die zijn uit Dordrecht en Moerdijk en die varen over de grote wateren. Jij weet de rest.”

„Dus?”

„Dus ik heb je nodig. En ik kan je niet vertrouwen.” Ze zei het zakelijk, zoals ze alles zei. „Dat is lastig.”

Hij keek naar haar thermosbeker, naar het verbleekte clublogo. „Wat stel je voor?”

„Je vaart voor me. Je laat me zien wat ik niet zie. En je praat met niemand over deze zaak, ook niet met je oude buren, tenzij ik erbij ben.” Ze stond op. „Als je dat niet kunt, zeg het nu, dan vraag ik Staatsbosbeheer om iemand anders.”

„Er is niemand anders die het hier zo kent.”

„Dat dacht ik al,” zei ze. „Dus?”

Hij stond ook op. „Hoe laat is het laagwater vandaag?” vroeg hij, en hij wist het antwoord al.


Hij had het 's nachts uitgerekend, aan zijn keukentafel, met de getijtabel van Rijkswaterstaat op zijn laptop en de kaart van Matthias Krüger op zijn netvlies. Maandagavond was het hoogwater geweest om even na zevenen. Daarna ebde het af, tot laagwater om een uur of twee in de nacht. In een kreek als de Ruigekreek liep het water bij eb niet hard, maar wel gestaag, naar het westen, naar het Gat van de Zwaluw en verder naar de Amer. Een lege boot met een opgerolde fuik om zijn schroef, licht, met een open kap die de wind ving, zou in drie, vier uur een paar kilometer kunnen afleggen. Precies de afstand tussen de Ruigekreek en de plek in de wilgen waar Joris hem had gevonden.

Het was niet zeker. Er waren drie, vier andere kreken die ook zouden kunnen. Maar op de kaart van Matthias stonden bij de Ruigekreek twee kruisjes, en bij een ervan stond in potlood een getal en een woord dat Joris pas bij het tweede lezen had kunnen ontcijferen: Rohrdommel. Roerdomp.

„Hij ging daar 's avonds luisteren,” zei hij tegen Anouk, terwijl ze de Lepelaar door de Bakkerskil stuurden. „Roerdompen roepen in de schemering. Dat lage, holle geluid, als iemand die over een fles blaast. In november roepen ze nauwelijks, maar je ziet ze soms wel. En met een warmtebeeldkijker al helemaal.”

„En wat zie je nog meer met een warmtebeeldkijker?”

„Alles wat warmer is dan de omgeving.” Hij keek haar aan. „Mensen bijvoorbeeld.”


De mist was die ochtend minder dicht. Je zag de oevers nu, en daarachter de eerste rij bomen, en soms zelfs de rij daarachter, voordat alles weer opging in wit. Op een slikplaat aan de rand van de Bakkerskil stond een groep grote zilverreigers, roerloos, als porseleinen beelden die iemand daar was vergeten. Een ijsvogel schoot over het water, een streep turkoois zo fel dat Anouk haar hoofd ervoor omdraaide.

„Wat was dat?”

„IJsvogel.”

„Die bestaan echt?”

„Meer dan je zou denken. Het hangt af van de winter. Na een paar weken strenge vorst zijn ze bijna allemaal weg.”

Ze keek hem aan, en voor het eerst sinds hij haar kende, zag hij iets van een glimlach. „Jij weet dat soort dingen gewoon.”

„Het is mijn werk.”

De Ruigekreek begon als een smalle opening in de rietkraag, zo smal dat je hem voorbij voer als je niet wist dat hij er was. Joris zette de motor op langzaam en draaide naar binnen. Meteen werd het stiller. De wilgen kwamen van twee kanten aan, met takken die over het water hingen en die hij met zijn arm opzij moest duwen. Het water stond nu op zijn laagst. Langs de oevers lagen brede banen modder bloot, grijsbruin en glanzend, vol pootafdrukken van reigers en ganzen, en de wortels van de wilgen staken eruit als de ribben van een geraamte.

Na een paar honderd meter maakte de kreek een bocht naar links. In de binnenbocht lag een kleine open plek, waar ooit een griendwerkerssteiger had gestaan. Er waren nog drie palen van over, zwart en rot, en tussen de palen hing een eind touw in het water.

„Hier,” zei Joris.

Hij legde de boot tegen een van de palen en keek. Het touw was oranje. Hetzelfde oranje als het markeringstouw aan het stuk fuik in de schroef van de Kievit. Hij trok het boven. Er zat niets meer aan. Het einde was niet gerafeld, zoals bij een touw dat is afgescheurd. Het was recht afgesneden.

„Er stonden hier fuiken,” zei hij. „Een hele rij. Kijk.”

Hij wees langs de oever. In de modder, op regelmatige afstand, zaten gaten. Ronde gaten van een centimeter of vijf doorsnee, met een randje van opgeduwde klei. Waar de palen hadden gestaan waaraan de fuiken vastzaten. Zes, zeven, acht. Ze liepen de kreek in en verdwenen om de volgende bocht.

„Weggehaald,” zei Anouk.

„Gisteren of vannacht. Het water heeft de gaten nog niet dichtgespoeld.”

„Dus iemand wist dat we zouden komen.”

„Iemand wist dat er een man vermist werd die hier in de buurt was geweest.” Hij keek naar haar. „Dat wist het hele dorp, gisteravond.”

Anouk zei niets. Ze stapte uit de boot, in zijn oude kaplaarzen, recht de modder in. Ze zakte tot haar enkels weg en vloekte zacht in een dialect dat hij niet kende, West-Brabants waarschijnlijk. Toen liep ze, voorzichtig, haar armen wijd voor haar evenwicht, langs de rij gaten naar de bocht.

Joris volgde haar. Hij zag het eerder dan zij, omdat hij wist waar hij moest kijken. Vlak onder de oeverrand, tussen twee wilgenwortels, half in de modder gedrukt: iets zwarts, rond, van kunststof. Hij bukte en raakte het niet aan.

„Anouk.”

Ze kwam terug. Hij wees. Ze ging op haar hurken zitten, haalde een paar latex handschoenen uit haar jaszak en pakte het ding met twee vingers op. Een zonnekap. Het soort dat je op een telelens schroeft, tegen strooilicht. Aan de binnenkant, in witte letters: een merknaam en een diameter in millimeters.

„Zijn camera,” zei ze.

„Of iemand anders zijn camera.”

„Hoeveel mensen fotograferen hier 's nachts met een telelens?” Ze draaide de kap om in haar hand. Er zat modder in, en aan de rand was het plastic gebarsten. „Die is niet zomaar gevallen. Die is ergens tegenaan geslagen.”

Ze stopte de kap in een zakje en keek om zich heen. Naar de open plek, de rotte palen, de gaten in de modder. Naar het water, dat nu heel langzaam begon te keren; je zag het aan het blad dat op het oppervlak dreef en dat ineens stillag, en toen, heel zacht, de andere kant op begon te draaien.

„Hij was hier,” zei ze. „Hij zat hier met zijn warmtebeeldkijker. En hij zag iemand die zijn fuiken leegde.”

„Of twee iemanden.”

Ze keek hem aan. „Waarom twee?”

Joris wees naar de modder bij de verste paal. Er stonden voetafdrukken in, half uitgespoeld maar nog leesbaar. Grote, met een grof profiel, van laarzen die tot hun schacht in de klei waren gezakt. En daarnaast, kleiner en scherper, een tweede spoor, met een ander profiel. Visgraatpatroon. Een rubberen laars van een merk dat je bij elke boerenwinkel kon kopen.

„Ruud heeft maat zevenenveertig,” zei hij. „Minstens.”

„En die kleine?”

„Weet ik niet.”


Ze voeren terug over het hoge water, dat nu snel opkwam en de modderbanken een voor een onder liet lopen. Anouk zat voorin en belde. Eerst de technische recherche, voor de afdrukken. Daarna iemand in Breda, over de telefoon van Matthias, die nog steeds niet ontgrendeld was. Daarna haar moeder, kort, over haar zoon Thijs die naar de tandarts moest en een briefje van school was vergeten.

Toen ze ophing, waren ze bij de monding van de Bakkerskil. Joris stuurde naar het noorden, naar het brede water van de Nieuwe Merwede, omdat Anouk de dijk van Polderveer vanaf het water wilde zien. De mist was hier bijna weg. Aan de overkant lag de dijk van het Land van Altena, een lange groene streep met daarachter de daken van de boerderijen.

Op de dijk, precies boven het punt waar de Ruigekreek ooit in de polder had uitgekomen, stond een pick-up geparkeerd. Een grijze Toyota met een open laadbak en een kenteken dat Joris niet kon lezen op deze afstand. Er stond een man naast. Groot, in een donkerblauwe werkjas. Hij had een verrekijker voor zijn ogen.

Hij keek naar hen.

„Wie is dat?” vroeg Anouk.

Joris kneep zijn ogen samen. Hij kende die pick-up. Iedereen in Polderveer kende die pick-up, omdat er op de deur in witte letters de naam van een melkveebedrijf stond dat al vier generaties in de Zuiderwaard zat.

„Bart Hoogendoorn,” zei hij. „Gerrits zoon.”

De man liet zijn verrekijker zakken. Hij stapte in, zonder haast, en reed weg over de dijk. De pick-up verdween achter een rij populieren.

„Die van de storm,” zei Anouk langzaam. „Van 1979.”

„Die was toen nog niet geboren. Dat was zijn vader.”

„Wat doet die hier?”

„Het is zijn land,” zei Joris. „Hij mag kijken waar hij wil.”

Maar hij keek nog lang naar het punt op de dijk waar de pick-up had gestaan, ook toen er niets meer te zien was dan gras en een paar zwarte kraaien.